De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Smytegelt en zijn catechismusprediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Smytegelt en zijn catechismusprediking

4

11 minuten leestijd

In het vorige artikel hebben we gelet op de methode, die Smytegelt volgde bij zijn Catechismus-prediking. Deze keer wil ik u iets laten zien uit de inhoud van zijn preken. Natuurlijk kan niet alles behandeld worden. We moeten ons beperken tot enkele punten.

Eerst iets over zondag 1.

De enige troost

In deze preek laat ds. Smytegelt zien hoe heerlijk het is, om het eigendom van Christus te mogen zijn. En dan klinkt de vraag: hoe zijn zij nu in het eigendom van de Heere Jezus geworden? Waarop het antwoord klinkt: we zijn er toe verkoren van de Vader, gegeven aan de Zoon, gekocht met zijn bloed. Hij trok mij door zijn Geest: Hij riep mij, en ik werd Zijne; ik zeide:  hier ben ik: ik geef mij aan U over, om eeuwiglijk uw knecht te zijn. Het eigendom van uzelf te zijn, dat is de staat van de verloren Zoon, en de gestalte van de gemeente te Laodicea! Ach, dat gij koud of heet waart! Maar omdat gij lauw zijt en noch koud, noch heet, zal Ik u uit mijn mond spuwen. Ge zegt, dat gij zijt rijk en verrijkt; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt en alle dingen gebrek hebt (Openb. 3 : 15-17). Maar Christus eigen te zijn, is de staat waarvan gij leest in Rom. 14 : 8, het zij dat wij leven, wij leven den Heere, hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere, hetzij dan dat wij leven, hetzij dan dat wij sterven, wij zijn des Heeren. De Heere Jezus Christus, te Bethlehem geboren heeft in zijn bornput alle wateren van genade. Zo spreekt Smytegelt over de enige troost, en dan kunnen we direct weer merken, dat hij een practisch man was. Een predikant, die telkens het dagelijks leven betrekt in zijn prediking. Want wat betekent nu die enige troost voor het aardse leven van een christen? Ook dat stelt hij aan de orde: en ik het eigendom van Jezus? Wel, dan heb ik een Zaligmaker wiens naam is Jezus, die zal zijn volk zalig maken van hun zonden (Mt 1 : 21). Wat baat gunst der wereld en rijkdom, als ik dat niet had; en wat schaadt armoede en verachting? 't Een kan mij geen deel geven aan deze Zaligmaker, en 't ander kan 't mij niet ontnemen. Mijn eeuwig heil is in God. Of ik dan arm ben, en of ik op het schavot sterf, dan geeft noch neemt aan de zaligheid niet. Mijn zaligheid is in de Heere Jezus opgesloten. Zou ik dan op een schavot niet eens kunnen zingen, daar ik zulk een getrouwe Zaligmaker heb, die zegt: mijn kind, mijn lam, vrees niet, als gij in het vuur en in het water zult gaan. Ik zal u niet verlaten, maar Ik zal bij u zijn. U hoort wel, hoe Smytegelt hier zijn Za­ligmaker aanprijst. Dat spreekt altijd weer aan. In deze preken, die nu al 250 jaar oud zijn, komen verschillende dingen voor, die ons niet meer aanspreken. Maar als er getuigd wordt van een rijke Christus voor arme zondaren, dan is er contact. Dan wordt de gemeenschap der heiligen gevoeld. De eenheid in het ware geloof met de Kerk van alle eeuwen. Daarom nog één citaat, waarin de Heere Jezus wordt aangeprezen: Het is een Christus: Hij is een Profeet, een Priester en een Koning; Hij is de ge­zalfde Gods; de Borg, de Losser. Hij is van de Vader beloofd en in deze wereld gezonden. Hij is een Leraar, die zijns gelijken niet heeft. Hij zendt al de Leraars; Hij begaaft ze. Hij is ook een Priester. Hij heeft zijn lichaam opgeofferd aan het hout. Wat is Hij een krachtig voorbidder. Hoe zegent Hij zijn volk! Hij is ook een koning. Zijn regering is zo klemmend, zo zacht, zo redelijk. Hij beschermt zo krachtig. Hij is zulk een almachtige Koning. Dat is mijn Jezus, mijn Christus, wiens eigendom ik ben geworden: door genade, door 't geloof, door de verzekering des Geestes, door geestelijke ondervindingen. Let u bij deze laatste zin vooral op de volgorde. Smytegelt zet de bevinding niet voorop, maar juist helemaal achter in de rij. Eerst komt Gods genade, en dan volgt ons geloof. En in het leven des geloofs ontvangt de christen de verzekering van die enige troost, terwijl hij dan ook die enige troost mag ondervinden. Dat brengt ons bij een volgend belangrijk punt:

