Antwoorden op twee vragen
In de Waarheidsvriend van 23 januari staat een ontboezeming van ir. Van der Graaf, die uitloopt op twee vragen aan mij. De vragen zijn heel eenvoudig: Hoe kijk ik aan tegen de uitlatingen van minister Pronk in het blad Panorama en ben ik van mening, dat we de ideeën van Pronk in de kerk nog wel kunnen gebruiken?
Nu lees ik Panorama alleen bij de tandarts en krijg niet de indruk dat dit het soort blad is, waarop ik een inhoudelijke beoordeling van iemands geloofsleven zou bouwen. Om eerlijk te zijn, voel ik in het algemeen weinig voor het beoordelen van iemands geloof en zeker niet in artikelen, voor ik met de man in kwestie heb gesproken, maar ir. Van der Graaf is dan ook heel wat militanter in deze zaken dan ik en dat recht laat ik hem graag. Hij moet alleen begrijpen, dat bij mij zijn artikelen overkomen (ook als ze zo niet bedoeld zijn) als een welkome gelegenheid om de politieke tegenstander te pakken waar hij kwetsbaar is. Van mij heeft Van der Graaf dus al gewonnen! Hij valt aan waar ik verdedig, hij wéét precies waar ik nog aarzel en hij praat en schrijft al waar ik nog luister.
Het wordt nog lastiger als ir. Van der Graaf zijn vragen vooraf laat gaan door een groot aantal stellige beweringen, die ik niet deel. Na een aantal suggesties over het geloofsleven van de minister — ir. Van der Graaf zal toch niet verwachten dat ik met hem voor het forum van kerk en volk daarover ga praten; zo gespeend van pastorale gevoelens is hij niet — poneert hij bijv. dat een pleidooi voor een afzonderlijke kerkelijke bijdrage voor ontwikkelingssamenwerking stoelt op het geloof, dat de mens autonoom wil zijn. Dat bewijst, dat de heer Van der Graaf het debat niet heeft bijgehouden. Een pleidooi voor een aparte 2% bijdrage stoelt op de gedachte, dat de kerkelijke bijdrage aan de ontwikkelingssamenwerking tijdelijk van aard is. Men moet haar niet verwarren met de blijvende opdracht van de woordverkondiging of het diakonaat. En dat pleidooi komt niet alleen van drs. Pronk. Het komt, dacht ik, ook van de G.Z.B. Ik heb het altijd sympathiek gevonden, dat de G.Z.B, zo opkomt voor het eigen recht van de woordverkondiging en daarom een duidelijk onderscheid aanbrengt tussen zending en diakonaat, en daarna tussen die twee en ontwikkelingssamenwerking. Dan poneert broeder Van der Graaf, dat de honderden kerken in de 2/3e wereld, die ons om de 2% bijdrage hebben gevraagd en die niet alleen op structuurverandering, maar ook op innerlijke verandering van de mens aandringen, 'de kerk op een spoor zetten dat haar innerlijk wezensvreemd is en moet zijn'. En dat terwijl ik altijd dacht, dat juist deze vraag aan ons om onze gerechtigheid overvloediger te doen zijn dan die van de heidenen en de combinatie van mentaliteitsverandering en maatschappijverandering zo'n sterk punt van Het Getuigenis was! Maar ir. Van der Graaf is nog niet klaar. Met een aantal opmerkingen over het geloof van drs. Pronk, die niet van Pronk maar van Van der Graaf stammen, komt er dan nog even een strafrede tegen de Verklaring van de Rechten van de Mens, die wordt weggewuifd als uitvloeisel van de Franse revolutie.
'Gelukkig', denk ik dan, 'dat al die rechtgelovige medechristenen van ir. Van der Graaf en mij in Rusland geen Nederlands lezen!' Die broeders en zusters van de lijdende kerk hebben zich in hun ellende aan de Verklaring vastgeklampt als dat stukje geschreven geweten van de mensheid waarmee ze zich nog tot hun regeringen en tot ons kunnen wenden om hulp. Maar ir. Van der Graaf fronst z'n wenkbrauwen daarbij. Daar moet hij dan nog maar eens rekenschap van afleggen.
Maar we zijn er nog niet. Nu wordt de brug geslagen naar mij, die mijn vriendschap voor minister Pronk nooit onder stoelen of banken heeft gestoken? ' Daar zal de minister van opkijken! En dan komen de vragen. Ik zal ze graag beantwoorden:
Het Panorama-artikel vond ik onkies, omdat het zo sensatieachtig omging met hele intieme vragen van minister èn mevrouw Pronk. Ik vind, dat zoiets niet in de krant hoort en ik zou mij ervoor hoeden om er ooit zelf over te schrijven; het gebruik dat ir. Van der Graaf ervan maakt is onthutsend. De eerste kwalificatie zal ieder duidelijk zijn, die het hele interview in het boulevardblad heeft gelezen, de tweede wil ik toelichten. Wanneer iemand zegt het evangelie als een superieure inspiratiebron te aanvaarden maar in het kerkelijk instituut niets meer te zien, dan reageert ir. Van der Graaf met een oordeel, zelfs met een verwijzing naar het laatste oordeel, terwijl ik van hem verwachtte, dat hij in de beste Gereformeerde traditie ons, de gemeente, zou oproepen tot inkeer. De generatie van minister Pronk keert zich van ons af, vooral omdat er bij ons zo weinig te zien is van geloof, hoop en liefde; omdat we het dertiende hoofdstuk van de Corinthebrief met voeten treden, omdat we een harde, koude en arrogante indruk maken; omdat we de indruk wekken te heersen over elkaars geloof en niet medegetuigen zijn van elkaars blijdschap; omdat onze gerechtigheid niet overvloedig is en omdat we elkaar vereten en verbijten.
