Uit de pers
Soberheid
De laatste jaren is er op allerlei wijze een bezinning op gang gekomen over de vraag: 'Hoe leven wij met de welvaart? ' Al zullen we zeker ons oog niet mogen sluiten voor diegenen in onze samenleving die niet delen in de algemene welvaart, een feit is, dat velen, zo niet de meesten, op een of andere wijze profiteren van een zekere welstand en welvaart. Dan is het gevaar groot dat we in een egocentrische gulzigheid vervallen en vergeten dat welvaart en welzijn twee woorden zijn. De oliecrisis, de waarschuwingen inzake milieubederf, de luchtverontreiniging hebben bij velen, ook buiten de kerken, de vraag wakker geroepen: Kunnen we deze levenshouding volhouden? Straft dit kwaad zichzelf niet? Christenen die weten dat ze rentmeester zijn over hetgeen de Heere ons toevertrouwt zullen in deze bezinning vooraan moeten gaan. En het zal niet alleen bij bezinning moeten blijven. Ook hier geldt: Geloof zonder werken is dood. In het blad 'In de Waagschaal' van 8 februari wijst dr. Ubbink erop, dat de christelijke gemeente haar houding niet mag laten bepalen door economische theorieën, maar vanuit het geloof zal moeten spreken en handelen. Hoe leven we, vanuit het Woord, met onze welvaart? Kan de kerk een weg wijzen vanuit dit Woord tussen luxe en soberheid? Wat te denken van het aspect van het vasten! Vasten als uiting van boete, als hulpmiddel tot meditatie? Dr. Ubbink wijst erop, dat Jezus geen ascese, geen onthouding gepreekt heeft. Als Hij spreekt over het kruis dragen dan gaat het om de zelfverloochening, terwille van de liefde tot God en de naaste. Dat is een andere sfeer dan de wettische sfeer van leefregels etc. In dit verband schrijft Ubbink onder meer: In het N.T. daarentegen wordt uitdrukkelijk voor de rijkdom gewaarschuwd. De gelovige moet het koninkrijk Gods zoeken en dat kan alleen door zelfverloochening en niet door zelfgrootmaking. Het verschil met het O.T. is opvallend. Daar wordt aan het dienen van God het beloofde land in het vooruitzicht gesteld, en in het Nw. Testament kruis en verdrukking. Dit hangt samen met de ontwikkeling van (in plaats hiervan mag men ook lezen: de voortgaande openbaring over het verlossingsbegrip. Het gaat niet meer over de verlossing uit de nood van Egypte maar uit de zonde der wereld. Egypte kan men verlaten, de wereld niet. De 'wereld' en dan in de speciale betekenis van datgene wat onder de heerschappij ligt van de overste der wereld, is één der kernwoorden uit het N.T. geworden. In het kerkelijk spraakgebruik heeft dit begrip wereld en wereldgezindheid zo ongeveer de betekenis gekregen van goddeloos vermaak en dit is misschien geen onjuiste interpretatie maar wel een versmalling van het begrip. De andere meer omvattende betekenissen van het woord blijven er ook hier in naklinken: de wereld waarin wij leven, de maatschappij, de natuur en waarom ook niet heel de kosmos. Overal is dood en verderf, catastrofe en verlorenheid en daarin is de mens. Maar hij is er als een geroepene naar een andere wereld die wordt aangeduid met de woorden nieuw, eeuwig, hemels, rijk van God, bij de Vader. Jezus brengt de boodschap: je bent wel in de wereld maar je hoort er niet bij, je bent van God. Uit deze kijk op de wereld worden in de bijbel de consequenties getrokken voor het practische leven, Paulus zegt: wordt deze wereld niet gelijkvormig en Johannes: al wat in de wereld is, de begeerte des vleeses en de begeerte der ogen en een hovaardig leven is niet uit de Vader'. Het zijn geen aparte misdaden of schandelijke dingen die hier genoemd worden, zoals in de zonderegisters van Paulus voorkomen, maar heel 'nette' zonden. Het komt neer op een zichzelf groot maken in een ondergaande wereld (vgl. Jer. 45 : 4). We kunnen heel deze practische levenshouding van de gelovige geroepenen zoals ons die in het N.T. tegemoet treedt wel samenvatten onder het begrip soberheid (....)
