De koning en zijn gemeente
De verwachting van het rijk
Wijder dan de kerk
In het vorige artikel hebben we wat rondgekeken in de geschiedenis en gezien hoe verschillend er in de loop der eeuwen gedacht is over het Rijk van God en de Kerk. In dit artikel willen we, maar dan vooral vanuit de Schrift nogmaals ingaan op deze verhouding. Wij willen proberen aan de verschillende facetten recht te doen. Het gevaar bestaat altijd weer dat we, uit reactie in een onbijbelse tegenstelling vallen.
Om te beginnen zal dan gezegd moeten worden, dat de begrippen Koninkrijk en Kerk nergens in het Nieuwe Testament gelijk gesteld worden. Dat kan ook moeilijk. Koninkrijk Gods is, zo zagen we eerder, een veelomvattende situatie. Het is het geheel van de oordelende en reddende heerschappij van God over al het geschapene. Dat omvat meer dan de kerk. Zowel in de ruimte als in de tijd. In de gelijkenissen uit Matth. 13 over het Koninkrijk zegt Jezus dan ook: de akker, waarop het zaad gezaaid wordt (en dan is bedoeld het evangelie van het Koninkrijk) is de wereld. En als dit Rijk komt, gaat het als een allesdoordringend zuurdesem de wereld in. Het heeft te maken met het mensenhart en de kerk, met staat en maatschappij, politiek en cultuur, met de structuren en de ordeningen. Het koningschap des Heeren gaat over alle dingen. Daar zijn immers de Psalmen al vol van. En het uitzicht van Gods kinderen wordt gedragen door de belofte, die vanaf de troon gegeven is: Zie, Ik maak alle dingen nieuw (Openb. 21 : 4). Ja, de ganse schepping ziet met reikhalzend verlangen uit naar het openbaar worden van de kinderen Gods (Rom. 8). En het moet toch elke bijbellezer veel te zeggen hebben dat in de grote doorbraak van Gods Rijk, zoals de Openbaring van Johannes ons die beschrijft, de ganse geschapen werkelijkheid betrokken is. We zullen ons juist in deze tijd, nu allerlei vragen over de leefbaarheid van het milieu en de bedreiging van de schepping zich aan ons voordoen, nu de wereld in velerlei opzichten in een crisis verkeert, met die wereldwijde betekenis van de komst van het Rijk terdege moeten bezig houden. Niet om in een onbijbels horizontalisme te vervallen, a.u.b. niet, maar wel, om vanuit de Schrift te getuigen van de hoop en de zekerheid die er ligt in de beloften Gods ten aanzien van de nabije en de laatste toekomst.
Een nauwe verbinding
Wijder dan de kerk... Ja, maar wie dat zegt, moet dan tegelijk erbij zeggen dat er in de Schrift toch ook sprake is van een nauwe verbinding tussen Rijk en kerk. In het N.T.isch onderzoek van de laatste tientallen jaren zijn velen wel tot de overtuiging gekomen dat men zich van teksten als Mattheus 16 : 18 niet zomaar kan en mag afmaken. En dat de gedachte, als zou de kerk een noodoplossing zijn, strijdig met de bedoelingen van Jezus, er naast is.
