De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Van de vroeg-christelijke tijd naar het heden.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Van de vroeg-christelijke tijd naar het heden.

Belijden en Belijdenis

10 minuten leestijd

In het vorige artikel hebben wij erop gewezen, dat de kerk ook in de na-bijbelse tijd geroepen werd om ten overstaan van de dwaling haar geloof in Jezus Christus te belijden. Ze was vrijwel voortdurend gewikkeld in een felle strijd met de tijdgeest, die in de vorm van een eigentijds gnostisch denken ook in de kerk zijn invloed deed gelden. De dwalingen, die toen de kop opstaken, betroffen vooral de Godheid van Christus en vervolgens de belijdenis van de Drieënige God.

In deze diepgaande confrontatie stond de kerk twee dingen te doen. In de eerste plaats werd zij hierdoor opnieuw teruggeworpen op het Bijbels getuigenis, om gehoorzaam te luisteren naar wat de Schrift te zeggen had over de persoon en het werk van Christus en over de Zelfopenbaring van God als De Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Aan de andere kant verstond de kerk het als haar opdracht om dit haar uit de Schrift geput geloof te belijden in de context van de tijd, waarin zij toen leefde.

In deze spanningsrelatie is dus ook in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis de kerk terechtgekomen. Aan de ene kant was zij gebonden aan het Woord. Dat staat voorop. Maar tegelijk weet zij getuige te zijn in de wereld van het heden. En dat laatste heeft haar vooral ertoe gebracht om haar ongetwijfeld christelijk geloof opnieuw te belijden in de woorden van de oude oecumenische symbolen.

Haaks op de geest van de tijd

Maar nog een tweede spanningsveld wordt hier zichtbaar. De Kerk stond toen niet alleen in de spanningsrelatie van de gezaghebbende Schrift en het actuele heden, maar ook in het spanningsveld van haaks staan op de geest van de tijd met het getuigenis van het Woord èn het verstaanbaar spreken in de wereld van toen, wat tot gevolg had, dat de kerk de taal van die tijd sprak.

Er zijn nogal wat theologen momenteel, die de mening zijn toegedaan, dat de oude kerk zelfs te ver gegaan is in de aansluiting bij de taal en het denkmateriaal van die tijd. Zij zou zich te veel hebben laten beheersen door het grieks-hellenistische denken, en dat zou ook heel duidelijk uit de belijdenissen van Nicea en Athanasius zijn op te maken, alsook later uit wat er op het concilie van Chalcedon in 450/1 is besloten. Met name wordt dan gewezen op de omschrijvingen van de Godheid van Christus, van zijn goddelijke en menselijke natuur, terwijl er ook critisch gekeken wordt naar de belijdenis van de drieëenheid van God, één in wezen, en drie in personen. Dit zouden alle uitdrukkingen zijn, die ontleend zijn aan het griekse denken, dat heel sterk gericht was op het zijn, de natuur, het wezen van de dingen, en veel minder op de betekenis, op de functie en actuele werkingskracht van de dingen. Men spreekt in dit verband van een statisch-ontologische denken. Dat is typisch grieks denken. En door dat denken is de oude kerk ook in haar belijdenis van het geloof beheerst. We komen zodoende tot een merkwaardige conclusie. Aan de ene kant heeft de kerk in haar belijdenis van de Godheid van Christus en van de Drieëenheid Gods zich te weer gesteld tegen het in zwang zijnde denken, beheerst als dit werd door de Gnostiek. Maar aan de andere kant zou zij zich juist op deze wijze de gevangene getoond hebben van dit eigentijdse denken, doordat zij in haar formulering en vormgeving toch zich heeft laten beheersen door de toenmalige denkwereld.

Zo wordt in onze tijd door velen het belijden van de oude kerk beoordeeld. Heel sterk is dit nog gedaan door prof. Berkhof in zijn onlangs verschenen dogmatiek.

Alleen maar functioneel?

Toch is het wel de vraag, of dit juist is. In de huidige Schriftinterpretatie doet men het wel voorkomen alsof de Schrift zelf dat z.g. statisch-ontologische denken niet kent, en alleen maar op een functionele wijze weet te spreken over God en Jezus Christus en over het heil, maar is dit ook zo? Het kan immers niet worden ontkend, dat ook het Nieuwe Testament om het zo eens te zeggen op een ontologische wijze over Jezus spreekt als de Zoon van God. Daarin gaat het er maar niet slechts om zijn werk te kwalificeren als een goddelijk werk, maar daarin gaat het terdege wel om ook zijn persoon te kwalificeren als een goddelijk persoon. Dat heeft met het wezen van zijn persoon te maken, met zijn goddelijke natuur, om het zo eens te zeggen.