Ook tegenwoordig leven wij in een sfeer waarin soberheid niet meer vanzelfsprekend verbonden is aan het christelijk leven in een consumptiemaatschappij. De christenen hebben een grotere vervlochtenheid met de maatschappij dan in de eerste eeuwen en onwillekeurig wordt ons denk en begeerteleven beïnvloed door het feit dat de welvaart waarin we leven zoals vanzelfsprekend op ons afgekomen is. We gaan er gemakkelijk vanuit dat we eigenlijk veel meer moeten hebben, een mooier huis, andere meubels, nieuwe kleren, een duurdere vakantie enz. enz. maar... 'we kunnen het ons nog niet veroorloven'. Deze uitdrukking is typerend omdat ze de financiën aangeeft als de norm van ons koopgedrag. Het woordje nog is kenmerkend voor de mentaliteit van de groei-economie: het komt allemaal nog wel. In deze gedachtegang heeft het bijbels besef van een voorbijgaande wereld plaats gemaakt voor dat van een vooruitgaande wereld. Wij zijn blij met de vooruitgang die de christelijke cultuur in de wereld heeft teweeggebracht. Zij heeft de natuur ontgoddelijkt en die in hoge mate leren beheersen maar op de een of andere manier is er iets misgegaan. Het heersen over de natuur is in zelfzuchtige verblinding uitgelopen op roofbouw. Men weet dat het zo niet door kan gaan maar men kan het niet meer stoppen. Elk land, ook het rijke, streeft tegen beter weten in, naar nog meer welvaart.
Hoe staan wij daar nu als christenen tegenover? Want terwijl kerk en regering deze problemen bestuderen moeten wij dagelijks beslissingen nemen over onze houding t.a.v. de welvaartsbestedingen. Onze natuurlijke impuls is om ons in de collectiviteit te verschuilen en mee te doen. De meeste mensen zijn zo. Maar gelukkig komen er toch langzamerhand tegenstromen tegen dit algemene patroon. Deze hebben nu ook hun kerkelijke uitdrukking gevonden in de vastenoproep van de conferentie van de raad van kerken. In de toelichting baseert zij deze oproep op 'het recht der armen' en geeft daarmee een grond aan die algemene geldigheid heeft ook in de wereld buiten de gemeente. Het argument is duidelijk: zolang er honger heerst in de wereld moeten wij, die gemakkelijk veel kunnen krijgen, ons beperken in het gebruik. Het is zo simpel en zo'n eerste beginsel van humaniteit dat er niets tegenin te brengen lijkt en toch houdt men er zich in het algemeen niet aan. Er zijn argumenten op regeringsniveau dat de werkeloosheid erdoor vergroot zou worden en van de gewone burger: 'wat helpt het nu in de hongergebieden als ik een stukje vlees minder eet' (een redenering overigens waarmee men elke collectieve hulpactie kan saboteren). Al deze argumenten kunnen weerlegd worden, maar daar kunnen we niet op wachten, er zijn omstandigheden waarin men intuïtief moet handelen op grond van een innerlijke overtuiging. Deze is met 't christelijk geloof verbonden en ligt dieper dan het humane gevoel dat men op grond van een bestaande nood aan een actie mee moet doen. Het gaat hier dan ook niet alleen om een 'actie' maar de kerken spreken van een 'nieuwe veelomvattende levensstijl'. Een actie wil een bepaald doel bereiken en ze eindigt als dat bereikt is maar een stijl is niet op een doel gericht, zij komt van binnen uit, in dit geval uit het geloof. En hiermee spreken de kerken niet meer iedereen toe — want met welk recht zouden zij een ander een 'levensstijl kunnen voorschrijven? — maar alleen de gemeente.
In onze tijd zou een algemene soberheid een belangrijk aspect van zo'n christelijke levensstijl kunnen zijn in antwoord op het grote aanbod van artikelen die we niet nodig hebben en die ook niet tot het levensgeluk bijdragen. Bij de christelijke soberheid gaat het niet alleen om de vraag of ik door mijn consumptie een ander iets tekort doe maar hier is ook de menselijke begeerlijkheid op zichzelf in het geding en die schijnt, althans in de huidige samenleving onverzadigbaar. Zij is de eigenlijke motor die de luxe-industrie op gang houdt en een permanente belemmering is voor meer gelijkheid in de verdeling van goederen. En eigenlijk is dit niet eens een specifiek christelijk inzicht want het berust op algemeen ethische motieven maar er is toch wel een duidelijke samenhang met de N.T.-ische opvatting van het begrip 'wereld'. De begeerte bewerkt een innerlijke verbondenheid met de wereld en dit is in duidelijke tegenstelling met het zoeken van het koninkrijk Gods. Zonder dat we kunnen stellen dat de schrijver hier Op alle vragen een bevredigend antwoord geeft, kunnen we wel stellen dat hij belangrijke dingen zegt over onze levenshouding in het licht van Gods Koninkrijk. Wat heeft de voorrang? Wat betekent het dat we ons niet moeten laten inkapselen in het schema van deze wereld (Rom. 12 : 2) ? Terecht wijst hij erop dat met het 'recht der armen' niet alles gezegd is. Men kan dit recht bijbels uitwerken, men kan er ook puur humanistisch mee opereren. Een christelijke levensstijl zal inderdaad gedragen moeten worden door het besef: waar voor leef ik? Wat is de zin van mijn bestaan? Het weten: wij zijn niet van onszelf; wij zijn des Heeren bepaalt ook onze houding tegenover de goederen dezer aarde.
