De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit brieven en berichten

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit brieven en berichten

14 minuten leestijd

Deze week wil ik kort ingaan op enkele zaken, die in brieven en berichten werden aangesneden en die een breder aandacht verdienen.

Modellen in de wetenschap

Iemand schreef mij een brief naar aanleiding van mijn artikel in De Waarheidsvriend van 30 januari over de Schrift en de Wetenschap. In dat artikel waarschuwde ik tegen twee gevaren, namelijk het 'schrappen' van feiten, die de Schrift ons geeft, op grond van vermeende wetenschappelijke feiten (vanuit de evolutietheorie) en het inlezen van dingen in de Bijbel die er niet staan om toch een verklaring te hebben voor vondsten, die in de natuur worden gedaan, of liever om een natuurwetenschappelijke theorie op de Bijbel te gaan baseren, waartoe de Bijbel zich niet leent.

De briefschrijver vroeg mij nu welke ruimte er dan tóch is om in de natuurwetenschap met het verleden bezig te zijn. Is geologie bijvoorbeeld voor de Christen taboe? Hoe kan men toch verantwoord over wat in het verleden plaats vond spreken? 'Mogen we waarnemingen, die we nu doen en die duidelijk in verband staan met het verre verleden, niet trachten te interpreteren in de vorm van een model, gegeven de feiten van schepping, zondeval en zondvloed? 

Ik zou willen zeggen, dat er géén terrein van de wetenschap is, waar de christen in principe niet komen mag. De mens mag — zegt Psalm 8 — heersen over het geschapene. Alles is onder zijn voeten gelegd. Hij mag uit het geschapene halen wat er in zit, wat God er Zelf in heeft gelegd. En dan mogen de feiten voor zichzelf spreken. Dan spreken de fossielen hun taal. Dan spreken de geologische aardlagen hun taal. Dan ligt daar iets van het verleden open en in de wetenschap kunnen en mogen daar zeker theorieën over worden ontworpen. De wetenschap kan niet zonder theorieën. Maar die theorieën houden dan niet anders in dan het ontwerpen van modellen. En dan wil ik, wat betreft christelijke wetenschapsbeoefening met name als het over het verleden gaat, een dikke streep zetten onder wat de briefschrijver zegt over het interpreteren van die modellen, namelijk dat dan rekening gehouden moet worden met bijbelse gegevens (feiten) als schepping, zondeval en zondvloed. Zulke wetenschappelijke modellen kunnen namelijk voor een christen nooit absolute betekenis hebben.

Ik heb dan ook de opmerking van de fysicus G. C. Jonker in het vorige artikel positief bedoeld als die de vraag stelt waarom het bijvoorbeeld niet mogelijk zou zijn, dat de structuur van de wereld door de zondeval zó is veranderd, dat de wetmatigheden die we nu vinden voordien niet gegolden hebben. Hij zegt niet dat dit zo is maar hij laat terecht wel de mogelijkheid open dat dit zo zou kunnen zijn, zodat wetenschappelijke uitspraken over het verleden nooit absolute betekenis en geldigheid kunnen hebben. Hetzelfde geldt voor de zondvloed. Niemand kan zeggen welke fundamentele veranderingen daaruit voortgekomen zijn. Daarom zijn de uitspraken van de evolutietheorie veel minder gezaghebbend dan velen voor waar willen houden. Het evolutiemodel heeft in wetenschappelijke kring vaak absolute geldigheid gekregen, met als gevolg in christelijke kring een aanval op centrale noties over de schepping zoals de Schrift ons die geeft Maar er is geen enkele garantie, dat wetmatigheden en processen, die nu gevonden worden, altijd gegolden hebben en altijd zó gegolden hebben. Daarom zal een christen — ook vanuit de grenzen, die aan de wetenschap gesteld zijn, en vanuit het geloof in de Openbaring Gods — met omzichtigheid de modellen van de wetenschap hanteren en ze zien in hun relatieve betekenis.

Boyle en Pasteur, wetenschapsbeoefenaars uit het verleden van naam, hebben er dan ook bij herhaling op gewezen, dat de wetenschap er wijs aan doet niet te veel lijnen te trekken naar het verleden.

Dr. C. J. Dippel, die twee dikke boeken schreef over geloof en wetenschap, zegt: 'de oordelen van de wetenschap zijn hypothetisch (veronderstellenderwijs)'. Ze gelden alleen 'gegeven deze constellatie', dat wil zeggen uitgaande van de gegevens en wetmatigheden zoals we die nu vinden, maar waarvan niemand met zekerheid kan zeggen dat die zo altijd hebben gegolden. Dippel zegt óók: waarom zou God, - die alles geschapen heeft, niet zo kunnen 'spelen' met de wetmatigheden, dat wel niemand een breuk in de ontwikkeling vermoedt, maar dat die breuk er toch zijn kan?

