Een 17e-eeuws dichter over Goede Vrijdag
Het is niet moeilijk een aantal uitstekende 17e-eeuwse gedichten te verzamelen die het lijden en sterven van Christus als onderwerp hebben. Immers: de 17e eeuw is een bloeiperiode geweest in onze cultuur, met name in de schilderkunst en de letterkunde.
We spreken niet voor niets van de Gouden Eeuw. Ieder van ons kent wel de naam Rembrandt, en ook schilders als Frans Hals, Vermeer, Ruysdael en Van Ostade zullen voor velen niet onbekend zijn. Voor de letterkunde kunnen we wijzen op dichters als Vondel, de prins onzer dichters, Huygens, Bredero, Hooft, de bewoner van het Muiderslot, en Revius. Daarnaast kunnen we nog vele schrijvers noemen die we vaak typeren met de — zeer betrekkelijke — omschrijving 'dichters van het tweede plan'.
Hier komt nog bij dat velen van hen christen-kunstenaars zijn geweest. De Gouden Eeuw heeft verschillende dichters van formaat opgeleverd die in hun werk getuigenis hebben afgelegd van de verzoening door het bloed van Jezus Christus. De drieslag van de reformatie: sola fide, sola gratia en sola scriptura, is in heel wat literair werk terug te vinden.
Het is geenszins mijn bedoeling de 17e eeuw te idealiseren. Wie dieper doordringt in de Gouden Eeuw komt al gauw tot de ontdekking dat ook in dit tijdvak is geleefd en gewerkt door zondige mensen, 'van dezelfde beweging' als wij. Wél mag gezegd worden dat het christelijk geloof juist in deze periode vele kunstenaars heeft geïnspireerd tot het scheppen van werken van blijvende waarde. Daarom is het vrij eenvoudig een aantal lijdensgedichten van niveau te verzamelen, geschreven door bijvoorbeeld Jacob Revius, Constantijn Huygens, Heiman Dullaert en Jan Luyken.
Minder gemakkelijk is het gedichten aan te wijzen die nadrukkelijk Goede Vrijdag als titel hebben. Dit lijkt haast in strijd met het voorafgaande. Toch is het zo, dat in de 17e eeuw de titel 'Goede Vrijdag' boven een gedicht van een reformatorisch kunstenaar bijna iets uitdagends had. Om dit te begrijpen moeten we allereerst weten dat Goede Vrijdag als christelijke vierdag in het kerkelijk-gereformeerde leven van die dagen nauwelijks een rol speelde.
Dit hangt samen met het verzet van onze calvinistische voorvaderen tegen de viering van de vele roomse feest-en heiligendagen, een verzet dat fel en duurzaam was. Aanvankelijk leidde dit tot de opvatting dat alleen de zondag gevierd mocht worden. De eerste synode hier te lande gehouden — Dordrecht 1574 — besloot dan ook: 'dat men met den Sondach alleen te vreden sijn sal' en dat bijvoorbeeld de prediking van de geboorte van Christus plaats kon vinden op de zondag vóór Kerst!
Dit rigoureuze standpunt bleek niet houdbaar. De Synode van Dordrecht in 1618/ 1619 bepaalde: 'De ghemeenten zullen onderhouden beneffens den Sondach oock den Christdach, Paesschen ende Pincksteren, met den volgenden dach'. Met betrekking tot Hemelvaartsdag en Nieuwjaar mochten de predikanten handelen naar bevind van zaken. Opvallend is dat Goede Vrijdag niet wordt genoemd bij de erkende christelijke feestdagen. De Synode zwijgt erover, ongetwijfeld uit afkeer van 'roomse' insluipsels.
Jeremias de Decker
Gezien het bovenstaande is het vrij opmerkelijk dat een 17e-eeuws dichter die gereformeerd gestempeld is, een zeer lang gedicht schrijft met de titel: Goede Vrijdag ofte Het Lijden onses Heeren Jesu Christi. Het verscheen in 1651 en is geschreven door Jeremias de Decker, een van de kleinere dichters uit de 17e eeuw. Sindsdien verschenen er diverse uitgaven van dit gedicht; laatstelijk in 1958 door dr. W. J. C. Buitendijk, met een uitvoerige inleiding waarvan ik dankbaar gebruik gemaakt heb.
De Decker leefde van 1609 tot 1666. Hij was van Zuidnederlandse afkomst: zijn vader had nog tegen de Spanjaarden gevochten bij de verdediging van Oostende. Jeremias zelf werd in Dordrecht geboren. Later vertrok het gezin naar Amsterdam, waar zich in die tijd veel Zuidnederlanders vestigden. We kunnen De Decker niet ten volle gereformeerd noemen zoals Revius dat bijvoorbeeld was. Wél was hij gereformeerd gestempeld. Hij was dooplid, maar geen belijdend lid van de Gereformeerde Kerk. Je zou hem Fet best kunnen rekenen tot de 'bijbelse piëtisten', die zich verzetten tegen de kerk als instituut, tegen wat zij zagen als intellectualistische orthodoxie, maar die beslist een zeer nauwe band wilden hebben met de Heilige Schrift.
