De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig mens

In het nummer van 27 maart van het Hervormd Weekblad geeft prof. dr. G. Sevenster een kritische beschouwing inzake de uiteenzettingen van Berkhof in diens boek 'Christelijk geloof' over de Christologie, de leer over de Persoon en het werk van Jezus Christus.

Berkhof meent dat de formuleringen van het concilie van Chalcedon, dat Jezus Christus waarachtig God en waarachtig mens is, de twee naturenleer dus, door moderne mensen niet meer verstaan worden. Tegenover Chalcedon pleit Berkhof voor een andere opvatting van het Zoonschap van Jezus, waarbij Jezus als de ware verbondspartner krachtens Gods nieuwe scheppingsdaad de Zoon is. In Hem komt het echte mens-zijn openbaar.

Sevenster heeft tegen deze visie ernstig bezwaar, waarbij hij onder meer wijst op de teksten uit het Johannesevangelie die z.i. duidelijk spreken over de prae-existentie, het zijn bij de Vader, het gezonden-zijn van de Zoon, kortom over het wonder dat in Jezus God zelf tot ons komt. Dat alles staat in het N. T. niet aan de rand, maar behoort tot het centrale van de bijbelse boodschap, aldus Sevenster:

Nu zou men kunnen zeggen (en men heeft het ook gedaan): Dit alles behoort tot de latere geschriften van het Nieuwe Testament, voor welke een hellenistische denktrant karakteristiek is. Daartegenover mogen we dan wel bekletatonen, dat ook reeds in de oudste boeken van het N.T., de brieven van Paulus, het voorbestaan van Jezus Christus een belangrijke rol speelt. Berkhof verwijst zelf reeds meer dan eens naar de bekende passage van Fil. 2, waar de apostel in een vermanend gedeelte aan de gezindheid van Christus Jezus herinnert, 'die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar zichzelve ontledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen en de mensen gelijk geworden is'. Maar daarnaast zou immers nog zo veel te noemen zijn: al. 4:4 (Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden...), 2 Cor. 8:9, waar Paulus in een opwekking tot offervaardigheid herinnert aan de genade van 'onze Heer Jezus Christus, dat Hij om Uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden' (vgl. verder Rom. 8:3, 32; 1 Cor. 8:6; Col. 1:15-17). Naar mijn mening mogen wij daarbij wel onderstrepen, dat dit thema van de verkondiging blijkbaar reeds overal als bekend verondersteld mag worden. De apostel schrijft aan gemeenten in Griekenland, in Klein Azië en in Rome en kan dan zonder enige nadere uitleg in zijn prediking herinneren aan iets, dat kennelijk in het geloofsdenken van allen tot het centrale behoort en waarvan men waarschijnlijk in liederen gezongen heeft.

Wat de overige boeken van het Nieuwe Testament aangaat, het bestek van dit artikel laat mij natuurlijk niet toe, daarover uitvoerig te handelen. Wij beperken ons daarom tot nog een enkele opmerking over twee punten.

Allereerst Hebreeën: et is bekend, dat in deze brief op het mens-zijn van Jezus op allerlei wijze volle nadruk wordt gelegd (vgl. b.v. 4:15; 5:2 en 7). Maar dan is het des te opmerkelijker, dat Jezus ook hier weer verschijnt als de Zoon (1:1 en 8) en dat ook hier van zijn preëxistent bestaan (zie 7 : 3, vgl. 10:5) en zelfs van zijn godheid gesproken wordt (1:8). Voor de schrijver van het boek behoort blijkbaar zowel het een als het ander tot het wezenlijke van zijn prediking.