Ik behoef toch in de Waarheidsvriend niet te wijzen op vele gezinnen ook van hervormde orthodoxe ambtsdragers, waar de kinderen zich tegen de religie van hun ouders hebben gekeerd met dit soort verwijten? Onder die kinderen zijn er velen die — om toch het laatste oordeel erbij te halen — hongerigen, naakten gevangenen goed hebben gedaan, al zijn zij zich niet bewust van de Heer. Zo kijk ik daar tegen aan. Natuurlijk vind ik het verdrietig als mensen niets meer in de kerk zien, maar mijn reactie is geen oordeel. Ik houd het liever op zelfonderzoek.
Het beleid van minister Pronk vind ik bemoedigend. Zijn nadruk op de allerarmsten — en niet op de rijken in de ontwikkelingslanden —; zijn ondogmatische houding ten opzichte van regeringsinitiatief en zijn steun aan het privé-initiatief — ook het kerkelijke! — in het medefinancieringsprogramma; de nadruk óp de basis; de terugkoppeling van armoede in de derde wereld en de situatie in Nederland; zijn koppige manier van de waarheid zeggen in het gezelschap van veel machtiger naties; en bovenal zijn aandacht voor wat mensen direct ten goede komt in de verhoging van het directe hulpbedrag; die ideeën mag hij van mij de kerk komen vertellen. Als hij het niet doet, zullen onze medechristenen in de derde wereld het wel doen.
Ir. Van der Graaf behoeft overigens géén angst te hebben, dat ik blindelings achter een minister aanloop. Er zijn ook dingen waar ik Pronk niet zo gemakkelijk volg: ik denk anders over confessionele partijen en bok over polarisatie. Overigens mag de minister dat ook best tegen de kerk zeggen. Dan krijgt hij behoorlijk antwoord. En ik ben erg blij, dat de minister in vroeger dagen de dingen die hierboven genoemd zijn in de kerk mee aan de gang heeft gebracht. Overigens niet alleen. Hij kon daarbij ook uitbouwen en toespitsen wat Udink en Boertien waren begonnen. Wat mijn interview in l'Echo betreft, daarover kan ik kort zijn. Ik heb daarin niet gezegd, dat ik neo-marxisten en oude theocraten met elkaar wil verbinden. Dat heeft ook prof. Van Itterzon er niet van gemaakt. Die was er nog bang voor, dat ik dat wilde. Ir. Van der Graaf maakt het bange vermoeden van Van Itterzon maar meteen een mening van Van den Heuvel! Ik heb mij in l'Echo tegen de polarisatie verzet en me uitgesproken voor de confrontatie van nieuwe marxisten en oude teocraten in de kerk. Tégen de veroordeling op afstand en vóór de discussie.
Ik heb niet over een minderheid gesproken die de synode heeft gewonnen, ik sprak — in mooi Frans, zegt Van Itterzon vriendelijk — over het feit, dat slechts een minderheid van de kerk ooit synodelid wordt. Alsof dat iets nieuws was ('Gagner Ie synode' betekent niet 'de synode in de hand krijgen', maar gewoon 'de synode bereiken'). De zinsnede in mijn interview over de synode die op een politiek programma zou worden gekozen, is duister. Ik heb hem niet laten rectificeren, omdat die zin nooit kan betekenen dat mensen om een bepaalde politieke overtuiging in de synode zouden worden gekozen. Is Van der Graaf zo'n vreemdeling in kerkelijk Jeruzalem, dat hij niet weet hoe synodeleden worden gekozen? Dat is toch een publieke zaak in de classes? Ik denk dat de interviewers wat erg kort hebben weergegeven wat wij bespraken over kerk en politiek. Daarbij heb ik zeker gezegd, dat de synode-partijpolitiek volstrekt ongebonden is, maar de politiek naar gereformeerd inzicht ook als een levensterrein beschouwt waarover Gods Woord gaat en waar de heiliging zichtbaar wordt. Maar zou hij toch vragen dat er ergens iets gemanipuleerd wordt, laat ik hem dan dubbel geruststellen. In het boekje over Het Getuigenis (Breuklijnen in kerk en theologie) schrijft mevr. mr. J. A. van Ruler-Hamelink een zuiver, genuanceerd en spiritueel stuk over kerk en politiek. Dat onderschrijf ik geheel. En met enthousiasme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's