De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De beloften van het Evangelie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De beloften van het Evangelie

2

10 minuten leestijd

In de Apostolische Geloofsbelijdenis belijdt de kerk des Heeren haar levend geloof en haar levende hoop, gedrongen door de liefde van Christus, die in het hart is uitgestort. Eens ontroerde het mij bijzonder, toen een eenvoudige dienstknecht des Heeren, die nu juicht voor Gods troon, na de voorlezing van de 12 artikelen des geloofs uit het diepst van zijn hart er op volgen liet: 'Amen, goddelijk Evangelie, amen zegt mijn ziel daarop'.

Weer komen we met de vraag: hoe krijgen we deel aan de beloften van het Evangelie? Het antwoord gaven we reeds: sola fide, door het geloof alleen. En een oprechte ziel gaat vragen. Heere, hoe, kom ik aan dat noodzakelijke geloof? En dan is het goddelijk antwoord: het geloof is uit het gehoor, want Mijn Geest wil de prediking als middel daartoe gebruiken. Door de ontdekkende prediking van de Wet en door de lokkende prediking van het Evangelie. Wie Mij nederig (als een alles verbeurd hebbend zondaar) valt te voet, zal van Mij Mijn wegen leren. Oók de weg tót het geloof! Hoe komt de Heere zich hier met Zijn beloften diep neer te buigen. Niemand uitsluitend, maar Zich betonend als een gaarne vergevend God.

Moeten hier niet al onze maar's gaan verstommen? Moet hier niet al ons wegschuilen achter onmacht, waarmee we onszelf willen handhaven, ons tot schuld worden. En moesten onze ogen hier niet open gaan voor een op het hart getrapte Vader, die nochthans dag en nacht staat uit te zien naar de wederkomst van verlonen?

Horen we hier niet de klop op de deur van ons hart? Jezus klopt, klopte al jaren en Zijn roepstem, die ons leven begeleidde, wordt dringender. Zie, Ik, Die uw Zaligmaker, uw Borg, uw Zondevernieler wil zijn. Ik sta al zoveel jaren aan de deur en Ik klop. Indien iemand Mij niet langer laat staan, maar Mijn stem zal horen en de deur open doen. Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij. En al avondmaalhoudend, zal Christus de beloften van het Evangelie verzegelen en de zekerheid des geloofs zal in meerdere of mindere mate gaan opbloeien.

Mag ik?

Ja, maar, hoewel de Heere, die de Hartekenner is, weet dat ik in waarheid een mishagen aan mijzelf heb, mag ik wel geloven dat die beloften ook mij persoonlijk gelden? Mag ik ze aannemen? Ga ik dan niet stelen?

Of ze ons persoonlijk gelden? Hoe gaat bij deze vraag het Verbond der genade in al zijn-heerlijkheid voor ons open.

Of ze ons persoonlijk gelden? Zo zeker, als eenmaal het water van de Heilige Doop op ons voorhoofd gesprenkeld is. Daar daalde de God des Verbonds tot ons neer. Daar verzegelde Hij zeer in het bijzonder Zijn belofte. Daar beloofde de Vader dat Hij ons tot een Vader wil zijn, Christus, dat Hij onze zonden op Zich wil nemen en de Heilige Geest, dat Hij ons heiligen wil en wil toeëigenen wat Gods gemeente in Christus heeft. Kan er een meer indrukwekkender getuigenis zijn van Gods genadige gezindheid ons in het Evangelie geopenbaard, dan de Heilige Doop?

De vraag van het kind des Verbonds, dat van zijn jeugd af in Christus geheiligd is en door zijn geboorte op het erf des Verbonds lidmaat van Christus' gemeente is, is niet: 'Mag ik wel in de God des Verbonds geloven ten leven? ' Hij mag het zelfs niet laten. De vraag is wèl: 'Is het mij werkelijk om de God des Verbonds te doen? ' Indien dit het geval is, dan is het troostrijke, 'dat we voor alles wat nodig is, ook voor het ene nodige, het geloof, een beroep mogen doen op de God des Verbonds, Die ons alles kan en wil schenken en ons dat verzekerd heeft, toen Hij ons in Zijn Naam liet dopen.