2. En wat tenslotte de synoptische evangeliën aangaat, wij dienen m.i. allereerst te bedenken, dat wij ook in deze evangeliën, evenals in het evangelie van Johannes, met prediking te doen hebben. Wij trachten daarom te verstaan wat een evangelie als afgerond, door een redactor bewerkt geheel in zijn predikend verhaal tot ons brengt. En dan is het naar mijn mening duidelijk, dat ook hier van een bijzonder Zoonschap en van preëxistentie sprake is. In soromige teksten treedt dat duidelijk aan de dag (b.v. Matth. 11:27 en Mare. 13 : 32), in vele andere wordt het kennelijk voorondersteld. Ik moet echter van een nadere argumentatie afzien en mag daarvoor wellicht verwijzen naar mijn boek over 'De Christologie van het Nieuwe Testament' 2, 1948.

En hoe zit het met het spreken over Jezus als gehoorzame verbondspartner? Ook hier stelt Sevenster vanuit de uitleg van de teksten indringende vragen:

Bij één thema moeten wij ons nu nog opzettelijk bepalen: dat van 'Jezus de gehoorzame verbondspartner', dat — zoals wij in het voorafgaande poogden aan te tonen — in de centrale paragrafen van het boek wel een heel belangrijke rol speelt. Vooraf nog een tweetal opmerkingen over het begrip verbond in het Nieuwe Testament: 1. Zonder dat wij dit nu uitvoerig toelichten mag voor eerst wel even geaccentueerd worden, dat 'verbond', diatheke in het N.T., toch wel allereerst moet worden verstaan als 'Gods genadige heilsbeschikking'. Ook wanneer dan in bepaalde schriftgedeelten van een zekere tweezijdigheid sprake is, moet men dit blijven bedenken. Ik geloof daarom — het mag terloops wel even gezegd worden — dat de terminologie van verbondspartner en bondgenoot, die in het boek doorlopend gebruikt worden, maar waarvoor ik — wat mij betreft — geen voorkeur heb, bij menigeen en zeker bij de moderne lezer gemakkelijk aanleiding kan geven tot misverstand.

2. In de tweede plaats verdient het toch wel aandacht, dat de terminologie van verbond in het Nieuwe Testament betrekkelijk zelden voorkomt en in verschillende boeken — b.v. het evangelie en de brieven van Johannes — zelfs geheel ontbreekt. Wij kunnen over de betekenis van deze feiten niet uitweiden. In elk geval kunnen zij er m.i. voor waarschuwen om niet al te vlot aan te nemen, dat wij over Jezus bij voorkeur in de terminologie van 'de ware verbondsmens' zouden moeten spreken.

Voor ons betoog is het belangrijkst, dat de persoon van Jezus in verband met het begrip verbond in het Nieuwe Testament alleen in tweeërlei samenhang voorkomt: vooreerst in de bekende avondmaalsteksten, b.v. Matt. 26 : 28: Want dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden': n verder in de brief aan de Hebreeën, waar vooral de volgende teksten van belang zijn:7 : 22: Jezus "borg van een beter verbond'; 8 : 6, 9 : 15 en 12 : 24: ezus' middelaar van een beter (nieuw) verbond'; 13 : 20: onze Heer Jezus, de grote herder der schapen door het bloed van een eeuwig verbond.'

En nu mag m.i. wel geaccentueerd worden, dat in beide gevallen Jezus niet wordt voorgesteld als de ware verbondsmens, die zichzelf offert en tot het uiterste gehoorzaam blijft, maar als het ware zoenoffer en als de middelaar en borg van het verbond, de genadige beschikking tot vergeving van de zonden.

In de teksten van de evangeliën spreken de gegevens m.i. voor zichzelf: in het vergieten van Jezus' bloed ligt de waarborg voor de vergeving der zonden, die nu in het nieuwe verbond wordt toegezegd. Maar ook de gegevens van Hebreeën laten aan duidelijkheid niets te wensen over: blijkbaar moet ook hier alles worden gezien tegen de achtergrond van de oudtestamentische offerdienst (gelijk doorlopend in Hebreeën): de oudtestamentische cultus is slechts gebrekkig en onvolmaakt geweest, thans wordt het ware, volmaakte offer gebracht, waardoor een 'beter' verbond gewaarborgd wordt.

