De inhoud van het belijden
Belijden en Belijdenis
Om zicht te krijgen op de juiste verhouding tussen belijden en belijdenis, moeten wij ook aandacht geven aan de inhoud van het belijden. Het Nieuwe Testament laat ons daarover niet in het onzekere. Duidelijk komt daarin naar voren, dat de centrale inhoud van de christelijke belijdenis Christus is. Als de Kamerling in Hand. 8 gedoopt wil worden, moet hij eerst belijdenis afleggen van zijn geloof. En deze geloofsbelijdenis heeft dan de volgende inhoud: ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is (Hand. 8 : 37). Zo zouden er vele belijdenissen in het Nieuwe Testament aan te wijzen zijn, die alle Jezus Christus tot inhoud hebben.
Kurios
In deze belijdenissen wordt Jezus beleden als de Christus, als de Zoon van God, maar vooral wel als de Heere, de Kurios. Wij denken aan een belijdenis als in 1 Cor. 8 : 5 en 6. Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heeren zijn), nochtans hebben wij maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij tot Hem, en maar één Heere, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem'.
Wat ons in deze belijdenis opvalt, is, dat zij functioneert midden in een wereld, waarin vele goden en heren worden beleden. De belijdenis van Jezus Christus als de Kurios heeft dus duidelijk een apostolaire spits. Het is een belijdenis die zich laat horen in een 1; tegenoverpositie met de omringende wereld. In later tijd is dat nog toegespitst vanwege de keizercultus, waartoe alle onderdanen van het Romeinse Imperium verplicht waren. Deze keizer-cultus werd beheerst door de belijdenis: de keizer is Kurios. Daartegenover werd nu door de christelijke gemeente beleden: Jezus is Kurios. Dat was een geweldige zaak, om deze belijdenis af te leggen. Dat kon de mens niet uit zichzelf. Dat kon hij alleen, als hij door de Geest geleid werd. Daarom zegt Paulus: iemand kan zeggen, dat Jezus de Kurios is, dan door de Heilige Geest. (1 Cor. 12 : 3). En als men door die Geest niet geleid werd, en men werd voor de Romeinse rechter gedaagd om zijn geloof te verloochenen, dan kwam men ertoe om te zeggen, dat Jezus een vervloeking is (1 Cor 12 : 3a).
Consequenties
We kunnen hieruit opmaken, van welk een geweldige actualiteit de christus-belijdenis in de oude kerk is geweest. Belijdenis en belijden staan hier wel heel dicht bij elkaar, zijn onlosmakelijk met, elkaar verbonden. Want de kracht, ook het waagstuk van het belijden hing helemaal , af van wat er beleden werd, van de belijdenis zelf. Tegelijk ontdekken wij hier nog iets, namelijk de politieke en maatschappelijke consequenties van dit belijden. Aan de ene kant was het een belijdenis, die vol was van de Geest ('Niemand kan zeggen, dat Jezus de Kurios is, dan door de Heilige Geest'). Aan de andere kant had dit belijden zulk een concrete plaats in het lijfelijke bestaan van de christenen en van de wereld in die dagen, dat het hele politieke apparaat in werking kwam, wanneer deze belijdenis werd gehoord. Deze belijdenis had niet alleen piet het gelovige hart van de christenen te maken maar ook met de keizer van Rome. Zijn heerschappij stond te wankelen, als de Naam van deze Kurios (Jezus is Kurios) werd uitgesproken. Zoals eenmaal de heerschappij van Keizer Augustus stond te wankelen, toen het Kindeke geboren werd in de stal van Bethlehem.
Daarom is het zo misplaatst om het persoonlijke door de Geest vervulde belijden los te maken van de concreetheid van ons aardse, politieke en maatschappelijke bestaan. Wanneer Jezus Christus onze Heere wordt, dan komt ons hele leven in al zijn verhoudingen onder Zijn heerschappij te staan. Dan blijft er niets en niemand ongemoeid. Dan doordringt deze belijdenis het hele bestaan, tot in de verste uithoeken toe.
Trinitarisch
De Christus-belijdenis staat in het Nieuwe Testament dus centraal. Dat wil echter niet zeggen, dat Christus de enige inhoud van deze belijdenis is. In de bovengenoemde tekst uit 1 Cor. 8:5, wordt ook God de Vader beleden, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem. En datzelfde kunnen wij ook vinden in 1 Tim. 3 : 13-16: Ik beveel u voor God, die alle dingen levend maakt, en voor Christus Jezus, die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft...'
Daarnaast vinden wij ook belijdenisformules, waarin niet alleen Christus en God de Vader, maar waarin ook de Heilige Geest wordt beleden. Wij noemen u het bekende doopbevel van Jezus uit Matth. 28 : 19: Gaat dan heen en onderwijst alle volken, hen dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes...' Ook denken wij aan de groet van Paulus aan de gemeente van Corinthe (2 Cor. 13 : 13): de genade van de Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen...'
Het is niet zonder belang om op deze trinitarische belijdenissen (Belijdenissen die het geloof in de Drieënige God tot inhoud hebben) te wijzen. In het jongste verleden is namelijk nog wel eens de gedachte gelanceerd, dat alleen de belijdenis van Christus werkelijk voluit bijbels is, terwijl deze trinitarische belijdenissen door de christelijke gemeente later aan het oorspronkelijke Nieuwe Testament zijn toegevoegd. Misschien is het goed om in dit verband de naam van Oscar Cullmann te noemen, de bekende Nieuw-Testamenticus, die vooral in deze lijn heeft gesproken. Hij gaat zelfs zover, dat hij niet alleen spreekt van latere toevoegingen, maar ook van een vervalsing van de oorspronkelijke belijdenis. Hij meent dat de uitbreiding van de oorspronkelijke Christus-belijdenis tot een belijdenis van de Drieënige God niet legitiem is, maar een afbuiging, die onder invloed gestaan heeft van het latere christelijke denken.
Wij kunnen echter onmogelijk met deze gedachtengang meegaan. Het lijkt me al een onjuiste zaak om te gaan spreken over latere toevoegingen. Alleen al vanwege het grote gevaar, dat men dan als latere toevoeging beschouwt, wat men zelf in zijn systeem niet kan plaatsen. Wij willen de Schrift lezen en trachten te verstaan zoals zij voor ons ligt. En dan is duidelijk, dat, hoewel de belijdenis aangaande Christus de centrale plaats inneemt in het Nieuwtestamentische getuigenis, toch ook van het begin af aan de belijdenis aangaande God de Vader en ook de belijdenis van de Drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, een legitieme plaats heeft ingenomen. Het gaat niet aan om hier te spreken over latere toevoeging of zelfs over vervalsing. Het is juist zo betekenisvol, dat van het begin af de christelijke belijdenis een duidelijk trinitarische spreiding gehad heeft. Betekenisvol is dat niet alleen, omdat hieruit blijkt, dat de Schrift ons reeds van het begin af aan de volheid des heils heeft geopenbaard in Christus, die Zoon des Vaders is, en die door de Geest zijn volbrachte werk toepast en realiseert in het hart en in de geschiedenis.
Aan de andere kant is dit ook betekenisvol, omdat daaruit blijkt, dat de kerk niet op een dwaalspoor is terechtgekomen, toen zij in de volgende eeuwen haar oecumenische belijdenissen heeft uitgesproken tegenover de dwaalleer, die alle een christologisch-trinitarisch karakter dragen. Wij denken dan aan de Apostolische Geloofsbelijdenis, aan de Belijdenis van Nicea en aan de Belijdenis van Athanasius. Daarover echter de volgende keer nog iets meer. .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's