En prof. dr. R. Hooykaas zegt ergens, dat drie eeuwen wetenschap (de echte natuurwetenschap begon in de zestiende eeuw) onvoldoende zijn om het rechte lijntje omhoog, dat we nu vinden, zó maar door te trekken naar het verleden; er zou in de loop van de tijden best een bocht in hebben kunnen zitten.

Daarom wie in de wetenschap werkt, kan enerzijds niet zonder theorieën, niet zonder modellen, maar de christen weet welke grenzen hij aan de geldigheid van deze modellen geven moet. En dat besef is in feite bij de modellenbouwers van de evolutietheorie weg! Wie verder over deze dingen geïnformeerd wil zijn wil ik verwijzen naar een artikel in Theologia Reformata van december '67, Natuurwetenschap en Scheppingsgeloof, waarin ook een uitvoerige literatuurverwijzing voorkomt.

Jaar van de vrouw

Enkele weken geleden schreef ik ook iets over het Jaar van de Vrouw 1975. Daarin gaf ik iets weer van de achtergrond, waaruit de gedachte om een dergelijk jaar te organiseren, voortkomt. Ik wees daarbij op het gevaar de bijbelse onderscheiding van man en vrouw te verliezen en het gezin te onvrouwelijken en de maatschappij te vervrouwelijken. Hoewel in Christus geen onderscheid is tussen man en vrouw brengt de Bijbel tóch in de taak en plaats wel duidelijk onderscheiding aan. Wie nu de uitingen in allerlei publicaties en uitzendingen in dit jaar van de vrouw waarneemt bemerkt, dat van die bijbelse onderscheiding weinig overblijft. Vrouwen worden opgeroepen te strijden — prof. Kuitert gebruikte in Trouw zelfs het woord vechten — voor hun emancipatie. Het tuighuis van de revolutie wordt ook in dezen aangewend om te komen tot maatschappijverandering in dit jaar van de vrouw.

Terecht vraagt ds. H. Harkema zich in een artikel, 'Man en vrouw schiep hij ze', in De Hervormde vrouw af of men niet al te lichtvaardig heenstapt over de vraag of de plaats van de vrouw in onze samenleving niet méé bepaald is door de positie, die God Zelf aan de vrouw heeft gegeven. Verder wijst hij er, vanuit Galaten 3 : 27, 28, op dat als er van onderschikking sprake is, dit geschiedt vanuit de achtergrond, dat de man in het huwelijk de laatste en hoogste verantwoordelijkheid draagt voor vrouw, gezin en huis en dat hij daarin heeft te dienen in liefde.

En: ‘Op het niveau van die liefde is er noch hoog noch laag.’

Nu kreeg ik van iemand een brief, waarin gewezen wordt op de positie van de ongehuwde vrouw en van de weduwe. Men kan hier namelijk niet alle vragen afdoen met huwelijk en gezin, met man-vrouw verhouding. Dat is waar! Er zijn duizenden vrouwen, die een taak hebben in de maatschappij, omdat hen geen gezin gegeven is. Nu heb ik niet willen stellen, dat er voor de vrouw geen taken weggelegd zouden zijn in de maatschappij, integendeel. Maar wél, dat er iets mis is wanneer dat voor de gehuwde vrouw ten koste zou gaan van het gezin.

Nu vraagt de briefschrijfster vooral daarom aandacht voor de ongehuwde vrouw, omdat die in ons huidige maatschappelijke bestel een bevrijding van allerlei vormen van tenachterstelling zeer nodig hebben. Gewezen wordt bijvoorbeeld op het feit, dat het ook nu nog voorkomt, dat bijvoorbeeld verpleegsters veel langer dienst doen dan zij in feite moeten doen — bij spoedgevallen en dergelijke — zonder daarvoor betaald te worden. Verder dat verpleegsters slechts één kamer krijgen toebedeeld, want meer heb je als ongehuwde toch niet nodig? En ook, dat het met pensioenvoorzieningen vaak niet goed zit. En vooral ook, dat er vaak met een zekere 'neerbuigendheid' op de ongehuwde vrouw wordt gezien 'alsof de waarde van de vrouw wordt bepaald door het gehuwd zijn'. '

Ik geloof — zo zegt de brief — 'dat er wel degelijk voor grote groepen vrouwen (vooral de ouderen) een bevrijding (geen revolutie) nodig is, om aan alle discriminerende en vastgeroeste meerderwaardigheidsgevoelens t.o.v. ongehuwden een eind te maken door een andere mentaliteit bij onze jeugd te kweken. En bij de ouderen een grotere barmhartigheid en vooral daadwerkelijke hulp’.

