Het wonder van de twintigste eeuw?
Op de vorige week gehouden conferentie van het COGG heeft professor J. Douma met één bepaalde stelling heel wat tongen los gemaakt. Hij stelde, dat éénheid in ethisch opzicht alleen mogelijk is als er kerkelijke eenheid is.
In de middagvergadering, tijdens de bespreking, liet hij weten, dat hij dankbaar de gelegenheid had aangegrepen om op de COGG conferentie te spreken om ook dit te zeggen, om de vraag van het kerkzijn zó aan de orde te stellen. Dat is niet vreemd als we bedenken hoe bij de Vrijgemaakt Gereformeerden het kerkelijk vraagstuk wel een heel zwaar accent heeft en we in het orgaan van de Vrijgemaakt Gereformeerden, De Reformatie, toch wel deze teneur aantreffen, dat dé enige weg, waarop men in gehoorzaamheid gaan kan, de vrijmaking is.
Ik moet eerlijk zeggen, dat ik één en ander maal de prikkel heb gevoeld om hierover eens in een open brief of een discussie met prof. Douma in gesprek te treden, juist omdat hij in ethisch en dogmatisch opzicht veel te zeggen heeft en hij met die arbeid de Gereformeerde Gezindte bepaald een dienst bewijst.
Juist daarom was het een goede zaak, dat prof. Douma zélf de kerkvraag in zijn referaat aan de orde stelde en een gesprek op gang bracht, dat van wezenlijke betekenis was. Prof. Douma heeft er zich niet van af gemaakt maar in grote openhartigheid en eerlijkheid heeft hij gesproken, bewogen en met overtuiging. Door het loutere feit, dat hij met zo grote openhartigheid in de kring van het COGG deze dingen stelde heeft hij dunkt me overigens zelf iets doorbroken van het exclusieve, dat de Vrijgemaakten in hun kerkelijke positie kenmerkt.
Een appèl op de Gereformeerde Bond
In de bespreking lanceerde prof. Douma de opmerking, dat er wonderen zouden gebeuren wanneer de Gereformeerde Bond bereid zou zijn te breken met de Herv. Kerk. Waarheid en leugen, ijzer en leem kunnen niet in één kerk samen zijn. De dwaling wordt in de Herv. Kerk getolereerd. De band met de Wereldraad van Kerken is er. Er is maar één weg voor de Hervormd Gereformeerden: afscheiding. En daarvan verwachtte prof. Douma het herstel van de gereformeerde kerk in Nederland. Gezegd moet worden, dat hij het zwaartepunt van het kerkelijk vraagstuk dus niet legde bij de Vrijgegemaakt Gereformeerden — hij sprak in dat geval zelfs van machteloosheid - maar bij de Gereformeerde Bond. Waarop prof. Graafland opmerkte, dat dit wel voor de hand ligt als men vindt dat afscheiding het principe tot kerkelijk herstel is. Dan moet men wel bij de Gereformeerde Bond beginnen.
Is dit de weg?
Is de weg, die prof. Douma wijst, de aangewezene? We zullen als Hervormd Gereformeerden bereid moeten zijn naar kritische stemmen van anderen te luisteren om niet in dezelfde fout van kerkelijk exclusivisme te vervallen.
Maar toch, we hebben aan professor Douma gevraagd, waar dat wonder dan in zou bestaan. Want tot twee maal toe is datgene al gebeurd, waar prof. Douma toe opriep, in 1834 en 1886. Nu heeft H. Algra rondom deze gebeurtenissen een boek geschreven getiteld Het wonder van de negentiende eeuw, waarin Kohlbrugge namelijk ontbreekt en het Réveil één hoofdstuk krijgt (niet, zoals ik op de conferentie ten onrecht stelde, geen hoofdstuk). Maar wat is er blijvend te zien geweest van dit wonder? Zijn de Gereformeerde Kerken niet in dezelfde toestand terecht gekomen — prof. Graafland vroeg dit met name — als de Hervormde Kerk, waar men uittrad? Is tien keer gereformeerd in dat verband ook geen aanklacht, geen schuld? Wie zal ontkennen, dat ook in afscheiding en doleantie het wonder van het kerkvergaderende werk van de Heilige Geest ligt? Maar moet dan toch ook niet op dat andere wonder worden gewezen, namelijk dat door alle bloedverlies heen de Hervormde Kerk blééf en dat in haar midden de Waarheid der Schriften bleef?
In 1834 vloeide een levend deel van de Hervormde Kerk weg. In 1886 gebeurde het opnieuw, maar het was leven dat in die Hervormde Kerk was gewekt. En zou het weer gebeuren dan zou opnieuw een groot deel uit deze kerk wegstromen, dat dan toch maar in die kerk de levende aanraking met het Woord ontvangen had. Kan uit een dode kerk levend bloed vloeien?
Is dit toch niet het wonder van de twintigste eeuw, dat na de negentiende eeuw God Zijn trouw bewaarde in de Kerk der Vaderen? Prof. Graafland stelde ook duidelijk, dat het feit dat de Hervormde Kerk 'kerk der vaderen' is, daarin God in de geschiedenis Zijn trouw deed blijken, ons aan deze kerk bindt. En daarin —zo stelde hij — mag de dwaalleer geen wettige plaats hebben maar alleen de Waarheid der Schriften. Zolang wij in de Hervormde Kerk tegen de dwaling strijden kunnen zullen we dit niet mogen nalaten.
