De ’stervende kerk’ in het Groninger land?
Bijgaand artikel is van de hand van ds. F. Mooi, scriba van de P.K.V. Groningen. Hij reageert op een artikel in De Waarheidsvriend van 5 december van mijn hand. We geven de reactie van ds. Mooi volledig weer en laten puntsgewijs een naschrift volgen.
In een nummer van 'Hervormd Nederland' (16 november 1974) heeft een interview gestaan van David Mol met ondergetekende over het kerkelijk leven in de provincie Groningen.
Hierop is gereageerd door ir. J. van der Graaf in 'De Waarheidsvriend' van 5 dec, terwijl het 'Hervormd Weekblad' van 16 jan, j.l. een artikel bevat van de heer J. W. Pier te Groningen, die ingaat op het genoemde interview en tevens op de reactie van de heer Van der Graaf daarop. Het is misschien niet zo gebruikelijk, maar het lijkt me gewoon praktisch en efficiënt om in een gelijkluidend artikel in beide bladen ('De Waarheidsvriend' en Hervormd Weekblad') nog enkele verduidelijkende kanttekeningen te maken.
Het artikel in 'Hervormd Nederland', waarmee de discussie begonnen is, was een interview. Ik wil niet zeggen, dat er dingen in staan, die niet juist zijn, maar toch ... als ik het geheel zelf lees, krijg ik sterk de neiging bepaalde 'uitspraken' anders te formuleren, te relativeren, aan te vullen, te verduidelijken. Ik doe dat laatste ten aanzien van een paar punten, die door de heren Van der Graaf en Pier zijn aangeroerd.
1. Theologie of sociologie?
Ir. Van der Graaf constateert dat mijn analyse van de situatie meer sociologisch dan geestelijk is. De heer Pier spreekt in dit verband van een benadering, die te veel sociologisch en te weinig theologisch is.
Het vraaggesprek ging over 'toestanden'. Hierbij kwamen uiteraard allerlei sociologische factoren ter sprake, maar tegelijk is daarin, dacht ik, de nodige theologie verdisconteerd.
Laat ik eens een voorbeeld noemen van een typisch Groningse problematiek. Een dorp X (U kunt daar tientallen namen voor invullen) is klein en voor meer dan de helft gereformeerd, d.w.z. behorend bij de Gereformeerde Kerken. Vaak is er ook nog een Gereformeerde Kerk onderhoudende art. 31 enz. De Hervormde gemeente telt ongeveer 200 zielen, waarvan krap 40 lidmaten, die voor drie kwart boven de 65 jaar en A.O.W.-er zijn. Dat betekent dat hun inkomens minimaal zijn. Er zijn weinig jonge mensen, omdat het dorp geen werkgelegenheid biedt. De jonge gezinnen zijn naar de grotere kerndorpen of naar de stad of naar het westen vertrokken. De leegkomende huizen worden weekendwoningen, of er trekken een paar studenten in, een enkele maal een kunstenaar of een forenzengezin. In de meeste gevallen hebben deze nieuwe bewoners geen interesse voor het dorp en althans geen band met de kerkelijke gemeente.
Die Hervormde gemeente is ondertussen 'rijk'. Zij bezit land, een paar huizen en nogal wat effecten. Netto opbrengst laten we zeggen: ƒ 11.000, — per jaar. Het levend geld bedraagt nog geen ƒ7.000, —, terwijl het budget voor een zelfstandige gemeente alles inbegrepen toch zeker zo'n ƒ 60.000, — zal moeten zijn. Het is een duidelijke zaak, dat zelfstandigheid met een eigen predikant geen haalbare kaart is. Dat was in de jaren voor de oorlog en vlak daarna echter wel het geval, en hoe! Een predikantstractement bedroeg toen gemiddeld ƒ 2500, — a ƒ 3500, —. De dominee van X kreeg echter ƒ 8.000, —!
De gemeente telde toen 300 zielen, waaronder 55 lidmaten, die allemaal geen cent hoefden te betalen, maar integendeel in allerlei opzicht vaak van de kerk profiteerden. Ik zou daar veel voorbeelden van kunnen noemen.