Hervormden en Baptisten in gesprek
In Woord en Dienst van 8 februari vertelt dr. K. Blei een en ander over een ontmoeting tussen vertegenwoordigers van de Hervormde Wereldbond en de Baptisten Wereld Alliantie. Van 14 - 18 december j.l. had een ontmoeting plaats te Rüschlikon, waar van weerszijden enkele inleidingen gehouden werden, voornamelijk ter informatie. Het gesprek moet in dit en de komende jaren nog op gang komen. Wat is kenmerkend voor de Baptisten? Dr. Blei noemt in aansluiting aan de op genoemde conferentie gehouden inleidingen het volgende:
De Baptisten ontlenen hun naam aan het feit dat zij de kinderdoop verwerpen en slechts de doop op persoonlijke belijdenis erkennen. Maar dat is slechts een uiterlijk symptoom. Daarachter ligt, als fundamentele visie, de gedachte dat de enkele mens persoonlijk voor God verantwoordelijk is. Deze gedachte staat voor de Baptisten centraal. Zij verzetten zich tegen elke opvatting of handelwijze, die deze eigen, persoonlijke verantwoordelijkheid van de enkeling verduistert. Niet alleen tegen de kinderdoop, maar, in het algemeen, tegen elke binding van godsdienst en geloof aan een 'Kerk' als 'priesterlijk', 'heilsbemiddelend', tussen God en de enkele mens instaand instituut. Sterke nadruk leggen zij op het priesterschap van alle gelovigen: het is de persoonlijke gelovige zelf, die rechtstreeks toegang tot God heeft, en die (geleid door de Geest) zelf de Bijbel kan en mag uitleggen, zonder daarbij een kerkelijk leergezag of gezaghebbende kerkelijke geloofsbelijdenissen of tradities speciaal nodig te hebben. De enkele mens leeft bij het uitsluitende gezag van de Bijbel, Gods Woord; wel in het bijzonder: van het Nieuwe Testament, als het geïnspireerde getuigenis van Gods openbaring in Christus. Inzake de eenheid van de algemene, wereldwijde Kerk van Christus, leggen zij er de nadruk op, dat die een eenheid in Christus is, door de Geest, en niet een eenheid van organisatie of structuur (met bisschoppen of zelfs een paus). 'De Kerk' is overigens voor hen vooral: de plaatselijke gemeente, als gemeenschap van bewuste, belijdende gelovigen. Dat de plaatselijke gemeenten van bepaalde landen zich tot nationale 'unies' kunnen aaneensluiten, en (dat er zelfs een Baptisten Wereld Alliantie bestaat (waartoe momenteel 95 'unies' uit 75 verschillende landen zijn toegetreden), is uitsluitend uit praktische overwegingen, ten dienste van samenwerking en gemeenschappelijk getuigenis: men moet aan deze bovenplaatselijke organisatie-vormen geen eigen 'kerkelijk' karakter toeschrijven!
Wat de structuur en de vorm van eredienst van de plaatselijke gemeenten zelf betreft: die moet zo zijn, dat daarin de aan elk gemeentelid persoonlijk gegeven charismata (geestesgaven) tot hun recht kunnen komen. Wel roept God, in Christus door de Geest, ook bepaalde gemeenteleden tot het vervullen van bijzondere ambten: predikers, evangelisten, leraars. Hun officiële aanstelling, 'ordening', is echter niet een 'wijding' met 'sacramenteel' karakter (als afhankelijk van de bisschop in 'apostolische successie'), veeleer een daad van gebed; de eigenlijke 'roeping' heeft de betrokkene dan persoonlijk reeds ontvangen. Ook Doop en Avondmaal gelden niet zozeer als 'sacramenten' of 'genademiddelen', als wel: als 'symbolen' of 'tekenen', waarbij grote nadruk valt op persoonlijke geloofsbelijdenis van hem die het teken ontvangt. Gods genade wordt de mens, ieder mens, in vrijheid aangeboden. Ieder moet dus in vrijheid kunnen antwoorden. Vanuit deze overweging zijn de Baptisten van oudsher voorvechters geweest van godsdienstvrijheid, tolerantie, en volstrekte scheiding van Kerk en Staat. Van oudsher zijn zij daarnaast ook grote ijveraars voor zending en evangelisatie. William Carey (1761-1834), de 'vader van de moderne zending', was Baptist; de evangelist Billy Graham is het vandaag. Bekend en gaarne geciteerd is de leuze: elke Baptist een zendeling’.