We zien hier toch wel op een heel ander spoor en duidelijk laat de Leidse Nieuw-Testamenticus zien dat Berkhof zich toch wel een heel eind verwijdert van de Schriftgegevens. Tenslotte gaat Sevenster ook in op de kwestie van het spraakgebruik, de taal van het klassieke dogma van de kerk:

Tenslotte nog twee punten:

1. Wij komen in deze terminologie van 'Jezus de ware verbondsmens' nergens tegen, ook niet waar we dit wel zouden mogen verwachten, wanneer deze notie inderdaad die dominerende plaats zou innernen, die haar in 'Christelijk geloof' wordt toegekend (b.v. Fil. 2; Rom. 5).

2. In Berkhof's uiteenzettingen speelt, zoals we zagen, ook de gedachte van 'de ware verbondsmens een nieuwe schepping van God' een belangrijke rol. Maar ook daartegen pleit toch wel heel sterk al hetgeen wij boven inzake de preëxistentie naar voren hebben gebracht. Degene, die op aarde verschijnt, wordt toch bepaald niet voorgesteld als 'een nieuwe schepping', maar als 'Gods eigen Zoon' (Rom. 8 : 3; Gal. 4 : 4), die — zo wordt blijkbaar voorondersteld — reeds in een hemels bestaan aanwezig was en als degene 'die uit de hemel of van boven komt' (zie het voorafgaande) en die reeds bij de schepping betrokken was (1 Cor. 8 : 6).

Trouwens, sluiten de plaatsen in de verschillende boeken van het Nieuwe Testament, waar met zoveel woorden van de godheid van Christus of elders van de 'drieëenheid' sprake is (b.v. Joh. 1:1-2, 18; 20 : 28; Rom. 9 : 5; Tim. 2 : 13; Hebr. 1 : 8; 1 Joh. 5:20; Matt. 28 : 19) niet uit, dat elders in die geschriften aan zulk een nieuw geschapen-worden zou worden gedacht?

En is het ook niet veelzeggend, dat het komen van Jezus en zijn kruisdood wordt voorgesteld als een over alles beslissend kosmisch gebeuren, waarbij de overwinning behaald wordt op bovenaardse machten (Col. 2 : 15; Luc. 10 : 18; Joh. 3 : 8; Openb. 12)?

Tenslotte zou ik mijn betoog nog met enkele opmerkingen willen afronden. Wij keren dan allereerst terug naar ons uitgangspunt: et concilie van Chalcedon en de daarmee verbonden leer van het waarlijk God en waarlijk mens zijn van Jezus en van zijn bijzonder Zoonschap. Uit het voorafgaande is wel gebleken, dat wij naar mijn mening deze — wij mogen wel zeggen — klassieke Christologie toch niet moeten inruilen voor die Christus beschouwing, waarop Berkhof in zijn boek zo zwaar accent legt: ezus de ware verbondsmens, de Mens van de ware humaniteit, met wie de gelovigen zich als in een 'corporate personality' (een alomvattende persoon) verbonden weten. Vooreerst omdat de gegevens van het Nieuwe Testament, zoals wij boven poogden aan te tonen, voor zulk een opvatting te weinig houvast bieden en zeer belangrijke elementen van de bijbelse prediking worden verwaarloosd. De teksten betreffende preëxistentie en Zoonschap, waarover in het voorafgaande gehandeld werd, willen bepaald iets anders naar ons toebrengen, dan wat ons in een prediking betreffende 'de ware verbondspartner' geboden wordt. Zij verkondigen ons, dat in Jezus' woorden en werken niemand minder dan de Zoon van God tot ons komt, die een hemelse heerlijkheid prijs geeft en het nederige bestaan van een dienstknecht aanvaardt om in de volheid van de tijd, overeenkomstig het grote heilsplan van God een groot werk van verzoening en bevrijding te volbrengen (Fil. 2; 2 Cor. 8 : 9; Gal. 4 : 4). En verder, omdat het dogma van Chalcedon, als het goed v/ordt verstaan, nog altijd beter dan een andere christologische constructie tot uitdrukking brengt wat wij uit de nieuwtestamentische teksten toch zeker moeten horen: dat nl. Jezus geheel aan de zijde van God staat en tegelijk geheel aan de zijde van de mensen. Natuurlijk dienen wij daarbij te bedenken, dat wij in 't dogma niet met — om zo te zeggen — wiskundige zuivere formuleringen te doen hebben, veeleer met aanduidingen, die het grote mysterie van het komen van Jezus voor ons willen bewaren. Wij moeten ons m.i. er steeds van bewust blijven, dat de Christologische dogma's geen definities zijn, maar doxologisch van aard zijn en grenzen aan onze God en Christus verheerlijkende geloofsliederen.