De grote vraag is nu: wat is normaal, de vroegere toestand, toen een eigenlijk veel te kleine gemeente een weelderig leven leidde, óf de huidige situatie, waarin duidelijk blijkt dat voor zo'n gemeente, hoe 'rijk' ze ook mag zijn, geen zelfstandig bestaan is weggelegd? Is dat alleen maar sociologie, of heeft dat "ook iets met theologie te maken? Ik denk nu aan de 'mentaliteit', de geestesgesteldheid, die door de geschetste omstandigheden in de hand is gewerkt, en die natuurlijk heel begrijpelijk is, maar die toch erg weinig met het Evangelie te maken heeft (terwijl er in vele van deze gemeenten altijd een zeer rechtzinnige prediking is geweest). Ik bedoel de mentaliteit die zo sterk gericht is op het behoud van het eigene (dat niet meer bestaan kan) en zo weinig op de vraag, hoe wij dan wél in de gegeven omstandigheden gemeente van Christus kunnen zijn.
Gelukkig zijn er velen en steeds meerderen, die deze vragen wel onder ogen willen zien en daar in geloof en met moed en visie iets aan willen doen — in dit opzicht komt het interview somberder over, dan ik in feite ben — maar deze bereidheid stuit vaak af op de houding van sommige kerkeraden en/of kerkvoogdijen, die maar niet tot besluiten komen, die bepaalde noodzakelijke ontwikkelingen veel te lang tegen houden en die helaas door — laten we aannemen: goedbedoelde — raadgevingen van wijzen uit het westen of andere buitenstaanders worden gesterkt in hun natuurlijk streven om vóór alles, zelfstandigheid, , eigen bezit, eigen kerkgebouw enz. te handhaven, alsof dat de eerste evangelische opdracht is.
En wat de oecumene betreft: natuurlijk is het een schandaal (een 'skandalon', een struikelblok, een ergernis) dat het in onze dorpen — evenals trouwens elders in het land — bijna nergens mogelijk, laat staan vanzelfsprekend, blijkt te zijn, dat christenen uit verschillende kerken samen een waarachtige gemeente van Christus vormen. Ik zou daar Paulus wel eens over willen horen, gezien hetgeen hij schrijft in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe.
2. Sociale verhoudingen.
Heeft het bovenstaande reeds met theologie te maken, dan lijkt me dat zeker ook het geval te zijn als het gaat over de slechte sociale verhoudingen, zoals die bestonden in Noord-en Oost-Groningen, en waarvan ik gezegd heb, dat zij gelukkig in velerlei opzicht achterhaald zijn, maar toch ook op bepaalde manieren nog weer doorwerken. Ieder die zijn ogen open heeft en die iets van de normen van bijbelse gerechtigheid in zijn hart meedraagt, kan dat constateren.
In dit verband heb ik opgemerkt, dat in sommige kerkvoogdijen nog steeds de mentaliteit van de boeren leeft. Deze formulering kan licht aanleiding geven tot rmsverstand. Ik heb niets tegen boeren in een kerkvoogdij. Er zijn personen bij die ik hogelijk waardeer en respecteer en die een geweldig goed beleid voeren. Waar ik op doelde, is een mentaliteit, die ook bij anderen voorkomt dan bij boeren, maar die toch samenhangt met een oeroud streven in de Groninger boerenstand naar geconsolideerd bezit. Het hele (speciale) erfrecht en het vrijwel alleen hier voorkomende beklemrecht wijzen in die richting. Bezit is iets heiligs en onaantastbaars! In heel wat kerkvoogdijen — ik maak dat dagelijks mee — is het de enige serieuze, om niet te zeggen religieuze zorg, hoe zij de fondsen en goederen, die het voorgeslacht voor deze plaats bijeengebracht heeft, zoveel mogelijk ongeschonden kunnen overdragen aan volgende geslachten (citaat). Een beetje overtrokken gezegd: het gaat meer om de traditie van materiële dan van geestelijke goederen.