De Hervormde partners op genoemde conferentie hebben voornamelijk vanuit Calvijn, de 'vader' van het Gereformeerd Protestantisme gesproken en diens visie op kerk, sacrament, ambt en levensheiliging uiteengezet. Dr. Blei vertelt dat de Baptisten gesprekspartners daar wat vreemd tegen aankeken. Zij kennen in hun eigen traditie niet zo'n 'kerkvader', zoals zij ook niet gebonden zijn aan een kerkelijke geloofsbelijdenis. Interessant is voorts wat Blei vertelt over de discussie: Ook bij deze noodzakelijke, wederzijdse, nadere opheldering bleef het niet. Er werden, vooruitgrijpend op de later nog te voeren discussies, alvast over en weer kritische vragen gesteld. Enkele daarvan stip ik aan.
De Baptisten vroegen, of Calvijn's Kerkbegrip niet aan innerlijke tegenstrijdigheid mank gaat. De ware Kerk is daar, waar Woord en Sacrament worden bediend; waar dat gebeurt mag men zich niet afscheiden, al zijn er in de Kerk gebreken aan te wijzen; zo hield hij zijn doperse tegenstanders voor. Maar is zijn eigen afscheiding van de Rooms-Katholieke Kerk van zijn dagen daarmee niet in strijd? En als dan geantwoord wordt dat in de Rooms-Katholieke Kerk Woord en Sacramenten althans niet op de rechte wijze werden bediend, luidt de volgende vraag: wie maakt uit, wat onder de 'rechte' bediening van Woord en Sacramenten moet worden verstaan? Met andere woorden: komt hier niet toch de persoonlijke beslissing en verantwoordelijkheid in het vizier als voor Kerk en kerklidmaatschap wezenlijker dan Calvijn en het op hem teruggaande Hervormde Protestantisme waar willen hebben? Bovendien: is het, van Hervormd oogpunt bezien, niet inconsequent en willekeurig, kinderen wel tot de Doop en niet tot het Avondmaal toe te laten? Zou uit de kinderdoop niet noodzakelijk ook kindercommunie moeten volgen? Maar komt dan het element van de persoonlijke geloofsbelijdenis van degene die het sacrament ontvangt niet nog meer in het gedrang dan nu reeds bij de praktijk van de kinderdoop het geval is?
Omgekeerd vroegen de Hervormde gesprekspartners, of de persoonlijke beslissing, de persoonlijke verantwoordelijkheid van de enkele mens voor God, in de geloofsbezinning en - beleving die centrale en dominerende plaats verdient, die zij bij de Baptisten krijgt. Is die accentuering van het persoonlijke werkelijk in overeenstemming met het bijbels getuigenis, of veeleer ontleend aan een zeer bepaald (bijvoorbeeld nog door de Renaissance beïnvloed) filosofisch mensbeeld? Is de enkeling niet, meer dan hier wordt verondersteld, opgenomen in de gemeenschap? En is dat ook niet, waarop hij in het evangelie wordt aangesproken? Kortom: de verhouding tussen enkeling en gemeenschap zal nader aan de orde moeten komen. Daarmee samenhangend trouwens ook: de verhouding tussen menselijke geloofsbeslissing en goddelijk initiatief. In het verbond tussen God en mens. God en zijn volk, is God de Eerste, de initiatiefnemer. Moet ook en vooral dat ons er niet voor waarschuwen, de persoonlijke geloofsbeslissing van de enkele mens niet te overaccentueren? In het geding kwam uiteraard tevens de sacramentsopvatting. De visie, dat in Doop en Avondmaal, als 'sacramenten', ook (niet: uitsluitend!) God aan het werk is, wordt door een toenemend aantal huidige Baptisten-theologen verdedigd. Ook de term 'genademiddel', toegepast op Doop en Avondmaal, wil men wel voor zijn rekening nemen; maar dan zo dat in het sacrament slechts de 'genade van heiliging' wordt verleend, wel te onderscheiden van de 'genade van wedergeboorte' (die aan de 'heiliging' voorafgaat en het fundament vormt waarop in de 'heiliging' wordt voortgebouwd). De Hervormde gesprekspartners maakten tegen deze onderscheiding in twee soorten 'genade' bezwaar. 'Wedergeboorte' en 'heiliging' kunnen zo niet uit elkaar gehaald worden!
