Uit de pers
Een artikel van dr. Buskes
In Hervormd Nederland van 1 februari 1975 is het hoofdartikel gewijd aan de kwestie Wiersinga in de Gereformeerde kerken. Het artikel is van de hand van dr. J. J. Buskes en draagt als titel: Zaaiers van wantrouwen stoken het vuurtje steeds verder op. Een agressieve titel, die tegelijk de teneur van het verhaal weergeeft. Buskes begint met de ontwikkeling in de Gereformeerde Kerken te schetsen vanaf de periode na Bavinck's dood, waarbij de afzettingen van Assen uiteraard weer ter sprake komen, een verhaal dat Buskes al menig keer gehouden heeft en dat bepaald geen nieuws bevat. Maar de spits van zijn artikel is gericht op het heden. Buskes meent namelijk in de jongste synodale verklaring ten aanzien van Wiersinga allerlei overeenkomsten te signaleren met wat er zich rond 1926 in de Gereformeerde kerken afspeelde.
Zowel in 1926 als nu in 1975 leeft er ten opzichte van bepaalde dominees en professoren een psychologisch wel te begrijpen, maar geestelijk niet te aanvaarden wantrouwen. Ik noem vier namen: prof. Kuitert, prof. Augustijn, dr. Baarda en dr. Wiersinga.
Om misverstanden te voorkomen: ik heb tegen bepaalde opvattingen van Kuitert, Augustijn en Wiersinga ernstige bezwaren, maar zie geen enkele reden, waarom ik hen met wantrouwen tegemoet moet treden en tot hen moet zeggen, dat ze in de geref. kerken niet thuishoren vanwege hun beschouwingen over de bijbel, de belijdenis en de verzoening. Laat men niet zeggen, dat hun opvattingen veel gevaarlijker zijn dan die van ons in 1926. Op Assen zijn de geref. kerken terug gekomen. Velen vinden dat al een bedenkelijke zaak. Dat is het ook, als de mannen van Assen gelijk hebben gehad, die zeiden, dat wij weigerden ons aan het gezag van Gods Woord te onderwerpen en de wetenschap boven de Heilige Schrift stelden. Kan het erger?
In 1926 werden wij door vrijwel allen gewantrouwd. Dat ligt nu anders, maar het aantal gereformeerden, dat de vier genoemden wantrouwt (Kuitert en Wiersinga het meest) is groter dan men denkt. Daarbij komt, dat net als in 1926 een aantal dominees bezig is in de kerkelijke pers van week tot week olie op het vuur van het wantrouwen te werpen. Er zijn kerkelijke bladen, die in feite niets anders doen. De gevolgen blijven niet uit. Leest u de genummerde ingezonden stukken in Trouw maar. In nummer 25 schrijft een gemeentelid: 'Wie in de geest van Wiersinga doorgaat, verliest zijn Heiland’.
Zo'n uitlating is symptomatisch en doet mij denken aan de briefkaart, die ik in 1926, toen ik weigerde mijn instemming met de besluiten van Assen te betuigen, van een gereformeerd ouderling ontving met enkel deze woorden: 'Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen'.
Dit wantrouwen vind ik een noodlottige en dat al maar olie werpt op het vuur van dit wantrouwen een nog veel noodlottiger zaak. Naar mijn ervaring zijn het vooral de dominees, die in dit opzicht de schuldigen zijn. Zowel in 1926 als nu.