Uit het oogpunt van beheer kan men hiervoor nog wel waardering hebben, maar als het er om gaat het bestaan van een levende gemeente van Christus in deze tijd mogelijk te maken, dan blijkt dit telkens weer een volstrekt onvruchtbaar uitgangspunt te zijn. Het gaat immers niet om het bezit als zodanig, maar om de vraag, hoe het dienstbaar gemaakt kan worden. Het komt voor, dat een kerkvoogdij pertinent weigert samen met een of meer andere kleine dorpen of met een grotere plaats een predikantsplaats te onderhouden, want 'dan zouden die anderen profiteren van onze goederen'. (En daar zijn ze niet voor!)
Dit alles heeft, hoe zakelijk het ook klinken mag, met theologie te maken, een theologie die blijkbaar gefaald heeft de mensen uit hun strikt individueel gerichte heilsverwachting en 'collectief individuele opstelling te bevrijden.
3. De ware prediking.
Uit het artikel van de heer Van der Graaf krijg ik de indruk, dat hij kerk en wereld als twee welhaast gescheiden gebieden ziet: enerzijds de wereld, waarover je sociologische opmerkingen kunt maken, en daarnaast, en min of meer los daarvan de kerk, waarin het gaat om de rechte woordverkondiging. Als die prediking — de 'Gereformeerde prediking' — er maar is of komt, dan is in principe de zaak gezond.
Met volledige erkenning van de waarde en noodzaak van echt-evangelische prediking, vraag ik me toch af, of er in de beschouwingen van de heer Van der Graaf niet een stukje woord-magie meespreekt. Ik vind in de hele Bijbel, in Oude Testament, Evangeliën en Brieven heel sterk naar voren komen de vraag aan de mensen, wat zij er mee doen, met dit Woord; de opdracht om er iets mee te doen, met het Evangelie in het samen gemeente zijn, in het gewone leven, in de wereld. Dat heeft niets van doen met werkheiligheid, maar wel met de vruchten van de Geest, die groeien waar het Woord aanvaard wordt en gehoorzaamd, waar Christus wordt gevolgd, waar zijn Liefde heerst.
4. Christus in Groningen.
Dit brengt mij tenslotte bij een curieuze uitspraak van dr. C. A. Tukker, geciteerd door de heer Van der Graaf.; Dr. Tukker heeft onze provincie bezocht en schrijft nu: 'Waar Groningen aan lijdt en laboreert is niet, dat de Heere er niet zijn wil, maar dat... halfheid het kerkelijk leven goeddeels ondermijnt.' Hoe meer ik tegen deze zin aankijk, hoe vreemder ik het vind, wat dr.Tukker ons vertelt, nl. dat Groningen niet hieraan lijdt, .dat de Heer er niet zijn wil.
Zijn er eigenlijk provincies, waar de Heer niet zijn wil? Zo ja, wat een geluk, dat dr. Tukker ons komt vertellen dat Groningen daar niet bij hoort, maar wat een trieste zaak voor die provincie(s) die zo'n goed bericht niet ontvangen! Wat voor zin zou het hebben om daar ook nog maar iets te ondernemen op kerkelijk terrein, als op een of andere manier zou vaststaan, dat de Heer daar toch niet wil zijn. En als het onzin is om te veronderstellen, dat Christus op bepaalde plaatsen of streken van onze aarde (die des Heren is) niet zou willen zijn, onzin omdat Hij immers zelf de opdracht heeft gegeven om met het Evangelie te gaan tot de einden der aarde — daar hoort Groningen ook nog net bij — en alle : volken te leren onderhouden wat Hij geboden heeft, nl. om elkaar lief te hebben met de liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad ... hoe komt dr. Tukker dan tot de toch blijkbaar min of meer verrassende ontdekking, dat de Heer óók in Groningen wil zijn? Uit het vervolg van zijn brief maak ik op, dat het iets te maken heeft met het in ere herstellen van de kenmerken der Kerk, te weten: de rechte prediking, de rechte bediening der sacramenten en de uitoefening van de christelijke tucht. En dan mogen we zeggen — vindt de heer Van der Graaf, dat er hier en daar inderdaad ook in Groningen wolkjes zijn als eens mans hand.