De Drie Stukken:

In zondag 1 wordt ook de weg gewezen naar de enige troost. Want in vraag 2 wordt de vraag gesteld: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zalig leven en sterven moogt. Deze vraag behandelt Smytegelt direct achter de eerste vraag aan. Luister u maar: Wat zegt gij nu van des Christens antwoord (nl. antw. 1). Wij zeggen dit: dat deze vraag alleen beantwoord kan worden door een waar Christen, en door niemand anders. Of gij de vraag al duizend maal opzegt, dat helpt niet, gij moet ze ondervinden. Wat doet nu de Onderwijzer? Nu ben ik zo voldaan. Gij hebt mij tevredenheid gegeven, zegt hij. Ik heb er niet één woord tegen; zoudt gij mij ook wel daarheen willen brengen? Daar komt de Christen en zegt: Ach ja! Wilt gij mede die weg inslaan? God eist hier niet als eertijds van Abraham: Offer mij Izak uw enige zoon, dien gij liefhebt; Hij zegt niet, dat gij u zelf met messen snijden zoudt. Hij zegt niet: offer mij duizend varren of duizend rammen: Maar God komt, en eist wat anders. Wat wil Hij dan zeggen? Er zijn drie wegen, langs welke God elkeen tot die troost brengt; als die niet ingeslagen worden, zult gij er nooit toe komen; maar die ze inslaat, wil Hij zeggen, daar ligt de belofte voor. Smytegelt vergelijkt dus de drie stukken met drie wegen. Daarbij blijven wel enkele vragen over. Hoe verhouden zich deze drie wegen tot elkaar. Loopt de ene uit in de andere, of lopen ze misschien parallel? We krijgen de indruk dat Smytegelt aan het eerste denkt. Dat de eerste weg uitloopt op de tweede, en dat de tweede weg leidt tot de derde. Maar, zo kunnen we dan vragen: Als we toegekomen zijn aan die derde weg, zijn we dan de eerste twee stukken voorgoed voorbij ? We raken in dit leven toch nooit uitgeleerd in deze drie stukken? Daar wil de Heere zijn kinderen toch telkens meer en meer in onderwijzen. Over dat aspect spreekt Smytegelt jammer genoeg niet. Maar we zullen hem toch nog even zelf aan het woord laten over de drie stukken, of zoals hij het zegt: de drie wegen. Er zit genoeg in, dat voor ons tot lering kan zijn: De eerste weg is: at ik ken, hoe ellendig ik ben bij God en de mensen. Zulk een gezicht te hebben van mijn verloren staat der natuur, maakt dat men moet zeggen: gij doode. Gij zijt een harde en goddeloze. Zijt gij nog rijk in uw ogen, zo gaat gij naar de hel in plaats van naar de hemel. Wat nu gedaan? O God! ik heb zo zondig geleefd, zo goddeloos, en daarin nu al zoveel jaar doorgebracht, totdat God mijn hart week en verslagen wilde maken. Daar stond ik toen als die drie duizend verslagen zielen. Hand. 2 : 37. Ik stond als de tollenaar en als de stokbewaarder, met tranen in de ogen, en met het zwaard in zijn hand. Ach Heere! Wat een scharlaken rode ziel heb ik! Ach, hoe heb ik mij vervloekt gemaakt! Wat zal ik u doen, o mensenhoeder! (Job. 7:20). Zo gij dat niet zeggen kunt, zo kunt gij niet tot die enige troost komen. Dat is zo de wijze, op welke men leert kennen, hoe groot de zonden en ellenden zijn. De tweede weg is: dat men niet alleen zijn ellende moet kennen; maar men moet ook kennen, hoe men van al zijn zonden en ellenden verlost zal worden. Ik wil niet, dat gij wanhoopt, en met een Kaïn en Judas heenloopt, en met een Adam gaat schrikken en u verbergen. Ik wil u tot het gezicht van uw ellende niet brengen, om u te overstelpen; maar gij moet tot het gezicht van uw verlossing overgaan; is er enig middel om de straf te ontgaan, en wederom tot genade te komen? Is er geen balsem in Gilead, is er geen heelmeester meer aldaar? (Jeremia 8 : 22) God woont wel in 't hoge en verhevene, maar Hij woont ook bij de verslagene van harte. (Jes. 57 : 15) Er is een Zaligmaker, in welke Hij 't kan doen! Maar denk nu niet: het komt er niet opaan hoe ik leef. Ach ja: het zal er gewis op aankomen; want: en derde. Dan moet gij voor den Heere teder gaan leven; het komt er wel opaan. Uit de vruchten moet gij nu de boom gaan kennen, en gij moet nu gaan zien, of uw overtuiging en uw geloof goed zijn. Zijt gij een kwade boom, dan zult gij geen goede vruchten voortbrengen. Maar zijt gij een goede boom, dan zult gij ook gaarne uitroepen: dat zal ik nu de Heere vergelden voor al zijn weldaden (Ps. 116:12). Daar hebt gij onze eerste Zondag...' Aldus behandelt ds. Smytegelt in zondag 1 de enige troost en de drie stukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Maar laten we ook nog eens luisteren naar een andere bekende zondag.

