De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wilde Calvijn geen belijdenis ondertekenen?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wilde Calvijn geen belijdenis ondertekenen?

10 minuten leestijd

De laatste maanden zijn wij herhaaldelijk getuigen van nieuw oplaaiende discussies over de verhouding van een actueel belijden tot vaststaande belijdenissen die de vorm van formulieren hebben gekregen. Van verschillende zijden wordt met aandrang naar voren gebracht, dat de kerk geroepen is tot een eigentijds belijden en dat in dat belijden dan verwerkt zal moeten zijn hetgeen — naar het heet — nieuw bijbels onderzoek aan het licht heeft gebracht.

Buiten de kring der (hervormd-) gereformeerden is dit geluid al jarenlang ten gehoren gebracht, het nieuwe is dat de laatste tijd ook binnen deze kring deze geluiden gehoord worden.

Het is niet de bedoeling, zo wordt ons wel verzekerd, de oude belijdenissen aan de kant te stellen of zelfs maar te herzien (reviseren), maar een zek: ere uitbreiding zou noodzakelijk zijn. Dat zulk een uitbreiding tegelijk noodzakelijkerwijs toch een revisie betekent, daar heeft men blijkbaar geen oog voor. Belijdenissen zijn geen stukken waaraan zomaar wat toegevoegd kan worden. Zij vormen tot in alle onderdelen een eenheid; elk onderdeel hangt met het geheel samen.

Wij laten dit nu echter verder rusten en willen slechts één punt naar voren brengen dat zijdelings maar toch ook zeer direct met het onderwerp te maken heeft, te weten de houding die Calvijn heeft aangenomen tegenover belijdenissen in de zin van belijdenisgeschriften.

Op zichzelf genomen lijkt dit een louter historische kwestie, maar men vergisse zich niet. Aan alle kwesties die er in de kerk zijn, ook die er heden zijn, zit een bepaalde historische kant. Zo werd ons onlangs voor de voeten geworpen: Calvijn heeft geweigerd de Geloofsbelijdenis van Athanasius te ondertekenen. En ook deze opmerking stond toen binnen het kader van een pleidooi voor een nieuw actueel belijden van de kerk.

De vraag dringt zich op of deze stelling juist is. En dat is dan ook het punt dat wij in dit artikel behandelen willen.

De ware toedracht

In 1536 was een gewezen monnik. Pierre Caroli, predikant geworden, eerst in Neuchatel en een half jaar later in Lausanne. Er is weleens opgemerkt dat hij alleen maar uiterlijk van religie veranderde, niet innerlijk; de uitkomst heeft dat ook wel aangetoond, hij is n.l. later weer rooms geworden.

Aangezien Caroli's levenswijze als predikant te Lausanne niet in overeenstemming met de waardigheid van zijn ambt was, hebben Farel en Viret hem gewezen op het onbehoorlijke daarvan. Caroli heeft dat allerminst in dank aanvaard. Hij koesterde ten aanzien van deze beide broeders wrok en zon op wraak. Het kwam tot een conflict waarbij ook Calvijn als vriend en medestander van Farel en Viret betrokken was. Een en andermaal ontmoetten zij elkaar, o.a. op een Zwitserse synode, te Lausanne gehouden.

De kwestie waar het over liep was déze dat de Geneefse theologen door Caroli beschuldigd werden van Arianisme. Arius was de oud-christelijke ketter die de godheid van Christus heeft bestreden. Er is niemand heden ten dage die nog enig gewicht toekent aan de dwaze beschuldiging van Caroli. Reeds had Calvijn in de eerste uitgave van zijn Institutie nadrukkelijk de godheid van Christus en heel de oudchristelijke leer van de Drieëenheid Gods beleden.

Maar Caroli was een ijdel en arrogant mens die bovendien gevoelens van wraak koesterde omdat men hem immers berispt had om zijn onbehoorlijk leven.

Hadden de dwaze beschuldigingen van Caroli niet enige weerklank gevonden in het aan Geneve vijandige Bern, Calvijn en de zijnen zouden er aan voorbij gegaan zijn. Het waren de omstandigheden die hen dwongen Caroli te woord te staan en zich te verdedigen.

