Smytegelt en zijn catechismusprediking
5
De vorige keer hebben we enkele stukken uit de prediking over zondag 1 en zondag 7 naar voren gehaald. In dit vijfde en laatste artikel laten wij Smytegelt nog eens aan het woord over enkele andere zondagen, en willen we ook een afronding gevend
De rechtvaardiging door het geloof
In zondag 23 stelt de Catechismus de rechtvaardiging aan de orde. Daarbij laat ds. Smytegelt duidelijk uitkomen dat het geloof het middel is, waardoor wij deel krijgen aan de rechtvaardiging. Daarbij geeft hij ook aan de zekerheid van het geloof een plaats. Luistert u maar: 'Hoe wordt nu die gerechtigheid van Christus de hunne aan hun zijde? Door het waarachtig levend geloof. Hoe komt het geloof hier in aanmerking? ... Als een geschenk en werk Gods. Ach Heere, zeggen ze. Gij hebt mij gegeven te geloven. Hoe komt het er nog aan te pas? Als een middel, dat de aangeboden genade omhelst; als een hand, die de genade aangrijpt: als een mond, die zegt: Ach, dat Gij mijne waart en ik de Uwe; als een oog, door hetwelk zij de Heere Jezus aanschouwt; als een voet, door welke zij naar Hem toegaat. Dat is het rechtzinnig gevoelen naar het Woord. Nu zo vrijgesproken zijnde, en dat zo volkomen alsof zij nooit zonden begaan had, maar alle gerechtigheid God volbracht had, zijn zij door het geloof met Hem verenigd; en nu zegt de Rechter: Ik spreek u vrij. Daarop komt de Geest, en die wordt hun tot een witte keursteen. Hij doet ze smaken de zekerheid van hun zaligheid, en Hij heelt hun verbrijzelde geest... Hij geeft hun een nieuwe naam, en Hij brengt ze tot juichen'.
De kurk
In deze zelfde preek over zondag 23 spreekt ds. Smytegelt ook over het nut van de godzaligheid. Een punt dat ook in onze tijd aandacht verdient. Hij spreekt naar aanleiding van 1 Tim. 4:8. De godzaligheid is een groot gewin, en heeft beloften voor dit en voor het toekomende leven: Ja daar is geen vrome in de stad, of hij brengt zijn zegen mede, daar is geen vrome in het land, of hij brengt er zijn zegen in. Daar komt een Laban bij een Jacob, die zeide: Ik heb merkbaar gezien, dat God mij om uwentwil gezegend heeft. Dat volk is als de kurk, waar het gehele land op drijft; 't is het steunsel en de zegen van de wereld. Waren hier geen vromen in dit land, wij waren al lang altemaal het onderste boven gekeerd geweest'. Een uitspraak van ds. Smytegelt, die nu na 250 jaar, veel te denken geeft!
Over een Doop-dienst
In zondag 27 spreekt Smytegelt over de betekenis van de H. Doop. Maar hij vertelt ons ook hoe het in Middelburg tijdens de bediening van de H. Doop toeging. Het blijkt, dat men ook in die goede oude tijd moest waarschuwen tegen misstanden. En die waarschuwing geldt gemeente én predikant: 'Predikanten, ik, en elkeen, lezen wij het Formulier des Doops, 't is zonder hart, zonder eerbied, zonder aandacht. En de gemeente hoort het oneerbiedig aan. De predikanten brabbelen daar wat heen. De toehoorders zijn eveneens of ze dan wel wat mochten lachen en praten, en alsof ze zichzelven eens uitspannen mochten. Wij hebben het ons leven niet zo gezien, in wat plaats wij verkeerd, gewoond of het Evangelie bediend hebben, dat men dan uit de kerk gaat, om naar huis, ja zelfs om naar een koffiehuis(!) te gaan. Eveneens alsof de Doop ons niet aanging, daar dezelve een teken en zegel van Gods genadeverbond is, voor ons en voor onze kinderen. ...Laat ons met eerbied den Naam des Öeeren over deze kinderen aanroepen. En zijt gij toch eerbiedig onder het lezen van zulk een nadrukkelijk Formulier? Hoe zondigen wij omtrent de Doop!
Vermaning tot de ouders
In deze preek over de Doop worden ook de ouders vermaand: 'Zijt gij al tevreden als het kind maar gedoopt is. O, dan is men in zijn schik: nu is mijn kind gedoopt, zegt men, als men thuis komt: nu is het genoeg. Als men ééns in de stad ouders vond, die vijf of zes kinderen hadden, die niet gedoopt waren, wat zou dat door de stad klinken! en echter zijn ze nu zo lauw en ongevoelig, als het Sacrament des Doops aan hun kinderen bediend wordt.