Daarom staat ook het verhaal van zijn geboorte uit de maagd Maria en van zijn ontvangenis door de Heilige Geest in de Schrift. In Luc. 1 : 35 zegt de engel tot Maria: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom ook, dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden'. Mij dunkt is dit een uitspraak van de Schrift, die althans wat betreft het zijn, het wezen van Jezus, aan duidelijkheid niets te wensen overlaat, hoe diep het wonder op zichzelf ook is. En het is daarom te begrijpen, dat zij, die ontkennen, dat de Schrift op een ontische (wat het zijn der dingen aangaat) wijze over God en over Jezus spreekt, met deze geschiedenis van de ontvangenis en geboorte van Jezus geen raad weten. Zij zetten dit verhaal dan ook tussen haken, en diskwalificeren het als latere toevoeging, en als mythologische inkleding. Maar wij kunnen het de oude kerk niet kwalijk nemen, dat zij dit niet heeft willen doen.

Zij heeft de Schrift gelezen en verstaan en doorgegeven zoals zij gezaghebbend op haar afkwam. En dan blijkt het meteen, dat als de oude kerk spreekt over de goddelijke natuur van. Jezus Christus zij niet zich op sleeptouw laat nemen door het toenmalige denken, maar zij ook hier primair gehoorzaam vertolkt, wat de Schrift haar heeft voor-gezegd. De kerk belijdt hier, d.w.z. zij zegt hetzelfde, wat de Schrift getuigt, na, in dankbare gehoorzaamheid en meteen in het diepe besef, dat in deze belijdenis al haar heil en zaligheid gelegen ligt.

Geen speculatie maar geloofsbelijdenis

Juist dat laatste is belangrijk om op te merken. Wie meent, dat de oude kerk zich zo uitvoerig heeft beziggehouden met de omschrijving van de goddelijke persoon van Jezus Christus en ook van de Heilige Geest, omdat zij lust had tot speculeren in griekse trant zoals toen de mode van de tijd aangaf, heeft niets maar dan ook niets van haar eigenlijke intentie begrepen. De kerk heeft niet willen speculeren over het wezen van God en van Jezus Christus. De Kerk heeft haar geloof beleden, en dat geloof vond zijn centrum in de belijdenis, dat het niemand minder dan God zelf geweest is, die haar gered heeft uit haar schuld en dood. God zelf is in Jezus Christus 'en in de Heilige Geest tot ons gekomen. God zelf is onze verlosser, en daarom is er ook sprake van echte en volkomen verlossing. Dat is het hart van het klassieke belijden.

Daaruit blijkt duidelijk, dat het niet gaat om de speculatiezucht van een ontologisch denken, maar om de betekenis, om de functie en het gewicht van de persoon en het werk van Christus als de Gezondene des Vaders. Omdat in de persoon van Christus niemand minder dan God zelf verzoenend en verlossend tot ons gekomen is, daarom is ook het werk van Christus van werkelijk verlossende betekenis. Om het wat meer theologisch uit te drukken in de termen van onze tijd. De Oude kerk heeft zich op deze ontologische wijze uitgedrukt in haar Christusbelijdenis, omdat zij juist de functionele kracht van haar geloofsbelijdenis wilde funderen en accentueren. Het ontische belijden van de oude kerk is een bij uitstek functioneel belijden geweest.

In verstaanbare taal

Toch blijft het, na dit alles gezegd te hebben, ook waar, dat de Kerk haar geloof heeft beleden in een taal, die toen als verstaanbare taal gehoord en begrepen kon worden. Dat is nu juist de spanning, waarin het belijden der kerk zich voltrekt. Aan de ene kant haaks op de situatie, aan de andere kant staande in de situatie van dat ogenblik. De juiste houding en plaats in dit spanningsveld is niet methodisch en theoretisch vast te leggen. Wat de kerk alleen de goede plaats doet innemen, is de volstrekte gehoorzaamheid aan het Woord en het zich geheel en al laten leiden door de Geest, die in alle waarheid leidt. Als dat de plaats van de kerk is, zal zij in een heilige intuïtie op de rechte tijd het rechte woord weten te spreken. Dat heeft de oude kerk mogen doen. Zij is met haar oude oecumenische symbolen het teken en het bewijs ervan, hoe belijdenis en belijden met elkaar verbonden zijn tot een levend getuigenis voor God en de mensen.