In een eerste onderhoud liep het al warm aan, maar ter synode nog meer. Calvijn zelf heeft ons in enkele door hem geschreven brieven er over geïnformeerd. Nadat Caroli zijn beschuldigingen had geuit las Calvijn hem en de andere aanwezigen de nog maar sinds kort door hem opgestelde en door de kerk van Geneve aanvaarde Confession de foi (Geloofsbelijdenis) voor. In deze Confessie wordt duidelijk het geloof in de Drieëenheid en dus ook in de godheid van Christus uitgesproken. Van belang is op te merken dat Calvijn niet als particulier persoon, b.v. als schrijver van de Institutie, tegen Caroli te velde trok, maar een beroep deed op een officieel door de kerk aanvaarde Confessie! Zo ver is het er dus vandaan dat hij wars zou ge­ weest zijn van zich te binden aan een confessie dat hij zich uitdrukkelijk daarop beroepen heeft.

Maar wat deed zich nu voor? Caroli wees Calvijns verdediging van de hand. De reden? In de Geneefse Confessie ontbreken de woorden trinitas (drieëenheid) en persona (persoon van Christus). Had Calvijn bezwaren tegen het gebruik van deze woorden? Helemaal niet! In zijn Institutie had hij ze wel gebruikt. Maar een Geloofsbelijdenis en zeker zulk een die de functie heeft als een soort van catechismus dienst te doen, en zó was het gesteld met de Geneefse Confessie, moet beknopt en eenvoudig blijven.

Caroli kwam nu met een eis. Hij beweerde Calvijn, Farel en Viret te zulen blijven verdenken van Arianisme zolang zij niet hun handtekening zouden zetten onder de Geloofsbelijdenis van Athanasius. Geprikkeld schrijft Calvijn later: Hij wierp zich op als een tweede Athanasius! Hij alleen zou gezond zijn in de leer en Calvijn en zijn vrienden waren ketters ...

Wat heeft Calvijn toen gedaan? Hij heeft geweigerd aan de eis van Caroli te voldoen. Zelfs vrienden als Myconius hebben dat achteraf betreurd. Temeer omdat Calvijn gemakkelijk het had kunnen doen. Principieel had hij geen enkel bezwaar noch tegen de Geloofsbelijdenis van Athanasius noch tegen de Geloofsbelijdenis van Nicea en zeker niet tegen de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Het zou kunnen zijn dat Calvijn, die zich door de aanmatigende houding van Caroli uitermate geprikkeld gevoelde, uit een emotionele houding geweigerd heeft. Wij ontkennen niet dat dit een zekere rol gespeeld kan hebben in zijn verweer. Toch menen wij dat niet alles hiermee verklaard is. Er hebben ook diepere beweegredenen in zijn beslissing meegesproken. Zo is daar ten eerste het feit, dat hem deze ondertekening afgeëist werd door iemand die slechts zijn collega was en meer niet. Het was niet een synode die het eiste, integendeel de synode waarop dit incident plaatsvond sprak Calvijn en zijn vrienden vrij van de beschuldigingen van Caroli. En dan mag toch wel met recht gevraagd worden of zomaar een willekeurig persoon, ook al is hij predikant, ons mag pressen tot het ondertekenen van een belijdenis. Dat recht rust niet bij particulieren maar bij ambtelijke vergaderingen. Er komt ten tweede bij, dat indien Calvijn in deze situatie aan de eis van Caroli zou hebben voldaan hij daarmee impliciet te kennen had gegeven dat de beschuldigingen van Caroli niet van alle grond ontbloot waren. Juist door zijn weigering kwam helder aan het licht dat hij zich onschuldig wist.

Is hiermee de kous af? Nog niet. In zijn verweer tegen Caroli heeft Calvijn zich een paar uitspraken laten ontvallen die nadere uitleg vereisen. De eerste is deze: Het is mijn gewoonte niets anders voor Gods Woord te houden dan wat werkelijk gewicht heeft. Wat heeft Calvijn hiermee bedoeld? Heel gewoon dat een Confessie niet identiek is met Gods Woord. Maar wil dat zeggen dat wij in het kerkelijke leven niet aan confessie gebonden zijn? Dat zou een conclusie zijn die met heel de ambtspraktijk van Calvijn in strijd is. Gereformeerde confessies voeren de pretentie dat zij conform Gods Woord zijn. Niet identiek mét maar wel conform aan ...