Tot op dit ogenblik heeft de synode een behoedzaam beleid gevoerd door de zaken niet op scherp te stellen, door meer te zoeken naar wat verbindt dan naar wat scheidt en de verschillen tot voorwerp van bezinning te maken. Ze heeft niet gedreigd en geen ultimatum gesteld. Onder druk van de verontrusten is ze echter een andere koers gaan varen. De laatste brief van de synode aan dr. Wiersinga bewijst het, ondanks de pogingen van prof. Ridderbos en prof. Plomp dit te ontkennen. Het gebeuren rondom 1926 had in dit opzicht 'n ernstige waarschuwing moeten zijn. De zaken worden scherper en persoonlijker gesteld. De verontrusten stoken het vuur van het wantrouwen harder dan ooit. Ze hebben geen geduld meer en beginnen eisen te stellen. Zo wordt een proces op gang gebracht, dat op een ogenblik niet meer te stuiten is, omdat het een eigen leven gaat leiden. De diehards dringen zich naar voren. De milde en zachtmoedige figuren trekken zich terug en zwijgen. Eerst hebben ze nog gesproken. Ik denk aan het getuigenis van ds. Brussaard en de zijnen in 1926 en de Brief van de 68 nu. Naar mijn besef aarzelend en te vriendelijk, te weinig in de geest van: om Gods wil, dit mag niet! Zo legt men het tegen de wantrouwenzaaiers af. Het wantrouwen zet door en op het laatst wordt nog alleen gesproken met de stok van de belijdenis achter de deur; een stok niet om te gaan, maar om te slaan. Er moeten niet alleen beslissingen worden genomen. Er moeten er ook worden geschorst en afgezet. Niet alleen judiciële maar ook justitiële leertucht. Wiersinga moet zwijgen of anders ... Kuitert heeft al veel te veel gezegd en moet worden aangepakt. Indien er geen geestelijke weerstand wordt geboden, gaat dat gebeuren. Onherroepelijk, neen, niet onherroepelijk, over 25 jaar komt men er wel weer op terug. Maar voorlopig zullen de resultaten zijn: schorsingen en afzettingen, verbittering, kerkscheuring, kapotte gezinnen, vervreemding van elkaar, leugen en laster, schande voor de wereld.
Buskes wil niet ontkennen dat er uitzonderingssituaties kunnen zijn, situaties, waarin aan een predikant het zwijgen opgelegd moet worden. Maar de regel is dat de kerk belijdt, door haar judicium, haar oordeel te geven en dan zich er nader op te bezinnen. Het wantrouwen van de verontrusten wordt volgens Buskes ingegeven door angst. Buskes meent de persoon van Wiersinga in bescherming te moeten nemen, omdat z.i. Wiersinga zich afzet tegen traditionele Opvattingen die niet bijbels zijn en omdat het helemaal niet vast staat dat Wiersinga de plaatsvervanging ontkent.
Ook de andere kerken zijn in deze zaak betrokken, aldus Buskes. Als Wiersinga afgezet zou worden, zou hij hervormd kunnen worden en zou hij als zodanig door de Gereformeerden aanvaard worden. Hier wringt z.i. iets. Ook de Geref. Bond krijgt van Buskes een veeg uit de pan.
De vreemdste dingen gebeuren. De Gereformeerde-Bonders, die de geref. kerken verwijten dat ze de vier genoemden niet aanpakken, pakken in eigen kerk niemand aan, maar streven uitsluitend naar kerkelijke macht, niet zonder succes, maar wel weinig stijlvol. Met echt kerkelijk belijden en echt bijbelse leertucht heeft dit alles weinig te maken, waar bij ik overigens tot mijn spijt moet erkennen, dat het belijden van de herv. kerk nog al te veel een vrijblijvende zaak is. De Here God moet wel veel geduld hebben, zowel met de geref. kerken als met de herv. kerk. Voor de geref. kerken hoop ik van harte, dat ze niet besluiten tot afzettingen, die niets oplossen, integendeel de verwarring en de verdeeldheid slechts groter maken.
Geloven we nog in het gezag van Gods Woord?
Geloven wij nog in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt?
Deze vragen betekenen allerminst een oproep tot lijdelijkheid.
Veeleer het tegendeel.
Wie zaait wantrouwen?