Goede Vrijdag ofte Het Lijden onses heeren Jesu Christi
Het gedicht, waarin geslaagde en minder geslaagde fragmenten voorkomen, bevat behalve een proloog 9 delen: Christus' Jongste (laatste) Avondmaal; Christus in 't Hofken; Christus verraden, gevangen; Christus beschuldigd; Christus verwezen (veroordeeld); Christus gegeseld, bespogen, bespot; Christus gekruist; Christus begraven; Christus verrezen.
De gouden draad die door het werk loopt is de verzoening door het bloed van Christus. Jezus stilt de toom van God. Hij draagt Gods gramschap alleen, voor zondige mensen. Herhaaldelijk geeft de dichter blijk van het besef van persoonlijke schuld: direct al in de proloog spreekt hij van 'mijn zonden'. Op vele plaatsen gaat de beschrijving over in een gebed, een gebed om persoonlijke reiniging en verzoening en een persoonlijke band met Christus. Aan het eind van zijn beschrijving van de kruisiging schrijft hij bijvoorbeeld:
En als ik nu den weg van alle vlees betrede. Zo laat — dit is mijn bede — Door dit uw sterven 't mijn Geen sterven, maar een weg naar 't eeuwig leven zijn!
Aan het slot van 'Goede Vrijdag' bidt de dichter tot de opgestane Heiland, en smeekt in navolging van Christus te mogen sterven en opstaan: sterven aan de zonden en opstaan tot een nieuw leven.
Van dit slot laat ik hier een gedeelte volgen:
Dit wonderlijk verrijzen En laat zich niet bewijzen. Als door 't gelove alleen; gij blijft hier in den dut; En waar 't gelove spreekt, daar is u 't zwijgen nut. O Jezus, hoor mijn bede, Geef dat mijn aardse rede Zich in uw hemels woord zo gants gevangen geev', Dat zij geen punt daarvan, geen stipken wederstreev' En geef mij daar beneven Dat zelf in dezen leven Ik eens verrijzen leer uit mijner zonden graf!
In de woorden hierboven die ik heb gecursiveerd, herken ik de bekende drieslag der reformatie: door het geloof alleen, door genade alleen. Wie zó schrijft is voluit reformatorisch. Dan is het niet meer van belang of De Decker 'zuiver gereformeerd' is of 'gereformeerd gestempeld' of 'bijbels piëtistisch'. Onze etiketten zijn dan in wezen niet van betekenis. Wie zó schrijft is voluit bijbels!
Jezus droeg de toorn van God alleen De Decker beschrijft hoe Hij beschuldigd wordt, terwijl niemand Zijn voorspraak wil zijn. Maar Jezus wil wél de voorspraak zijn van Zijn kinderen:
O Jezus, laat 'et ons, ons die vol schulden steken, Aan voorspraak niet ontbreken; Wil, wil, als ik terecht voor Gods gerecht verschijn. Mijn tong en voorspraak zijn.
De dichter tekent Jezus als plaatsvervanger van de zondaar:
Hier staat de Zone Gods, des Hemels welgevallen. Verdrukt van helsen nijd; Voor allen staat hij hier, hier staat hij om ons allen, Aan allen doende zien wat hij voor allen lijdt. Hier staat hij, die bij God voor onze schuld moet spreken. Als stom en zonder mond.
De grootste aandacht besteedt De Decker aan de kruisiging van Jezus. Geen detail wordt ons onthouden, waarbij de dichter het doet voorkomen alsof hij de kruisiging persoonlijk meemaakt. De details gaan ons soms wel wat al te ver.
Ik hoor de spijkeren met ijselijke slagen Door hout en handen jagen; 't Geklop gaat overhand: De wreedheid treft bij beurt dan d' een, dan d' ander' hand.
Maar al lijkt Satan, al lijken hel en dood hier te overwinnen, toch klinkt triomfantelijk aan het eind van de marteling: Het is volbracht!
Daar zingt hij 't zegelied: Het is nu al volbracht! Ja, Jezus, 't is volbracht! gij hebt in ziel en leden Den groten strijd volstreden. En als een dapper held Hel, duivel, zonde, dood geslagen uit het veld!
Zeer kort schrijft de dichter dan over de begrafenis die de overwinning van de dood schijnt te demonstreren. Zo eindigt de kruisdag
Opstanding
Maar zo eindigt Gods heilsgeschiedenis niet en zo eindigt ook 'Goede Vrijdag' niet! De Decker sluit zijn gedicht af met een uitvoerige beschrijving van Christus' glorieuze opstanding uit de dood. De kruisdag, Goede Vrijdag, wordt gevolgd door Pasen! Het lijkt of de natuur op paasmorgen dit laat zien:
De zontoorts, vers gerezen. Toont vriendelijker wezen, Geeft liefelijiier licht dan zij op Vrijdag gaf.
Triomfantelijk schrijft de dichter:
O dood, waar is uw prikkel. Uw nederslaande sikkel? Waar, hel, is d'overhand, die gij u hadt beloofd? d' Een is Goddank, verstompt, en d' andere uitgedoofd.
Juicht, juicht, o Christenscharen: Uw Prins is opgevaren. Hij heeft u losgemaakt van 's duivels slavernij!
Als een klaroenstoot geeft De Decker deze regels aan ons door, waarin u ongetwijfeld de woorden van Paulus herkent uit 1 Cor. 15 : 55 : 'Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?' Christus is de verrezen Held, de schone Morgenster, de temmer van de dood. Goede Vrijdag is de doorgang naar Pasen!
(Ede)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1975
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1975
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's