De God der armen
Meditatie
Maar Ik zal in het midden van U doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen. Zefanja 3 : 12
Niemand wil graag arm zijn. Armoede is een schande, vinden wij. De hand ophouden om van het gegeef te leven, dat is iets, waar we ons diep voor schamen. Daarom tellen armen in de regel in onze maatschappij niet mee. Alles draait om macht, financiële macht, intellectuele macht. .. In de Bijbel echter staan de rijken onder de critiek van de hoge God, terwijl de armen vaak genoemd worden als beschermelingen van de Heere. In rijkdom ligt een groot gevaar. Men laat er zich zo gemakkelijk op voorstaan. Men nestelt er zich heerlijk in. Men wordt er hoogmoedig mee. Men vergeet er God door. Op zichzelf behoeft rijkdom ons niet bij de levende God vandaan te houden. Dat zien we in de gelijkenis van de rijke man en Lazarus, die Jezus uitsprak. De arme Lazarus bevindt zich daar in de schoot van de rijke Abraham, als hij de hemel binnen is gegaan. Maar in het algemeen ligt er in het bezit van aards goed een enorme verleiding voor een mens, die van huis uit groot opdoet en wiens diepste verlangen het is om zichzelf te kunnen redden, onafhankelijk van God en zijn medemens. En aan deze verleiding kunnen we blootstaan, ook al zijn we geen miljonair. Rijk kan men ook zijn met zijn angstvallig bewaarde spaarcenten, met een overvloed van eten en drinken, met gezondheid, met een rustige oude dag ...!
Ook in de profetieën van Zefanja staan de rijken onder de profetische critiek van de God des hemels. Het zijn de grootgrondbezitters, die velen in het land Kanaan een armetierig bestaan laten leiden, terwijl God elke Israëliet een 'erve der vaderen' had toebedeeld, waarop 'hij zijn God mocht dienen. Zefanja neemt het op voor deze misdeelden, ellendigen, armen. Maar hij doet dat wel op een zeer speciale manier. Het is immers niet zo, dat armoede op zichzelf ons tot, kinderen van God maakt. Er zijn armen in de wereld, wier opstandig hart net zo verwerpelijk is in Gods ogen als het hoogmoedig hart van de rijken. De armen, over wie Zefanja spreekt, zijn de getrouwen in zijn dagen, die vast mochten houden aan God, hoewel ze werden vertrapt. Zij waren vergeten mensen, die sociaal en politiek weinig of niets in de melk te brokkelen hadden. Zij hadden alles tegen. Zij vreesden ook, dat ze God tegen hadden. Want hun erfenis, hun deel (het land der vaderen) in Kanaan was hun afgenomen. En dat stuk land was hun immers een symbool van de goedheid des Heeren, van hun deelhebben aan de Messiaanse toekomst? Een stuk land in Kanaan was oudtijds werkelijk nog wat anders dan een volkstuintje achter ons huis. Maar juist zo konden deze armen van Zefanja's dagen het niet laten om als ootmoedigen, die diep bogen onder God, tegelijk op die God te hopen en uit te zien naar zijn reddend ingrijpen.
Het is een vertekening van de Bijbelse boodschap, als wij van God een God maken, die onvoorwaardelijk voor de armen kiest. Al hebben wij allen de duidelijke opdracht om zorg te dragen voor de misdeelden in de wereld en op te komen voor een leefbaar bestaan voor hen, armoede op zichzelf maakt de, entree in het Koninkrijk van God nog niet uit. Het zijn zeer gekwalificeerde armen, die God doet delen in Zijn Messiaanse toekomst. Het zijn degenen, die geleerd hebben om alles schade en drek te achten om de uitnemendheid van Christus. Zij kunnen in het zorgeloze en weelderige leven van de wereld niet meer tieren. Zij hebben liever de Heere mee in een weg van tegenspoed dan dat ze God tegen zouden hebben bij een overvloed van koren en most (Psalm 4). Zij zijn arm en ellendig, omdat zij onder het aardse kruis het gemis van Gods gunst vaak gevoelen.
Hen mag Zefanja uit Naam van zijn Zender troosten. De Heere heeft geborgen, betekent Zefanja's naam. God zelf zorgt voor een overblijfsel. God houdt er over, ook vandaag. Uitverkiezing heet dat in de Bijbel. God houdt ze aan de grond, maar Hij geeft ze tegelijk ook een goede grond om op te staan. Een Naam om op te betrouwen. Hij belooft ze de Christus. Zij zullen (daar zorgt God voor) op de Naam des Heeren betrouwen. Dat is Hij, Die arm geworden is om onzentwil, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Nooit laat Hij een arm en ellendig volk, dat oprecht om God verlegen raakte, staan. Hij bevredigt al hun behoeften, wanneer Hij ze door Zijn Geest Christus in het hart brengt. En zo strijdt Hij voor hun recht. Dan ervaren ze het als het grootste wonder, dat God weer goed op hen is. En dan ondervinden ze het ook, dat alle dingen, die nodig zijn voor dit tijdelijke leven, hun worden toegeworpen.
De Naam des Heeren is een sterke toren. Men kan ernaar toelopen, als het moeilijk wordt. Men kan erin wegkruipen. Men is erin veilig, zelfs bij het woeden van de laatste vijand, de dood. Arm en toch rijk. Rijk in God. Bent u dat? Luther zong:
Delf vrouvw en kind'ren 't graf.
Neem goed en bloed ons af,
Het brengt u geen gewin.
Wij gaan ten hemel in
En erven koninkrijken.
Wageningen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's