Natuurlijk is het de nieuwtestamentische teksten niet te doen om allerlei speculatie over dit voorbestaan in een hemelse wereld. Het gaat om de verlossing, het heil. Maar wat ons in dat heil geschonken wordt kan niet voldoende tot uitdrukking worden gebracht, als we dat andere van de preëxistentie en het Zoonschap verwaarlozen.

In de begrippentaal en uitdrukkingswijze is stellig allerlei, dat voor de moderne mens in eerste instantie veelal moeilijk verstaanbaar is. In prediking en catechese zullen wij in allerlei bewoordingen dit nader pogen uit te leggen.

We dienen ons bewust te blijven, dat wij in het nieuwtestamentisch getuigenis te doen hebben met die aanduidende symbooltaal, waarover Berkhof zelf ook in een inleidende paragraaf opzettelijk handelt (68 vgl.). Voor de mensen van deze tijd zullen wij telkens pogen te 'vertalen'. Maar dit laatste moet zo adequaat mogelijk geschieden. En daarom ben ik het geheel eens met Ridderbos, die in analoog verband in zijn bijbelse studie over de verzoening benadrukt, dat zulk een interpretatie 'nooit iets anders mag zijn dan de interpretatie van hetgeen de getuigen van zijn Zelfopenbaring, van zijn dood en opstanding er toe gebracht heeft naar déze voorstellingen en begrippen te grijpen' (Herman Ridderbos, Zijn wij op de verkeerde weg? , 1972, blz. 83). Misschien kunnen wij van hetgeen wij moeilijk geheel kunnen verwoorden nog het best in onze geloofsliederen zingen: b.v. Lied 117:3 Ver van de troon der tronen en 's hemels zonneschijn wüt Ge onder mensen wonen, der mensen broeder zijn.

We hebben met opzet dit artikel nogal uitvoerig weergegeven, omdat we u graag in kennis willen stellen van dit heldere geluid. Het is bepaald geen bijkomstige zaak, we raken immers met de Christusbelijdenis aan het hart van de evangelieprediking. Meer dan ooit gaat het ook nu in de kerk weer om de vraag: Wie zegt gij, dat Ik ben.

Een andere Jezus?

We blijven nog even bij hetzelfde onderwerp. Op vrijdagavond 7 maart debatteerden onder leiding van prof. dr. J. Veenhof de hoogleraren Schillebeeckx en Kuitert over het boek van Schillebeeckx over Jezus Christus. Ds. Overduin maakt in het , Centraal Weekblad van 22 maart terecht de opmerking dat we nauwelijks van een debat kunnen spreken, omdat daarvoor de gesprekspartners te gelijk dachten. De kijkers kregen, afgezien van kritische vragen vanuit de zaal toch wel een eenzijdig beeld voorgezet.