Overeenkomst en verschil

Tenslotte nog één ding. Boven hebben wij erop gewezen, hoe de oude kerk op de weg van de Schrift is voortgegaan. Zij heeft dezelfde strijd moeten strijden en hetzelfde geloof mogen belijden. Toch is er bij alle overeenkomst ook een verschil. Met de oude christelijke belijdenissen bevinden wij ons in de na-Bijbelse tijd. De tijd van de apostelen is voorbij. Dat wil ook zeggen, dat de tijd, waarin de Schrift als canoniek, gezaghebbend Woord van God zich kristalliseerde, is voorbij. En van deze canonieke Schrift geloven wij, dat daarin op een unieke, onherhaalbare wijze Gods openbaring tot ons is gekomen (vgl. Nederl. Geloofsbelijdenis, art. 3-7).

Dat betekent concreet, dat als Paulus, voortbouwende op een overgeleverde belijdenis (vgl. 1 Cor. 15 : 1—3), zelf deze belijdenis uitwerkt en toespitst, hij dit doet met een bijzonder apostolisch gezag, zodat wij ook deze toespitsing ontvangen en erkennen als Gods eigen Woord. Maar dat kan in diezelfde oorspronkelijke zin niet meer gezegd worden van wat de oude kerk in haar belijdenissen heeft geleerd. Zij hebben voor ons wel gezag, maar wij spreken dan van een afgeleid gezag. Zij zijn wel norm voor ons belijden, maar zij zijn een norm, die zelf door de Schrift genormeerd wordt en telkens weer moet worden. Daar ligt een wezenlijk verschil. Daarom nemen deze belijdenissen toch een andere plaats in dan de Schrift doet. Zij hebben geen primaire, maar een secundaire plaats. Op de eerste plaats staat de Schrift zelf. En deze eerste plaats is niet een graduele kwestie, maar 'eerste' betekent hier 'unieke'. De plaats van de Schrift is volstrekt uniek. Want zij is het Woord van God zelf, en daarom met geen enkele belijdenis of lering of theologie te vergelijken. Zij heeft voor ons absoluut gezag.

Maar als wij dan toch ook spreken over het gezag van de Belijdenis, dan is dat, niet omdat zo'n belijdenis op zichzelf gezaghebbend is, maar omdat zij vertolking is van de Schrift zelf. En omdat en voorzover zij dat is, daarom is de belijdenis gezaghebbend. Wij luisteren dus naar de Belijdenis als het ware met twee oren. In de eerste plaats luisteren wij naar haar ontvankelijk en gehoorzaam, want zij heeft gezag over ons denken en spreken en prediken. Maar tegelijkertijd luisteren wij door haar heen tot op de Schrift zelf. Of nog beter gezegd: wij horen door haar heen de Schrift zelf spreken, en daarom luisteren wij met eerbied en met vreugde naar haar, hoewel nooit daarbij de vraag vergetend, of het in overeenstemming is met de Schrift.

Dat laatste vindt zijn concrete vorm b.v. in de prediking van de Apostolische geloofsbelijdenis (Vgl. Heid. Cat. Zond. 7-22). In vele gevallen wordt er dan een Schriftgedeelte behandeld en meteen een artikel van de belijdenis. Hier vinden wij nu de juiste manier van omgaan met de belijdenis. Zij wordt gepredikt als de gezaghebbende belijdenis der kerk, maar meteen gedragen en omringd en overstraald door het getuigenis van de Schrift zelf. En dan is dit het verrassende, dat de Schrift juist de Belijdenis sprekend en welluidend maakt, en dat omgekeerd de Belijdenis ons toegang verschaft tot een dieper en voller en evenwichtiger verstaan van de Schrift. Zo bezien, is het wel een rake en rijke typering, als men vraagt naar een prediking (op grond) van Schrift èn belijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Van de vroeg-christelijke tijd naar het heden.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's