5. Een levende kerk.
Zowel dr. Tukker als de heer Van der Graaf gaan er dus van uit, dat de kenmerken der kerk in Groningen tot nu toe vrijwel ontbreken. Met de komst van een enkele Geref. Bonds predikant en een paar studenten van deze modaliteit die in gemeentes werken raakt de koperen hemel boven dit dorre gewest nu dan blijkbaar bewolkt met belofterijke regenwolken.
Het spijt me dat ik het zeggen moet, maar dit maakt op mij de indruk van een zeldzame geestelijke arrogantie, al zegt dr. Tukker er wel bij, dat er in Groningen ook nog veel te leren valt van trouwe christenen, die daar zijn.
Ik zal de laatste zijn om te ontkennen, dat er hier grote problemen en geestelijke zorgen liggen. Dat blijkt trouwens duidelijk uit het gepubliceerde interview. Ik heb echter niet gesproken over een 'stervende kerk' zelfs niet met een vraagteken er achter, zoals het artikel in 'de Waarheidsvriend' getiteld was. Dat was een bijschrift van 'Hervormd Nederland' bij een plaatje van een wat verwaarloosd kerkgebouw, dat als illustratie bij het vraaggesprek was geplaatst. Laat ik hier dan nadrukkelijk zeggen, dat ik geloof, dat de kerk hier levend is, al is ze vaak klein en al heeft ze het in velerlei opzicht moeilijk, en al ontbreekt er zo hier en daar het een en ander aan. Zij zal door de kracht van de Geest en in gehoorzaamheid aan het Evangelie de moeilijkheden het hoofd moeten bieden. En dat lukt in sommige gevallen erg goed en elders gaat het vaak moeizaam. Zo is de situatie.
De grote vraag is niet of de Heer hier wil zijn maar of wij mensen ook hier Hem willen volgen. Ik zeg het met opzet met woorden die Jezus zelf in het Evangelie gebruikt, om onvruchtbare theologische discussies op dit punt zoveel mogelijk te voorkomen.
Ik ken die discussie, en ik ken ook de toestanden in de kerk in andere delen van het land, waar de kenmerken van de rechte prediking en de rechte sacramentsbediening en de christelijke tucht volgens dr. Tukker waarschijnlijk al sinds jaar en dag wél in ere zijn, en wij hebben beslist geen behoefte — of beter gezegd: er is voor ons geen enkele bijbelse indicatie — om te ruilen.
Zendingsgebied voor de Bond?
Wij zetten dan ook wat vraagtekens bij de aktiviteiten van de Gereformeerde Bond, die er zo duidelijk op gericht zijn om bruggehoofden te vestigen in onze provincie door het bieden van geldelijke en morele steun.
Plaatsen die nooit van deze modaliteit zijn geweest, maar waar men op de een of andere wijze enkele steunpunten heeft gevonden of gekregen, worden nu gestimuleerd om 'zelfstandig' te blijven — d.w.z. afhankelijk te worden van een modaliteitsorganisatie — het 'eigene' te bewaren en een predikant (van de Bond) te beroepen met geldelijke steun van de Bond.
Wie zelf van de Gereformeerde Bond is, vindt dit misschien een loffelijk streven ten dienste van de verbreiding van de 'waarheid'. Wij vragen ons af: gaat dat zo en moet dat zo in de kerk van Jezus Christus?
Ik heb deze dingen geschreven, niet om gelijk te willen hebben of iets van dien aard. Het ging er mij om enkele dingen te verduidelijken en daardoor zo mogelijk te voorkomen, dat er al te snel een oordeel wordt gevormd — of zelfs geveld — over een provincie in onze kerk, waar zeer specifieke problemen zich voordoen, maar waar de kerk zeker niet stervend is, al komen er wat minder predikanten in de toekomst, en waar door velen in geloof en met enthousiasme gewerkt wordt aan de opbouw van de gemeente van Christus. Met dank aan de redactie voor de plaatsing.
Groningen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's