Overduin gaat in dit artikel kritisch in op één van de stellingen die die avond behandeld werden. Die stelling luidde: ls de mens verandert, verandert ook wat hij als heil ervaart. Daarom verschuift de betekenis van het heil in Jezus. Kuitert moet in dit TV-debat o.m. gezegd hebben dat in het N. T. Jezus uitgelegd is (? ) in termen uit die tijd. Maar de mensen veranderen. We kunnen met die termen niet meer volstaan. We kunnen het heil niet meer uitzeggen in termen van een achterhaalde wereld. De zwarte Jezus, aldus Kuitert, is anders dan de blanke Jezus. Vandaag hebben we een Jezus nodig wiens betekenis verwoord wordt in termen van onze leefwereld. Aldus Kuitert. Ds. Overduin wil uiteraard volledig ernst maken met het bijbelse feit dat we belijden met alle heiligen van alle plaatsen en tijden (Ef. 3 : 19) en dat geen enkele tijd ooit in staat is uitputtend de rijkdom van Jezus uit te zeggen.

Maar dat is het punt niet.

Maar, welke nieuwe ervaringen van het heil ook door veranderde omstandigheden als het ware uitgelokt worden, het zijn ervaringen van een Jezusbeeld, zoals die in het Nieuwe Testament aUang aanwezig waren. Ze worden alleen actueel, en ze beginnen nu pas te leven. Het is dus zó, dat mijn situatie, mijn heilsverwachting, het Jezus-beeld niet schept, maar wel ontdekt. De Heilige Geest ontdekt aan mij aspecten van de betekenis van Jezus, die tot nu toe voor mij niet actueel waren, maar die toch in Gods Woord voor het opscheppen lagen. Dit moeten wij duidelijk stellen, anders komen wij dicht in de buurt van de dwaling dat het geloof en de ervaring der gemeente het beeld van Jezus scheppen in plaats dat Jezus door Zijn Woord en Geest het geloof en de ervaring van de gemeente schept.

Ik meen dat Overduin met deze laatste zin de kwestie haarscherp gesteld heeft. Schept Jezus het geloof of schept het geloof het beeld van Jezus. Hier scheiden zich de wegen. Bovendien, ook al moet men oog hebben voor veranderingen in denken en beleven, het evangelie is in elke tijd dezelfde boodschap van zonde en genade.

In de eerste plaats hebben wij te bedenken, dat het heil van Christus niet alleen inhoudt een herstel van verbroken verhoudingen tussen mensen en mensen, volken en volken, rassen en rassen, maar zeker niet minder een herstel tussen God en mens.

En nu kan Abraham, David, Paulus, Luther en Schillebeeckx, Kuitert, u en ik in verschillende tijden, cultuurpatronen en omstandigheden leven, wij hebben allen gemeen , dat wij allen zondaren zijn, die alleen uit genade door het geloof gerechtvaardigd voor God kunnen bestaan.

De diepste en gemeenschappelijke nood van alle mensen in alle tijden is volgens de Bijbel de zonde-nood. Die nood kan niet achterhaald worden, door niets en door niemand. Niet de heilsverwachting van bepaalde mensen in bepaalde tijden is doorslaggevend, maar God, Die door zijn profeten, apostelen en Zijn eigen Zoon ons ontdekt aan onze diepste nood en een juiste heilsverwachting schenkt.

Jezus botste ook op tegen onzuivere heilsverwachtingen nl. het afwerpen van het romeinse juk. Zelfs de discipelen gaven aan het Koninkrijk Gods een politieke inhoud. Jezus corrigeert hen en onderwijst hen in het geestelijk karakter van het Koninkrijk Gods. Hij laat het hoogste heil corresponderen op die diepste nood. Pas daarna of liever daarin kunnen wij gaan spreken over de consequenties en vruchten van dit heil (tussen God en mens) ten aanzien van alle soorten onheil tussen mensen. Wanneer een mens moet uitmaken wat zijn diepste nood is, dan komt hij nooit tot het eigenlijke heil in Christus.

Onze nood is juist, dat wij van onszelf uit niet eens een juiste kijk hebben op de diepste oorzaak van onze nood.