Wanneer we zien op de beloften van het Evangelie,

wanneer we zien op een Drie-enig God van alle genade,

wanneer we zien hoe de Heere ons met de aanbieding van Zijn heil in Christus, smekend achterna loopt en het bezweert geen lust te hebben in de dood van de zondaar, maar dat hij zich bekere en leve,

wordt het dan niet een vreemd verschijnsel, dat er mensen zijn, die jaren en jaren zoekende zijn, die jaar na jaar uitzien naar de verlossing, die bekommerd zijn vanwege hun zonden en ondanks dit alles niet kunnen komen tot de aanneming van de beloften van het Evangelie, tot de aanneming van Christus?

Twee klaagzangen

Nu hoor ik twee klaagzangen.

Ik hoor de klaagzang Gods: och, had naar Mijn raad, — die dorst heeft kome en neme het water des levens om niet! — zich mijn volk gedragen. En onder die klaagzang Gods is het alsof we het aanhoudend geklop van de kloppende Heiland horen. En de klaagzang gaat verder: maar Mijn volk wou niet, — om welke redenen dan ook, — naar Mijn smeekstem horen...

En dan hoor ik een andere klaagzang. Een klaagzang — om maar dicht bij huis te blijven, van mensen uit de gereformeerde gezindte — van mensen met een gedoopt voorhoofd, van mensen tot wie de prediking van Wet en Evangelie is uitgegaan, die telkens weer aanschouwen de verzegeling van Gods genade-beloften, en horen we het goed, ze heffen deze klaagzang aan:

och, had naar mijn begeerte, zich de Heere gedragen,

maar de Heere wou niet naar mijn stemme horen en daarom zijn we nog niet verlost.

Bij deze twee klaagzangen, tegenover elkander, gaan we ons toch afvragen, hoe is dit met elkaar te rijmen? Enerzijds een gewillig volk om verlost te worden, en toch: de verlossing blijft uit.

Is God dan een leugenaar? Is Hij toch niet gewillig? Wie zou dit durven beweren?

Zijn die klagende mensen dan huichelaars? We willen graag aannemen dat ze dat niet zijn, doch ernstig de verzoening door het bloed des kruises zoeken.

De Schrift

Nu gaan we de Bijbel opslaan om te zoeken of zulke situaties, zoals we die zo juist noemden, ook daar voortkomen. Mensen die zich schuldig kennen. God zoeken en niet tot vinden komen. Wanneer we het Nieuwe Testament opslaan, inzonderheid ook de brieven aan de gemeenten, de brieven die juist aan het geestelijke leven leiding willen geven, dan komen we daar zoiets niet tegen. Ze kennen in de bearbeiding van de gemeenten geen drie soorten mensen, namelijk van onbekeerden, bekommerden en kinderen Gods. Ze kennen twee wegen, ze kennen bokken en schapen, gelovigen en ongelovigen. De bokken, de ongelovigen, roepen ze op tot bekering en geloof, en de gelovigen, de schapen, waaronder ook de kleine lammeren, worden bij de voortduur heengewezen naar de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Zeker de overgang van bekeerd tot onbekeerd, van ongelovige tot gelovige, gaat als het ware niet als met een druk op de knop, het omdraaien van een schakelaar. Daar kunnen dagen of jaren mee gemoeid zijn, een tijd van worsteling om tot het licht te komen. Maar zulke armen werd het blijde Evangelie verkondigd, werd Christus voor ogen geschilderd, tot hen werd niet in een zekere lijdelijke zin gezegd: wacht maar tot het. de Heere behaagt, maar andersom, hun werd gepredikt dat het de Heere behaagt hen zalig te maken en dat ze daarom de voorgeschilderde Christus vrijmoedig mochten aannemen.

Ik lees in Gods Woord: als zij zich schuldig kennen, zal Ik aan Mijn Verbond gedenken en hen genadig zijn.