In deze brief — gesproken wordt uit ervaring — worden dingen gezegd, die de moeite van het overwegen waard zijn. Als we geloven, dat God man en vrouw als door eigen hand samenbrengt in het huwelijk, dan mogen we óók weten, dat het niet buiten Gods wil omgaat als mensen niet in het huwelijk geroepen worden om de zorg te hebben voor een gezin, maar dat zij door hun ongehuwd zijn (te beter) hun roeping in bepaalde maatschappelijke verbanden hebben mogen. Dan druist het in tegen het gebod van de liefde als er in de christelijke gemeente zelfs sprake zou zijn van een laatdunkende of neerbuigende houding. Zo'n houding, als die er is, komt meestal in kleine trekjes naar voren (onbewust vaak) maar de betrokkene ervaart het als pijnlijk. Dan moet wéér gewezen worden op het bijbels vermaan en de bijbelse bemoediging: in Christus is noch man, noch vrouw! Dat dient de band van de liefde in het huwelijk te kenmerken, dat dient dunkt me óók de band in de gemeente tussen gehuwden en ongehuwden te kenmerken.

Maatschappelijk gezien is het intussen geboden te streven naar gelijkheid in waardering ten aanzien van mannen en vrouwen, die in een maatschappelijke betrekking werkzaam zijn. Het is verheugend, dat in de dienstverlenende sectoren, waarin van ouds meestal vrouwen werkzaam zijn (o.a. de verpleging), de salariëring beduidend verbeterd is. Het offer, dat verpleegsters tóch brengen, behoeft — zo als ten onrechte nogal eens is gedacht en in praktijk gebracht — nog niet eens verzwaard te worden door onderbetaling. Dat er op dit terrein nog wel één en ander te verbeteren valt wil ik graag aannemen. Dat deze dingen onze aandacht hebben moeten, met name van hen die leiding geven in politiek, bedrijf of inrichting, wil ik graag onderstrepen. Dat neemt evenwel niet weg, dat we in onze tijd de bijbelse onderscheiding van man en vrouw wél in het vizier moeten houden. Want méér en méér komt hier de uniformiteit en de vermenging, die maatschappelijk gezien een groot vervalproces markeert. Men denke aan gelijkheid in kleding, het pleiten voor 'unisex', gelijkstelling van heterosexualiteit en homosexualiteit, de nieuwe huwelijkswetgeving. In dat licht is het maatschappelijk bevrijdingsproces voor de vrouw, waartoe nu opgeroepen wordt, op het ethische vlak een teken aan de wand. Maar aan de andere kant mogen de problemen, die er maatschappelijk gezien liggen voor de werkende vrouw, of deze nu gehuwd of ongehuwd is, niet gebagatelliseerd worden. Daarom ben ik de briefschrijfster dankbaar voor baar reactie, die ik als een welkome aanvulling op mijn artikel beschouw.

Afkalving van onze kerk

Het proces van afkalving van het kerkelijk leven gaat in versneld tempo door. In een soort prognoserapport voor de komende jaren werd voor de jaren 1974 tot 1979 de verwachting uitgesproken dat per jaar het aantal predikantsplaatsen met 30 zal worden verminderd, wat dus neerkomt op een aantal van 150 voor de komende vijf jaren. Daar zit ongetwijfeld ook in de invloed van de inflatie en de kwestie van de predikantspensioenen (steeds minder gemeenten moeten voor relatief steeds meer predikanten de pensioenbedragen opbrengen). Maar anderzijds zit daar toch vooral achter de theologische en kerkelijke ontwikkeling zelf.

Ds. M. Groenenberg — een man die als visitator de kerk aan alle kanten heeft leren kennen — zegt in een interview in Hervormd Nederland van 1 februari 1.1.: 'Er is wel een versmalling, dat is mijn zorg. De linkerzijde is geweldig aan het afkalven. Dan vraag je je af: waar blijven die mensen? ' Dat is een duidelijke uitspraak: de linkerzijde is geweldig aan het afkalven. Je behoeft er overigens geen visitator voor te zijn om dat te constateren. Wat zit daarachter? Zit daar niet onder andere achter een theologie, die als liquidatie theologie kan worden aangemerkt? Theologie werkt door in de prediking. Als niet meer duidelijk wordt, dat er een beslissend verschil — een voor de eeuwigheid beslissend verschil — is tussen de kerk en de wereld zouden de mensen dan nog aangesproken worden? Hoeveel prediking is er niet waarin in feite openlijk of verhuld de grote lijn deze is, dat de hele wereld gered is maar dat de kerk het weet en de wereld nog niet? Hoeveel overspannen aandacht voor de wereld en de verandering daarvan in maatschappelijk, politiek en sociaal opzicht is er niet, waarbij de individuele mens in zijn persoonlijke nood en zijn schuld voor God niet meer aan bod komt! Hoeveel prediking is er niet, waarin voor het element van de verborgen omgang met God, voor het persoonlijk 'gesticht' worden (mag dat nog? ) en voor de ontdekking aan zonde in schuld in het licht van Gods geboden geen plaats meer is?