Vooreerst is daar het feit dat bij de Koning van het Rijk, de Messias, een volk behoort. Dat blijkt al uit de laat-Joodse toekomstverwachting. Dat zien we ook in het Nieuwe Testament. Denkt u alleen maar aan het feit dat de Heere Jezus zich de goede Herder noemt, en dat Hij spreekt over de schapen van zijn kudde (Joh. 10 : 11 vv; Lucas 15 : 1—7). En als de Heiland twaalf discipelen roept en rondom zich vergadert, is dat vol diepe zin. Dan, zien we daarin toch de omtrekken van de gemeente. De twaalven vertegenwoordigen het nieuwe Israël, 't nieuwe volk van God, de Rijk-Gods-gemeente. En in het al eerder genoemde Mattheus 16 is het dan al heel duidelijk. Daar spreekt de Heere onomwonden over Mijn Ekklesia, een woord dat we door 'kerk' of 'gemeente' mogen vertalen. In Mattheus 18, een hoofdstuk dat wel de gemeenteregel wordt genoemd, lezen we allerlei instructies inzake de omgang in die gemeente, de wijze waarop degenen, die tot het Koninkrijk behoren, met elkander voor Gods aangezicht moeten omgaan. Zo zou er veel meer te noemen zijn. In Luc. 12 : 32 horen we dat aan 't kleine kuddeke van de discipelkring het Koninkrijk gegeven wordt. Matth. 21 : 43 spreekt van een volk van wie het Koninkrijk gegeven wordt en dat de vruchten daarvan opbrengt. En als de Heere Jezus in Mattheus 12 : 50 laat horen dat aardse banden en familieverhoudingen niet doorslaggevend zijn om het Koninkrijk in te gaan, maar dat het aankomt op het doen van de wil van de Vader dan mogen we zeggen: zij die de wil des Vaders doen en ingaan in het Rijk, vormen het nieuwe huisgezin des Heeren, de kerk.
Het is dan ook volkomen in overeenstemming met de Schrift als Prof. dr. H. N. Ridderbos in zijn bekende en terecht veel geprezen studie over de Komst van het Koninkrijk de nauwe verbinding tussen Koninkrijk Gods en Kerk aldus omschrijft: De Kerk is het door God verkoren en geroepen volk dat in het heil van het Koninkrijk delen mag. Daarom openbaart zich in de Kerk ongetwijfeld het Koninkrijk in zijn verlossende en reddende betekenis, in al zijn schatten en gaven die haar thans reeds in en door Christus worden toegezegd en geschonken (blz. 307).
Zien we de eerste omtrekken van de kerk al gedurende Jezus' werkzaamheden op aarde, na de opstanding en na de uitstorting van de Heilige Geest wordt de gestalte van de gemeente veel duidelijker. Dat blijkt trouwens ook uit de gebruikte begrippen. Terwijl in de eerste drie Evangeliën het begrip Koninkrijk ongeveer honderd maal voorkomt, treffen we het begrip Kerk slechts enkele keren aan. In de Handelingen der Apostelen en in de brieven treedt de kerk meer op de voorgrond. De aanduiding Koninkrijk Gods wordt dan veel minder gebezigd. Al moeten we er dan wel bij zeggen dat de belijdenis van Christus als de Heere, aan Wie alle macht gegeven is in hemel en op aarde, in de brieven veelvuldig voorkomt. En de prediking: Jezus Christus is Heere bevat ongekende perspectieven.
Geen verlegenheidsconstructie
Nu wordt de tegenwerping wel gemaakt, dat het allerminst toevallig is, dat het spreken over de kerk toeneemt en het spreken over het Rijk afneemt. Want, zo zegt men, met de verflauwing van de toekomstverwachting zet de verkerkelijking zich door. De eerste sporen zouden al te zien zijn in het N.T. En nadat Constantijn de Grote de kerk bevrijd heeft uit zijn rol als onderdrukte minderheid, zou dat proces in verhevigde mate zijn toegenomen. Ik meen dat dat onjuist is. De nauwe verbinding tussen Koninkrijk en Kerk, en de aandacht voor de gemeente als het volk dat delen mag in de zegeningen van 't Rijk, betekenen geen verlegenheidsconstructie, maar hangen samen met de wijze waarop zondaren ingaan in het Rijk, namelijk door het geloof.
Daarom is de kerk de gemeenschap van hen die het evangelie in het geloof hebben aangenomen, die vergaderd worden rondom Woord en sacrament, en nu delen mogen in de schatten van het Rijk: vergeving, kindschap Gods, eeuwig leven. Die daarom ook in hun levensopenbaring hebben te buigen onder de aanspraken van de Koning van dit Rijk en Zijn juk op zich hebben te nemen (Matth. 11 : 28 vv). In hun leven wil God zijn heerschappij oprichten door de kracht van Zijn Geest. Jezus is Heere! In die zin mogen we zeggen dat de kerk in dienst staat van het Rijk, getuige van Gods heerschappij is en geroepen wordt die heerschappij Gods in de wereld te belijden.