Ik zou bij dit artikel de volgende kanttekeningen willen plaatsen. Allereerst kan men vragen: Wat is de taak van Hervormd Nederland ten aanzien van het belijden de kerk? De Hervormde kerk weert toch wat haar belijden weerspreekt. Dat Wiersinga op zeer gespannen voet staat met het reformatorisch belijden is door iemand als Herman Ridderbos in zijn boekje over de verzoening duidelijk aangetoond. En men kan Ridderbos toch bepaald niet betitelen als een onvoorzichtig scribent.
Waarom geeft HN stelselmatig het woord aan prof. Wiersinga figuren? Waarom laat dit blad in een hoofdartikel niet eens een van de verontrusten aan het woord? Wie zaait wantrouwen? Niet de verontrusten en niet die synodeleden die — met groot geduld — Wiersinga tot andere gedachten willen bewegen, maar een dergelijk hoofdartikel als het onderhavige in Herv. Nederland.
In de tweede plaats is het mij onbegrijpelijk dat Buskes Kuitert c.s. zo de hand boven het hoofd houdt. Kuitert's laatste boekje Zonder geloof vaart niemand wel is toch een duidelijk bewijs dat deze man niet alleen bepaalde elementen uit de belijdenis afwijst, maar in het geheel van het kerkelijk gezag van de belijdenis niet wil weten en ten diepste terug keert naar het modernistische 19de eeuwse standpunt ten aanzien van de godsdienst en het christelijk geloof. Mogen deze dingen niet gesignaleerd worden? Mogen deze mensen maar stelselmatig doorgaan de kerken met hun boeken te ondermijnen? Wil Buskes dat? Men kan ten aanzien van Assen 1926 en de toen gevolgde procedure zijn vragen hebben. Maar als ik deze uitlatingen van Buskes lees ben ik geneigd te zeggen: Hebben deze mensen zich t.a.v. Buskes zo vergist?
In de derde plaats vraag ik mij af, hoe Buskes staande kan houden dat de kerk ten aanzien van een zo centraal punt geen leertucht mag oefenen. Is wat Wiersinga zegt niet even gevaarlijk als destijds de uitlatingen van prof. Smits? Wij behoeven aldus Buskes het gezag niet te handhaven. Dat doet de Heilige Geest wel. Is dit niet een vorm van kerkrechterlijke lijdelijkheid? Hebben de apostelen in Gal. 1:8 en de eerste Johannesbrief er niet anders over gedacht?
Behoorden zij soms ook tot de zaaiers van wantrouwen?
Ten vierde: De Gereformeerde Bonders streven naar kerkelijke macht? Wil Buskes dat eens met stukken aantonen? Waar dan? In de grote steden soms? In Amsterdam waar de G.B. tweepredikantsplaatsen op het totaal heeft? In de synodevertegenwoordiging waarvan ook niet-Bonders zeggen dat de Bond er niet genoeg vertegenwoordigd is? Weet Buskes niet dat de kerkelijke structuur van de Hervormde kerk handhaving van opzicht, ja zelfs het gesprek der richtingen nagenoeg onmogelijk maakt? Omdat er in de hele kerk een matheid is ten aanzien van deze zaken?
Is Buskes zelf niet een van de leidende figuren geweest die het Getuigenis — en dat was toch een serieuze poging de kerk bij de inhoud van haar belijden te bepalen — afgekraakt hebben?
Het verdriet mij dit te moeten schrijven. Onbegrijpelijk dat juist Buskes die jaren geleden met hartstocht opkwam voor de prediking van het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt, nu de aanranders van dit belijden zo in bescherming neemt. Dergelijke artikelen vertroebelen de zaak en vergroten het wantrouwen.
Over Berkhof
Nog altijd is Berkhof's inleiding tot de geloofsleer voorwerp van bespreking. Het maandblad Credo, het orgaan van de stichting Confessioneel beraad in de Gereformeerde kerken wijdde er een geheel nummer aan (nov. 1974). Onder meer schrijft in dit nummer dr. B. Wentsel die na een kritische bespreking van Berkhof's scheppingsleer tot de conclusie komt:
Berkhof heeft zich ontpopt als een soort eclectisch theoloog.