Ouders, zijt gij wel bekommerd over de genade van uw kinderen? ... Zegt gij wel eens: dit kind dat ik aan U opdraag, Heere, is mijn kind door de geboorte, maar ik draag het aan U op. Hebt gij worstelingen Gods over het kind geworsteld. Gij hebt misschien, gelijk David, wel geworsteld, als het ziek was, dat het gezond mocht worden; maar ligt gij wel eens op de aarde, en zegt gij wel eens: mijn kind is ziek naar de ziel. Houdt gij wel aan, en zegt: Ik kan niet gerust zijn, of ik moet een zegen hebben, het moet een gezegend zaad zijn?
Nog eens, hoe zijn de ouders verplicht, hun kinderen in te prenten, dat ze genade moeten hebben! Ik weet niet, of gij er wel van durft te reppen, omdat gij denken moet, dat gij ze zelf mist. Daarom durft gij er niet van spreken, dat ze van kindsbeen af de Heere moeten leren vrezen.' We horen uit deze woorden een grote bewogenheid. Ook al was ds. Smytegelt niet getrouwd, toch was hij zeer bewogen over het leven in de gezinnen. Bewogen-over het heil van de kinderen van zijn gemeente.
Het Avondmaal
In zondag 30 wordt gesproken over het H. Avondmaal. Na de uitleg van dit sacrament komt ook de vraag aan de orde: voor wie is het Avondmaal ingesteld. Daarbij roept ds. Smytegelt ook de bekommerden in het geloof naar de avondmaalstafel. Dat is terecht, want de Heere heeft dit sacrament ingesteld om het zwakke geloof van zijn kinderen te versterken. Toch wordt in deze preek teveel gesproken over de kenmerken van een goede Avondmaalsganger. En te weinig wordt gewezen op de Gastheer, Jezus Christus. Die een Vriend is van tollenaar en zondaren. En ook tot verslagen zondaren, die bij zichzelf alle 'kenmerken' missen, de, nodiging laat uitgaan: Komt, want alle dingen zijn gereed, de Meester is daar en Hij roept u!
Uit deze prediking blijkt ook, dat er in Middelburg een (te? ) grote deelname was aan het Avondmaal. Daartegen laat hij een waarschuwende stem horen. Luistert u maar: Niemand mag het Avondmaal gebruiken, dan die genade heeft. Niettegenstaande dit zo klaar gezegd wordt, zo is er evenwel een drift onder de belijders om er aan te gaan.
Wij zeggen u vrijmoedig aan, dat er niemand mag aangaan, of hij moet ware genade, hebben. Is het niet een sacrament van het Genade-Verbond? Zal nu het Sacrament een zegel van genade zijn, waar geen genade is. Het sacrament is tot voeding en versterking in het geestelijk leven; zo moet er dan een geestelijk leven zijn; zelfs geen predikant, of wie het nu ook zou mogen wezen, mag er gaan, die geen genade bezit. Zal iemand nu zeggen: Ach, Heere! Het is mij zo donker, ik weet het niet, of ik wel genade heb. Dat kan een predikant en elk lidmaat ook overkomen; want gij moet er wel op letten, wij zeggen niet, dat gij verzekerd moet zijn (Verzekering kan men missen, en toch genade hebben). Het kan zo donker en bestreden zijn, en evenwel mag men er dan wel gaan'.
In zijn waarschuwing gaat ds. Smytegelt m.i. dan wel wat te ver. Hij gaat dingen zeggen, die wij niet zonder meer over kunnen nemen. Vooral als hij spreekt over het verband(? ) tussen belijdenis en avondmaal. Hij zegt b.v.: 'Wij hebben al dikwijls gezien, dat de mensen meenden, als ze belijdenis gedaan hadden, dat ze dan ten avondmaal moesten gaan; doch belijdenis moet elk doen, maar elk mag niet ten avondmaal. Niemand mag er gaan, dan die genade heeft. Hier rijzen verschillende vragen. Is de Belijdenis dan enkel een uitwendige zaak. Heeft men dan voor de Belijdenis geen genade nodig? Onze belijdenis zal toch immers een keuze van het hart moeten zijn!