Onderweg
Laten we bij dit alles niet vergeten dat de gaven van het Koninkrijk slechts ten dele gesmaakt worden. Christus' gemeente staat in het strijdperk. Zonde, verzoeking, satanische tegenstand, lijden, gevaar en verdrukking blijven haar niet bespaard. Op eigen erf is zoveel kaf onder het koren. De brieven van de apostelen geven er een aangrijpende schildering van hoe de gemeente op deze aarde bepaald niet zonder smet of rimpel is in zichzelf. Wat zij heeft, heeft ze in Christus. En de Heilige Geest die haar geschonken is, is het onderpand van de beloofde erfenis. Waar deze Geest werkt en niet bedroefd wordt daar ziet Gods gemeente juist met verlangen uit naar de volle openbaring van Gods Koningschap, roept ze uit haar aardse strijd: Maranatha, Kom, Heere Jezus. Daarom is de kerk ook de gemeenschap van hen die het Koninkrijk verwachten en worden zij vergeleken met knechten die waakzaam uitzien naar de komst van hun heer (Matth. 24 en 25).
De kerkgeschiedenis laat zien dat wij dat laatste steeds weer hebben vergeten. Hoe vaak zijn we niet ingedommeld en ingeslapen! Hoe is de kerk niet bezweken voor de verleiding een werelds machtsinstituut te worden! Hoe vaak is ze niet ontrouw aan het Woord van haar Koning! Dan worden woorden van mensen, kerkleiders, synodes, concilies, belangrijker dan 't Woord van het Koninkrijk. Dikwijls vergeten wij in de kerk, dat de grondwet van het Rijk Gods is: niet heersen, maar dienen. Dikwijls is de belijdenis van het koningschap van Christus ingeruild voor een kniebuiging aan het adres van aardse machten. We bedoelen niet op een onbijbelse wijze de gemeente te geselen, maar wij mogen er toch niet aan voorbijzien dat heel de geschiedenis van de kerk, tot op onze tijd toe, een geschiedenis van zonde en ontrouw is, waar het ons betreft. Dan kun je je alleen maar verwonderen over de trouw van Christus Die zijn kerk bewaart.
Er is echt geen reden tot triomfalisme. De kerk op aarde is strijdende kerk, gemeente van zondaren, tot wie telkens weer waarschuwend gezegd moet worden: Bedroeft de Geest Gods niet. En het evangelie van het Koninkrijk is dan ook een Woord, dat kritisch en oordelend ingaat in het leven van de kerk.
Dat is m.i. het waarheidselement in de visie van hen die Koninkrijks Gods en kerk tegenover elkaar hebben gesteld. Zij zijn te ver gegaan, ongetwijfeld. Zij hebben het geheim van de gemeente menigmaal miskend. Maar de kritiek van allerlei secten en stromingen op kerkelijke verslapping en ingezonkenheid, of gebrek aan verwachting is te ernstig dan dat we haar mogen negeren. Er liggen heel wat onbetaalde rekeningen aan het adres van de kerk, die we toch hebben te honoreren.
Een Kerk die zich breed maakt in de wereld, die zich meer laat leiden door de geesten dan door de Geest van Christus, meer naar eigen woord luistert, dan naar het Woord van Koning Jezus kan nog wel actief bezig zijn, maar het is een uitzichtloze activiteit.
Want zo'n kerk heeft de bede: Uw Koninkrijk kome, verleerd. Dan hebben we de kritiek van de herauten van het Koninkrijk, de wachters op Sions muren, dub ' bel hard nodig. De profetische kritiek, die ons er aan herinnert: Uw God is Koning. We kunnen het ook anders zeggen: We hebben, voortdurend weer te bidden om de leiding en de doorwerking van de Heilige Geest, opdat de verwachting niet verflauwe, maar opdat de Bruidsgemeente, gedreven door de Geest blijft uitzien naar de komst van de Bruidegom, en zo, ook in de huidige wereld, een profetisch getuige mag zijn van het Koningsschap des Heeren.
Utrecht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's