Ten aanzien van de diepste nood blijft de mens in elke eeuw zich gelijk. Hebben alle mensen hetzelfde heil nodig. Daarom moeten we niet praten over een blanke en een zwarte Jezus. Er is geen blanke of zwarte Jezus. Er is alleen de Christus der Schriften.

Noch de blanken, noch de zwarten zijn engeltjes. Ook al staat God aan de kant van de onderdrukten, dan wil dat niet zeggen, dat zij in hun strijd om bevrijding daardoor (door goede werken!) voor God gerechtvaardigd zijn. Dat mag niet verzwegen worden. 'Zij derven allen de heerlijkheid Gods.' Het gevaar is zeker niet denkbeeldig, dat Jezus ook door zwarten wordt gemanipuleerd.

Een totaal andere zaak is, dat wij als christenen van welke huidskleur, uit welk land ook, het heil van Christus moeten laten uitwaaieren over elke sociale-en politieke nood.

Wanneer een Afrikaan zou zeggen: mij zegt alleen iets de zwarte Jezus die mij politiek en sociaal bevrijdt, dan heeft de kerk te zeggen: gelukkig, dat Jezus voor u wil strijden om uit deze nood te komen maar er is ook nog een andere nood tussen u en God. En God is een God voor blank én zwart. In Christus is noch Jood, noch Griek, noch heiden, noch vrije, noch slaaf, noch man, noch vrouw.

Daarom mag niemand Christus naar zich toe halen in een blanke of zwarte, arme of rijke, mannen of vrouwen-theologie. Wanneer wij veroordelen de zonden in de blanke-Jezus-theologie, moeten wij niet tegelijk de deur open zetten voor een zwarte-Jezus-theologie.

En wanneer een Afrikaan zou zeggen: Jezus spreekt me wel aan in zijn opstanding (terwijl dikwijls opstand bedoeld wordt), maar niet in zijn lijden en sterven als Lam Gods voor de zonde, dan mogen wij hiervoor niet uit de weg gaan. Men zou verraad plegen aan het hart van het evangelie. Men behoort dan duidelijk te maken, dat de westerse kerk menigmaal tot grote schade eenzijdig geleefd heeft uit dit lijden en te weinig uit de opstanding tot vernieuwing en bevrijding, maar dat blank en zwart het hele evangelie van kruis én opstanding nodig hebben. En wat de Heidelberger Catechismus aangaat, wij mogen die inderdaad niet opdringen aan b.v. Afrikanen. Ze mogen zelf gaan belijden, maar dan vanuit het volle centrale evangelie. Dan zullen zij wat de inhoud aangaat heus niet zo ver van de Heidelberger uitkomen, omdat niemand als bevrijde en verloste kan leven en sterven zonder het eigendom te zijn van Jezus Christus.

En de ervaring van vele zendelingen is, dat waar ook ter wereld er mensen zijn, die dit verstaan als iets dat niet afhankelijk is van een nog niet achterhaalde denkwereld. Ze verstaan het heel goed door de Heilige Geest, omdat hier de grondnood en grondverlossing wordt beleden door de ene heilige algemene christelijke kerk.

De opdracht van Jezus tot evangelieverkondiging, doop en avondmaal wijzen naar dit blijvende 'totdat Hij komt.’

We hebben hierboven gezet: een andere Jezus? Ik meen dat we t.a.v. de door Kuitert en Schillebeeckx besproken stelling kunnen zeggen: Hier is inderdaad sprake van een andere Jezus en een ander evangelie. Men late zich niet verleiden. Dat andere evangelie zou wel eens kunnen vallen onder het vonnis van Galaten 1. Wij hebben geen behoefte aan ongezonde polarisatie. Maar wie tegen de prediking van de kerk der eeuwen van alle tijden en plaatsen een Jezus-beeld plaatst gemodelleerd naar de snit van het eigentijdse denken, heeft de Schrift tegen zich en roept een tegenstelling op die niet te overbruggen is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's