De kerkelijke crisis, de kerkelijke afkalving heeft alles te maken met de rechte prediking. Als ds. Groenenberg zich afvraagt waar de mensen blijven, gezien het feit dat de linkerkant zo afkalft, dan mag deze vraag wel met name in het licht van de prediking onder ogen worden gezien.

Een predikant van links deed zijn intrede in een gemeente. In zijn preek ontbrak de naam van God totaal. Desgevraagd zei hij, dat God de grote vooronderstelling van zijn preek was. Zouden de mensen die vooronderstelling nog meemaken? Voor de één is de verzoening de vooronderstelling, voor de ander de rechtvaardiging, voor een derde dus zelfs God. Maar als God en Zijn daden niet meer verkondigd worden dan moeten we er maar op rekenen dat de mensen al die vooronderstellingen wel geloven. Dan zal de kerk blijven afkalven. Want de mensen hebben er geen boodschap aan, terwijl er anderzijds juist een hunkering, ook onder jongeren valt waar te nemen, naar een boodschap van geborgenheid, waar men persoonlijk houvast aan heeft.

Links kalft af, zegt ds. Groenenberg. Betekent dat, dat het in de rest van de (onze) kerk wel goed zit? Wie zo redeneert zal stranden in zelfgenoegzaamheid. In elke Hervormde gemeente, hoe 'rechts' deze ook is, spelen dezelfde problemen, die de Hervormde Kerk als geheel kent. Een niet meelevende rand (in elke gemeente), verwereldlijking in levensstijl (in elke gemeente), tucht-problemen rondom de sacramenten (in élke gemeente), ontrouw in de kerkgang, eenmaal per zondag bijvoorbeeld (eveneens in elke gemeente), minder tot slecht bezochte middagdiensten. Daarom, waar in elke gemeente de problemen van de volkskerk, als we dit woord nog mogen gebruiken, spelen en er ook de invloed van de secularisatie is, dan is er alle reden tot gemeenschappelijke verootmoediging. Maar het verschil is wel of in de prediking en het ambtelijk werk voet gegeven wordt aan de symptomen hierboven genoemd of dat er vanuit een eerlijke en ernstige omgang met de Schriften tegen in wordt gegaan. Er gaat ook in onze tijd gelukkig toch nog een bewarende kracht uit van een prediking die onvoorwaardelijk wil ankeren in de Schrift en niet in het eigentijdse levensgevoel.

Intussen gaat de afkalving van de kerk, waar dan ook, ons allen aan. Het is 'winst' als linkse theologieën — ons even in het spraakgebruik te blijven — afkalven en aan invloed verliezen. Maar als dit ten koste van gemeenten gaat is het onherstelbaar verlies. Dan kan gelden wat Luther zei van de Klein Aziatische gemeenten, weg is weg. Ze hebben het gehad. Aangrijpend als een gemeente tot vrijwel niets wordt teruggebracht of zelfs verdwijnt. Onze verantwoordelijkheid, de verantwoordelijkheid van de gesmaldeelde kerk die overblijft, blijft toch wel de hele kerk gelden. Ik las dezer dagen dat prof. dr. H.N. Ridderbos over de confessionelen in de Herv. Kerk schreef als over diegenen die aan de confessie willen vasthouden en niet willen leven in de afzondering van de Gereformeerde Bond'. Ik vind dit een onjuiste typering, dat allereerst! Een miskenning van het feit dat de Gereformeerde Bond voluit deel heeft genomen aan het Hervormd kerkelijk leven, in synodaal verband (hoevelen hebben er ook in commissies e.d. niet gestreden en geleden? ) in de gemeenten, waar overal de volkskerkproblemen zijn, in de opleiding en op zoveel terreinen meer. Maar als er toch iets waar is, van wat prof. Ridderbos zei — en waar is dat gevaar niet telkens aanwezig, dat men de rust in eigen kring verkiest boven de onrust van het staan in de verbanden van de kerk? — dan is er reden tot zelfonderzoek. De kerk vraagt vandaag in haar enorm verval, in het afkalvingsproces dat zich voltrekt, onze inzet, geestelijk en materieel, en dan totaal! Wanneer één lid lijdt lijden alle leden. Als links afkalft wordt de invloed van rechts groter. Zal het een werkelijke invloed zijn, gedragen door een geestelijk élan en een echte bewogenheid om wat ten dode wankelt? Waar blijven de mensen, vroeg ds. Groenenberg. Een vraag, die ons allen raakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit brieven en berichten

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's