De voorbereiding
Over de voorbereiding van het Heilig Avondmaal geeft ds. Smytegelt ons leerzaam onderwijs: 'Geliefden, bereidt gij u zelf wel behoorlijk tot het nachtmaal des Heeren. Is daar ook geen verval in. Hoe slordig gaat het dikwijls toe. Zelfs komt gij de meeste tijd in de voorbereiding niet. Gij zult zeggen: het verval is in de predikanten, dat ze niet hartelijk zijn. 't Kan ook wel waar zijn, zij zouden misschien hartelijker zijn, als gij er meer bekwaamt als gij eens een uurtje uit uw beroep nam, en daaraan ten koste legde. Gij moet niet alles op ons schuiven. Zijt gijlieden traag, meent niet, dat uw predikanten engelen zijn, en dat ze ook niet eens traag kunnen worden; ja. God geeft dat wel eens als een oordeel. Maar als gij u dan al voorbereidt, zijt gij dan wel tijdig op. Hoe bereidt gij u? U zelf opschikken, uw beste kleren aan doen; dat zijn dikwijls al uw bereidselen. Gij vindt de rechte gronden niet; Waar is uw droefheid, over uw zonden; waar is uw geloof in de Heere Jezus en uw lust om voor God te leven? '
Tenslotte willen wij u nog laten horen, wie ds. Smytegelt voor goede avondmaalsgangers houdt. Hier volgt het laatste stukje van de preek over zondag 30: 'Goede avondmaalsgangers zijn zulke, die veel van onderzoek houden, die hun hart voor God openleggen, die hun hart in de tegenwoordigheid van God uitstorten. Die ziek zijn naar de gemeenschap Gods, en strijden tegen hun verdorvenheden. Die zo gesteld is gaat vrij ten Avondmaal. Zo
Vervolg op pag. 169
Vervolg van pag, 164
gij u dan onttrekt, dan heeft God geen welgevallen aan u. Gaat gij er dan niet aan, dan loopt gij naar uw verderf. Zegt liever, wij zijn niet van degenen die zich onttrekken, maar die geloven ten eeuwigen leven. Dan durven wij u verzekeren, dat, hebt gij hier avondmaal gehouden, gij ook boven in de hemel zult aanzitten aan de bruiloft des Lams, met al Gods kinderen en gunstgenoten; en aldaar genieten verzadiging van vreugde, en liefelijkheden aan Gods rechterhand, altoos en eeuwiglijk. Nu dat wens ik, dat de Heere mij en u geve, tot zijn eer, om zijn Zoons wil. Amen'.
Zondag en overheid
Tenslotte willen we nog iets naar voren halen over zondag 38. Daarin wordt het vierde gebod behandeld: Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt. Uit deze preek blijkt, dat er in het Middelburg van de 18e eeuw velen waren, die geen ernst maakten met de zondagsviering. Het was meer een dag van eigen plezier, dan een dag voor de dienst van God. Daarom roept ds. Smytegelt op tot een strenge zondagsviering, waarbij het woord van God de gehele dag centraal moet staan. En dan spreekt hij niet alleen de gemeente aan. Ook de overheid, de regenten van de stad: 'Zorg dat er in uw stad de zuivere bediening des Woofds is. Zorgt dat het volk gelegenheid heeft om predicatiën te horen, die zuiver en scherpsnijdend zijn. Zorgt dat door wulpsheid de godsdienst niet gehinderd worde. Zorgt, dat de dag van God niet ontheiligd wordt, door zelf niet naar de godsdienstoefening te komen. Door uw eigen overtreding van Gods geboden. Zorgt voor de scholen. Zorgt dat er academies zijn, met leraren, die het Woord van God recht snijden!'
U merkt, ds. Smytegelt wijst de overheid op zijn verantwoordelijkheid. Dat deed hij vaker, maar hier wel heel duidelijk. De overheid is verantwoordelijk voor de zondagsheiliging in het Openbare leven. En de overheid draagt de taak om de eredienst te beschermen. In onze tijd is het nodig, om hierin het voetspoor van ds. Smytegelt en heel de Nadere Reformatie te volgen. En telkens onze regering te wijzen op de taak, die haar van Godswege op de schouders is gelegd. Ook als het gaat om de heiliging van de Dag des Heeren.
De eenvoudige Heidelberger
We komen nu tot een afronding van deze vijf artikelen. We hebben u een stem uit de 18e eeuw laten horen. Niet alles kon behandeld worden. Misschien dat deze artikelen een uitnodiging mogen zijn, om 'Des Christens Enige Troost' van ds. Smytegelt zelf ter hand te nemen. Wel is duidelijk geworden, dat we deze catechismus-preken met onderscheid moeten lezen. Ook ds. Smytegelt had zijn eenzijdigheden. En het zou aanbeveling kunnen verdienen om naast deze bundel, ook de catechismus-preken van dr. H. F. Kohlbrugge eens te lezen. U kunt die vinden in het boek: De Eenvoudige Heidelberger.
Want we moeten vasthouden, dat de zekerheid van ons heil niet is te vinden in de kenmerken van óns geloofsleven. Die zekerheid ligt alleen in het volbrachte werk van Christus. Uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen!
Dat neemt niet weg, dat we met dankbaarheid drie punten ter waardering van ds. Smytegelt willen noemen:
1) In zijn preken roept hij telkens op, om de praktijk der Godzaligheid te beoefenen.
2) Hij weet telkens de diepste momenten van de Verborgen Omgang tussen de Heere en zijn gelovigen te peilen.
3) Smytegelt herinnert ons er steeds weer aan, dat er ook 'Bekommerden' in het geloof zijn, en dat de Heere dit gekrookte riet niet zal verbreken, en de rokende vlaswiek niet zal uitblussen.
Veen (Nbr.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's