Nu heeft prof. Douma wel opgemerkt, dat niet de Hervormde Kerk voor dat 'levende bloed' heeft gezorgd maar het Woord. Wie zal dat ontkennen, maar het Woord had zegen in die kerk. En zou de Heere zegen kunnen verbinden aan ongehoorzaamheid? Prof. Douma stelde, dat men juist tot gehoorzaamheid kwam door te breken met de Hervormde Kerk. Maar al diegenen dan, die na 1834 en 1886 gebleven zijn en niet meegingen met afscheiding en Doleantie? Het is beter het over een andere boek te gooien. Prof. Graafland vroeg of prof. Douma bereid was te erkennen dat we samen ziek zijn en ook samen gezond moeten worden.
Het Verbond
Er ligt intussen een kardinaal punt, waarop dunkt mij de Vrijgemaakt Gereformeerden en de Hervormd Gereformeerden verschillen ten aanzien van het kerkelijk vraagstuk en dat is het zicht op de gemeente. Toen prof. Graafland in de bespreking over het referaat van prof. Douma opmerkte, dat de gemeente niet alleen aangesproken moet worden op het verlost-zijn (de vreugde, zie artikel over de ethiek) maar ook op het verlost-worden, lag daar toch wel achter, dat het verbond in Vrijgemaakt Gereformeerde kring een zó sterke nadruk heeft, dat het verlost worden in het gedrang komt, dat de bekering in de gemeente te weinig accent heeft. We hebben gewezen op tweeërlei kinderen des verbonds. De gemeente bestaat niet alleen uit gelovigen. En onder degenen; die de Heere nog niet kennen, zijn er dienog toegebracht mogen worden. En is dat het niet wat ons ook aan de Hervormde Kerk bindt? Iemand heeft eens gezegd: we kunnen de Hervormde Kerk niet loslaten vanwege het volk in de kerk vanwege het verbond. Daar zijn mensen in deze kerk die nog toegebracht moeten en zullen worden.
En als in artikel 27 van de N.G.B, gezegd wordt, dat we ons moeten afscheiden van degenen, die niet van de kerk zijn — de Vrijgemaakt Gereformeerden wijzen daar bij herhaling op — dan lezen we óók, dat we ons niet af mogen scheiden van degenen die van de kerk zijn. Daar ligt voor ons de spanning, de moeite om heen te gaan, omdat in de Hervormde Kerk toch altijd de tekenen van de kerke Christi aanwezig zijn. Prof. Douma heeft erop gewezen, dat er in de kerk avondmaalsgemeenschap moet zijn. Dat is waar, maar hoe was het in de gemeente van Corinthe? Paulus waarschuwt scherp tegen de toestanden daar — en het is ook onze roeping — maar roept hij op tot scheuring, tot scheiding? Zouden wij het in de Hervormde Kerk wel moeten doen?
Machteloosheid
We gevoelen intussen, bij alle besprekingen over het kerkelijk vraagstuk, de machteloosheid. Het kerkelijk vraagstuk lijkt onoplosbaar. Het is met woorden niet té doen. Zou de nood van de (toekomende) tijden — het lijden misschien — bijeen brengen wat bijeen hoort? Of zou de Heilige Geest het voordien nog geven, dat de beenderen van de kerk bijeen komen?
Eén ding is duidelijk. Afscheiding is geen garantie dat men niet voor dezelfde zaken komt te staan als de kerk waar men uittrad. Op de Gereformeerde kerken wees ik al (er zal, ondanks alle discussies over Wiersinga, niets gebeuren, stelde Douma). En prof. dr. W. H. Velema stelde in de discussie heel eerlijk: binnen tien jaar zal blijken of de Christelijke Gereformeerde Kerken Gereformeerd gebleven zijn, ja dan neen. Wij zijn dan geneigd te zeggen: laten we dan samen dezelfde strijd maar strijden in de Hervormde Kerk!
Maar prof. Doimia zegt, dat het wonder zal liggen in onze afscheiding. Daar komen we niet uit, daar overtuigen we elkaar ook niet in. God geve ons intussen wel dat dit het wonder van de twintigste eeuw voor ons land nog zal zijn, dat wat geestelijk één is elkaar ontmoeten zal in enigheid des geloofs en in onderlinge verbondenheid om het goede voor elkaar te zoeken.
En dan moet gezegd — ds. J. H. Velema wees daarop — dat er in dit opzicht de laatste jaren toch ook wel verrassende dingen zijn gebeurd. Velen zijn door ontmoetingen en samenwerking elkaar gaan leren waarderen en herkennen in hetzelfde belijden. En dan kunnen we de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet forceren. Maar we weten één ding, namelijk dat God door onze ontrouw heen de getrouwe blijft. En dan is uiteindelijk daar de kerk, waar het Woord verkondigd wordt en waar de Heere zo door Woord en Geest Zijn kinderen bijeen verzamelt. De Kerk is altijd wijder dan de eigen kerk. Dat stelde prof. Douma wat betreft zijn kerk ook heel duidelijk. We zeggen het hem gaarne na. Er was bepaald ook iets van te merken op deze goede conferentie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's