Hoe dan te verklaren een volk dat zich schuldig kent, dat begeert zalig te worden en toch soms jarenlang in die toestand blijft, bij wie de klaagzang niet overgaat in de lofzang. De oorzaak moeten en mogen we niet bij de Heere zoeken, bij Wie milde handen en vriendelijke ogen van eeuwigheid zijn. Die gaarne vergevend is. 

Oorzaak bij de mens?

De vraag rijst dan: dus dan komt de oorzaak bij die mensen te liggen?

Hierop moet misschien geantwoord worden: ja en neen.

Ja, omdat ze wellicht, als ik het zo eens noemen mag, de Wet tot Evangelie en het Evangelie tot Wet maken. Ik bedoel dit zo: men kan aan de ontdekking van zonden, zulk een betekenis geven, dat men in beginsel er reeds de kenmerken van een kind van God in ziet en daarop heimelijk rust. Zo wordt de nood uit de nood weggenomen. Maar Gods Woord zegt, dat God zovelen, niet meer en niet minder, de macht, het recht geeft kinderen Gods te worden, die Christus aangenomen hebben. Als men nu zonder die aanneming van Christus toch reeds het kindschap Gods gaat stellen, dan handelt men onschriftuurlijk en blijft een mens, hoe oprecht het ook is bedoeld in de geboorte steken. En ik weet het wel. God zal wel voor zijn werk zorgen, wanneer het waarlijk Zijn werk is. Maar we hebben te vragen naar de schriftuurlijke weg. En deze is: alleen door aanneming van Christus en de beloften van het Evangelie, worden we kind van God. Met minder mogen we geen genoegen nemen, met eerbied gezegd. Vóór de aanneming van Christus kan de Heere een ziel wel genadig bearbeiden, maar dan verkeert zulk een mens nog niet in een staat van genade. Die verandering van staat heeft m.i. daar plaats waar men, door de bearbeiding van Gods Geest, Christus en al Zijn weldaden aanneemt, waar men de beloften van het Evangelie aanneemt, waarvan Christus de inhoud is.

Anderzijds wordt het Evangelie soms tot Wet gemaakt. In deze zin, dat men er de blijdschap van het Evangelie, dat toch de Blijde Boodschap is, aan ontneemt.

Terwijl toch Gods Woord zegt, dat één van de vruchten des Geestes blijdschap is en ook vrede. Niet dat die blijdschap en vrede altijd ongetemperd zouden zijn, dat er geen tijden van magerheid en verachtering zouden kunnen zijn en de droefheid de overhand kan hebben. Maar van het geestelijke leven overeenkomstig de Schrift kan toch getuigd worden: bedroefd en toch blijde. In het strijdperk mag er immers telkens weer de zekerheid doorbreken, zoals het zonlicht tussen de wolken doorkomt, dat we, voor, zover we in Christus zijn, de eerkroon zullen dragen. Daarom zal er van tijd tot tijd de gestalte aangetroffen worden van: wij steken het hoofd omhoog en zullen de eerkroon dragen en mag er gezongen worden, temidden van alle wederwaardigheden: zo ik niet had geloofd, dat in dit leven, mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou. Maar juist dat levend geloof voedt de blijdschap. Vaak een stille blijdschap, met droefheid gemengd, die zich niet in veel woorden openbaart. Dat geloof verlevendigt de hoop, die al het leed verzacht en die uitzicht geeft op het Jeruzalem dat boven is. Dan kan het niet anders, of er zal ook van tijd tot tijd, tot roem van Gods genade, in ootmoed en kleinheid getuigd worden van de enige troost in leven en in sterven, namelijk het eigendom te mogen zijn van Hem, Die al de Zijnen kocht met Zijn dierbaar bloed.

Al deze dingen behoren bij een levend geloof. Dat zijn de kenmerken er van. Niet ieder zal ze in dezelfde mate ervaren. Er is immers klein geloof en meer bevestigd geloof. Maar ook het kleine geloof zal van deze dingen geen vreemdeling zijn. Het is immers onmogelijk, dat ook een klein geloof zonder de vruchten des geloofs en des Geestes zou zijn.

's-Gravenhage

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De beloften van het Evangelie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's