Een flink snuifje hermeneutiek vermengd met een flink brok barthianisme, aangelengd met een behoorlijke hoeveelheid horizontalisme, ingebed in een bad van evolutionisme, vermengd met een dosis dialectiek, — ziedaar de ingrediënten waaruit Berkhof zijn geloofsleer heeft opgebouwd'). Berkhof is een kundige smid, die in frisse stijl deze elementen samensmeedt. Het boek is goed verkocht. Mijn vriend Huib van der Mark, boekhandelaar in De Lier, een confessioneel dorp, vertelde mij dat hij 18 exemplaren ervan verkocht. Dat is in deze tijd veel. Het wordt dus gelezen (in ieder geval gekocht). Berkhof is kerkelijk hoogleraar, d.w.z. hoogleraar namens de Ned. Herv. Kerk. Ook bij de gereformeerden staat hij te boek als een soort kerkvader, een theoloog voor allen, een baanbreker. Er wordt naar hem geluisterd. En hij wordt kritisch benaderd.
Mijn oordeel is dat dit boek vooral en voornamelijk een individueel, ja individualistisch ontwerp is. De klassieke gereformeerde theologie komt er niet best af. De exegese is zwak.
Het is Bavinck niet. Het is Calvijn niet. Het is Berkhouwer niet. Het is de Nederlandse Geloofsbelijdenis niet. Het is Berkhof als exponent van een bepaalde tijd: interessant, zoekend, ponerend, vrijblijvend, veel omverhalend, aanvechtend, experimenterend. Mag een kerkelijk hoogleraar zo schrijven? Mijn mening is: nee. De kerk is een pilaar van de waarheid. Zij mag niet experimenteren. Wie kerk zegt, zegt vastheid, betrouwbaarheid, zekerheid.
Want God is Jaweh, die Zijn beloften en bedreigingen waarmaakt en vervult. Als men mij vraagt: is Berkhof een goede gids, dan zeg ik: als experimenterend zoeker geeft hij een instruktieve inleiding in de geloofsleer; als kerkelijk hoogleraar slaat hij de plank van de rechte leer herhaaldelijk mis. Kerkelijke hoogleraren hebben echt niet zoveel bewegingsruimte als Berkhof dacht te hebben.
Niettemin: het boek is het lezen ruimschoots waard. Men krijgt er rode oren van. De weerwoorden zijn er een bewijs van dat Berkhof uitdaagt tot verzet.
Het nummer bevat voorts artikelen van prof. Runia, prof. Velema, drs. Helderman, ds. M. P. van Dijk, en dr. J. H. Becker. De ene bijdrage is kritischer dan de andere. Maar afgezien van de bijdrage van Helderman hebben de overige scribenten nogal wat kritische opmerkingen. Zo schrijft ds. Van Dijk dat bij Berkhof de ernst van het beslissingskarakter van het evangelie wegvalt, en dat Berkhof de geloofservaring laat overheersen over de Schrift. Van Dijk noemt Berkhof dan ook een ervaringstheoloog en hij valt Graafland bij als deze constateert dat er een ernstige afwijking van het reformatorisch belijden te, constateren is. Runia is ten aanzien van de Christusprediking van oordeel, dat Berkhof wel op het geheim van de mens Jezus is gestoten, maar dat hij de diepste dimensie van dit geheim niet gepeild heeft, n.l. dat wij met God zelf te maken hebben in Jezus Christus. Het blijkt dat ook vandaag de beslissingen vallen in de leer van de Drie-eenheid, en de Christologie. Het Gij, wie zegt gij, dat Ik ben is ook in 1975 de beslissende vraag.
1) dialectiek: spitsvondige bewijsvoering om een stelling ingang te doen vinden, ja tegenover neen plaatsen, neen tegenover ja.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's