Een tweede uitspraak die verklaring vergt is deze dat Calvijn heeft afgewezen de beschuldiging van Caroli dat wie niet precies met de woorden van de drie oud-christelijke belijdenissen zijn geloof belijdt, geen claristen is. Calvijn heeft daar tegenin gebracht dat er geen tyrannic mag zijn waardoor direct al van ketterij gesproken wordt als een bepaald woord ontbreekt. Men moet bij deze uitspraak concreet de Geloofsbelijdenis van Geneve voor ogen hebben; een woord als trinitas (drieëenheid) ontbrak daarin, maar was daarom die Geloofsbelijdenis onzuiver? Geen denken aan, want de zaak was er wel in aanwezig en daar was men ter synode het ook allen over eens, behalve die ene dwaze Caroli. Ook hierin heeft Calvijn dus geen vrijheid willen geven om op allerlei willekeurige wijze zijn geloof te belijden, hij heeft alleen in die concrete situatie geweigerd te buigen voor de tyrannieke houding van zijn tegenstander.

Er is in dit verband nog één punt. Er wordt weleens beweerd: Maar Calvijn heeft toch kritiek gehad op de Geloofsbelijdenis van Athanasius en op die van Nicea? Men leze b.v. in de werken van Doumergue eens na welke kritiek dat is geweest. Ten aanzien van de Geloofsbelijdenis van Athanasius gaat zij niet verder dan een zeker betwijfelen of deze Geloofsbelijdenis wel werkelijk van Athanasius afkomstig is. Ieder zal moeten toegeven dat deze kritiek niets te maken heeft met de inhoud van deze Geloofsbelijdenis.

Iets anders ligt het met de Geloofsbelijdenis van Nicea. Wat Calvijn in deze belijdenis minder gewaardeerd heeft is dat zij in herhalingen valt. Ons lijkt het toe dat Calvijn daarin niet helemaal ongelijk heeft gehad. Maar ook nu weer geldt: Wat heeft dit met de inhoud te maken gehad? Inhoudelijk, zakelijk is Calvijn én in zijn Institutie én in zijn belijdenissen gebleven in de lijn van de oud-christelijke belijdenissen

Ondertekening van belijdenissen

Dat is dan nu het volgende punt. Calvijn zou geen belijdenissen hebben willen ondertekenen. Het geval Caroli, dat wij zojuist hebben uiteengezet, kan daar echter geen bewijs voor leveren. En verder? Verder weet men niets te noemen. Het is dok eigenlijk al te dwaas zoiets ook maar te veronderstellen. Een man die zélf meer dan één belijdenisgeschrift ontworpen heeft, en ook de hand heeft gehad in het ontstaan van de Franse Geloofsbelijdenis, zou die er zijn naam niet onder hebben willen zetten? Meer nog, de moeilijkheden die Calvijn in Geneve ondervonden heeft tijdens zijn eerste verblijf aldaar, waar kwamen die anders uit voort dan dat hij — nota bene — van al de inwoners van de stad een openbare instemming met de door hem ontworpen belijdenis eiste? De vijanden spraken van tyrannic, maar Calvijn gaf geen krimp. Calvijn is ook helemaal niet afkerig geweest van het zetten van zijn handtekening onder zorgvuldig opgestelde formulieren. Toen hij met Bullinger tot een overeenkomst kwam tekende hij gaarne en gewillig de Consensus Tigurinus. En zelfs de Augsburgse Confessie ondertekende hij en waarlijk niet slechts voor de vorm. Een belijdenis was voor hem een levende expressie van geloof, maar tegelijk ook een accoord van kerkelijke gemeenschap. Castellio is er om uit Geneve verbannen; omdat hij ten aanzien van Christus' nederdaling ter helle — wij zouden misschien zeggen: een ondergeschikt punt! — afweek van wat de Geneefse Confessie leerde. Confessionalisme? Het is een scheldwoord geworden in de mond van velen.

Confessies verwoorden een religie, en die religie is één. Deze woorden kunnen inderdaad verstenen en dan is er confessionalisme. Maar zulk een versteningsproces is dan altijd een persoonlijke zaak; de confessie zelf wordt er niet door getroffen. En als het een persoonlijke zaak is, wie is dan rechter, wie anders dan God alleen?

Men spreke dan ook niet te lichtvaardig over confessionalisme. Er is ook een vasthouden, misschien zelfs weerbarstig en taai vasthouden aan de confessie dat teruggaat op een leven uit de religie die in deze confessie verwoord is. Het wordt dan als pijn ervaren wanneer die confessie in gebreke wordt gesteld. Daarop kan volgen een innerlijke en weldra ook uiterlijke vervreemding van de religie van onze belijdenis. Wie zich aan Calvijn wil spiegelen ga zijn gang, maar men doe het niet aan zijn caricatuur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wilde Calvijn geen belijdenis ondertekenen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's