We hebben wel eens het gevoel dat allerlei oecumenische ontmoetingen zozeer in de politieke sfeer liggen dat de vragen van geloof en belijden nauwelijks doorgesproken worden. Dat is bij deze ontmoeting anders geweest. Er zijn belangrijke dingen aan de orde geweest. En zoals de schrijver aan het slot van zijn artikel zegt: De werkgroep zal de komende tijd handen vol werk hebben, als er gesproken zal worden over de betekenis van het verbond, het kerkbegrip, de verhouding tussen kerk en wereld.
Het bedreigde Israel
Een aantal Nederlanders heeft eind november vorig jaar een beroep gedaan op de publieke opinie, de volksvertegenwoordiging en de regering om Israel ondubbelzinnig te steunen. De synode van onze kerk richtte zich tot kerkeraden en predikanten met het verzoek in eigen gemeente adhaesie te betuigen. In het blad Diakonia van jan. '75 heeft de heer B. B. V. d. Waals een gesprek niet ds. S. Gerssen, secretaris van de hervormde raad voor Kerk en Israel over deze kwestie. We nemen uit dit gesprek het volgende over:
Wat was de achtergrond van de brief van de 86 Nederlanders?
Ds. Gerssen: 'Regeringen onder meer de Nederlandse, worden geconfronteerd met een ontwikkeling in het Midden-Oosten, waarvan een grote druk uitgaat op het beleid. Ik denk aan de conferentie van Arabische leiders in Rabat, waar de Palestijnse verzetsorganisatie, de PLO, als enige vertegenwoordiger van het Palestijnse volk werd erkend. Daarna was er het optreden van de Palestijnse leider Arafat in de Verenigde Naties, gevolgd door een resolutie, waarin de VN zich achter de Palestijnen stelden zonder het voortbestaan van de staat Israël zelfs maar te noemen. Nederland onthield zich daarbij van stemming. Bij de opstellers van de verklaring was er sprake van zorg voor het beleid van o.m. de Nederlandse regering in deze ontwikkeling, waarbij ook chantage met politieke en economische middelen een rol speelt'.
In 'Woord en Dienst' van 21 december stelde ds. Gerssen de zaak nog wat scherper: 'Het is geen overdrijving om in Arafat met zijn olijftak en zijn revolver de trekken te zien van een nieuwe Hitler, die het op de ondergang van het joodse volk gemunt heeft'. En verder: 'Wij zijn bereid om te geven voor het leven van Israël. Dat moge gelden voor onze kerk en ook voor onze regering. Als wij deze keus nu niet maken, zijn alle mooie woorden van de laatste jaren waardeloos. Dit betekent niet een keus - tegen de Palestijnen, maar wel tegen hun huidige aspiraties'.
Ds. Gerssen licht toe: 'Ik kies zowel voor Israël als voor de Palestijnen. Maar als de Palestijnen zich richten tegen het bestaan van Israël, de staat Israël willen vernietigen (het bewijs daarvan levert het Palestijnse nationale handvest), moet ik wel eenzijdig de kant van Israël kiezen. Tot die keuze word ik gedwongen’.
Over de groeiende belangstelling voor Israel en de perspectieven voor de staat zegt ds. Gerssen het volgende: ’Er is een groeiende belangstelling voor de plaats van Israël in Gods heilsplan, voor de verhouding van Oude en Nieuwe Testament, voor Israël als theologisch probleem. Ik zie daarin de invloed van Barth en Miskotte, naast oudere invloeden. Ook in de Gereformeerde Bond zie je een opleving van deze belangstelling. Het valt op hoeveel gemeenten bijeenkomsten beleggen over Israël. Dat heeft niet alleen met de politieke actualiteit te maken, maar wel degelijk ook met de vragen, die de omgang met de bijbel ons stelt’.
U ziet de perspectieven voor de staat Israël somber in? ’Ja. Het hele beeld van de underdog in het Midden-Oosten is verschoven. De Palestijnen zijn politiek en economisch geen underdog meer en ze wijzen die rol ook af. Israël verkeert daarom in zo'n moeilijke positie, omdat het eigenlijk in geen enkele tegenstelling past, niet in die van rijk en arm, niet in die van de westerse wereld en de socialistische landen, niet in die van ontwikkeld en onderontwikkeld. Daardoor is het volkomen geïsoleerd komen te staan. Het zou mij verbazen, als in 1975 niet opnieuw een oorlog zou uitbreken’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's