Zondag 7: het ware geloof

In de levensbeschrijving van ds. Smytegelt hebben we gezien, dat hij in Middelburg tegen verschillende dwalingen had te strijden. Zo o.a. tegen J. Verschoor en ds. Leenhof, die van een bekommerd geloof niet wilden weten. In zondag 7 keert Smytegelt zich tegen hen, zonder echter hun naam te noemen. Hij doet dat wanneer hij het tijdgeloof stelt tegenover het ware geloof: Het tijdgeloof is doorgaans welgemoed; 't is zeer blijde en effen, en wel in zijn schik; 't heeft geen verwisseling van gestalte, de ene maand en jaar is als de andere. Maar waar het ware geloof is, daar ligt men altemet eens op zijn bed en schreit, heeft zoveel als men houden kan (Ps. 6:7). O, wat heeft hij verwisselingen van gestalten! Wat scheelt dikwijls de ene dag, ja ure van de andere. Hier spreekt Smytegelt uit de praktijk van het geloofsleven. En dan heeft hij de Schrift aan zijn kant. Al vinden we het woord bekommerdheid weinig in de Bijbel, er wordt wel herhaaldelijk gesproken over de strijd des geloofs. En al mogen wij dan van onze bekommerdheid, van onze strijd nooit een (valse!) grond maken voor onze zaligheid. Toch is het een weg van strijd, waarlangs Gods kinderen ingaan in het Koninkrijk der hemelen.

Ook mij!

Tenslotte luisteren we nog, hoe ds. Smytegelt dat bekende regeltje beschrijft uit antwoord 21: Wat is een waar geloof? ...Ook een vast vertrouwen hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook mij vergeving der zonden ...is geschonken. Smytegelt spreekt dan over 'de gelovige onderhandeling': 'Dan komt de Geest, die zegt: Zoudt gij het wel willen hebben, dat ik u verkwikte? Ach! ja Heere, zegt zulk een ziel, ik kan het gemis niet langer dragen. En daar stelt Hij de Middelaar klaar voor ogen. Daar wordt hun hart vervuld met een onlesbare dorst naar Hem. Als ze Jezus nog mist, ach, dat Gij mijne waart, zegt ze, en ik uwe, dan zou ik voldaan wezen. Wat wilt gij dan, dat Ik u doen zal, zegt de Heere. Hebt gij zulk een dorst naar Mij: Hier ben Ik. Ik ben een kleed voor uw naaktheid, een spijs voor uw honger, neemt Mij dan aan. Daar krijgen ze te vlieden en te wenden naar Jezus, en daar komen ze zo al bevende tot den Heere en tot zijn goedheid. Zult Gij mij dan niet verlaten Heere, zo zeggen ze. Ik zal mij gedurig naar U toewenden, 't Is genoeg, zegt de Middelaar en de Geest in hun hart; en de Middelaar zegt: neemt Mij maar aan tot uw Koning, Priester en Profeet. Als ze dat afgehandeld heeft, dan zegt de ziel: Ik neem U aan, omdat Gij 't zo waardig zijt. O, Gij schoonste aller mensen! O, Gij gewenste Man! Gij zijt de wens van mijn hart, al kreeg ik van mijn leven de kus van uw mond niet. Ik neem U evenwel aan; al moest ik met U door vlammen vuurs gaan, en door 't water. Ik neem U aan, als uw knecht, zonder gedaante, met al de kruisen en de wederwaardigheden, die er aan de Middelaar verbonden zijn...' In het volgende, tegelijk het laatste artikel hopen we nog enkele andere zondagsafdelingen aan het woord te laten, en dan tegelijk een afronding te geven.

Veen (N.Br.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Smytegelt en zijn catechismusprediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's