De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

Dr. K. H. Miskotte, Gevulde stilte, enkele gebede en preken, 56 blz. ƒ7, 50. Kok, Kampen 1974.

Ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van prof. dr. K. H. Miskotte op 23 september 1974 hebben enkele vrienden van Miskotte dit bundeltje samenmengesteld. Een aantal gebeden, merendeels uitgesproken in de eredienst der gemeente, waar de Woordverkondiging centraal staat, maar waar toch ook een grote plaats is voor de dienst der gebeden, en voorts een drietal preken vormen de inhoud van dit boekje. De preken gaan over Ps. 22 : 7, 23; Matth. 26 : 41 en Matth. 11 : 28. Miskotte heeft veel gepreekt, heeft ook veel over de prediking geschreven, terwijl ook zijn geschrift over het gebed nogal wat aandacht getrokken heeft. Het is altijd rijk van inhoud wat Miskotte schrijft. En de prediker laat vanuit de tekst perspectieven zien. Het is een boeiende zaak, te lezen hoe Miskotte gepreekt heeft voor de 'randbewoners' en de kerkmensen die samen onder zijn gehoor zaten in de diensten van 'Groot-Zuid' in Amsterdam. De gebeden zijn van een schone eenvoud. Een boekje als dit laat zich moeilijk recenseren. Het is goed om in onze jachtige tijd de meditatie niet te vergeten. Dit kleine boekje kan daarbij uitnemende diensten bewijzen. En zij die — misschien kritisch — Miskotte in zijn publicaties volgen, zullen, dit werkje als een welkome aanvulling ontvangen.

Utrecht

 

Emancipatie en Bijbel, Kommentaar tilt 1 Kor. 11, dr. J. van Bruggen, uitgave Ton Bolland, Amsterdam, 1974, 101 blz.

Bijzonder dankbaar zijn we prof. J. van Bruggen voor het uitnemend boekje, dat hij schreef over de veelgebruikte en misbruikte woorden, die Paulus schrijft in 1 Kor. 11:2-16 over de vrouw. 1975 is het jaar van de vrouw, waarin waarschijnlijk in vele toonaarden de emancipatiegeachte zal worden doorgetrokken. Maatschappelijk-cultureel, sexueel-gezinsmatig en structureel zijn er radicale wijzingen gekomen met betrekking tot de visie op 't vrouw-zijn. Gelijke mensenrechten zijn al lang geleden met ferve bepleit. In onze tijd gaat dat alles met geweld door vooral in het onderwijs en vormingswerk. Het gaat om een rolverwisseling tussen man en vrouw, ingepast in een opnieuw gestructureerde samenleving, die zich bewust ontdaan heeft van haar religieuze grondpatroon. In dat licht lijkt de Bijbel achter te lopen en schijnt in ieder geval wat Paulus over de vrouw zegt in 1 Kor. 11 tijdgebonden.

Paulus spreekt volgens Van Bruggen niet tijdgebonden. Hij spreekt op last van Zijn Opdrachtgever, al doet hij het tegelijk tijdbetrokken. Paulus zet hier de man en de vrouw op hun plaats naar Gods bestel. De man is het hoofd van de vrouw. Deze uitspraak geldt ook de ongehuwden. Het geldt zelfs de ongelovigen. Christus heet in de Schrift immers niet slechts Hoofd van zijn gemeente, maar ook Hoofd van alle dingen. En iedere man is geroepen Hem daarin te volgen, zonder dictator te worden, maar ook niet slechts door partner te willen zijn. In dit kader nu komt ook de hoofdtooi der vrouw ter sprake. Paulus spreekt daarover volgens Van Bruggen niet vanwege zijn Joodse traditie. Het dragen van een sluier door vrouwen was in Paulus' dagen niet alleen Joods, maar ook Romeins gebruik. Welnu de apostel tornt hier dan kennelijk op tegen een emancipatiegeest op straat en in de christelijke gemeente om de zg. palla (stola of capuchon), die als teken van vrouwelijke onderdanigheid en teruggetrokkenheid over het hoofd geslagen diende te zijn, in de nek te werpen. Een demonstratie van het vrijheidsgevoel van moderne vrouwen in Paulus' dagen. Zo man, zo vrouw. Paulus waarschuwt uitdrukkelijk tegen iedere rolvervaging en hij beroept zich daarbij niet slechts op het gevoel van de mensen in zijn. dagen, maar ook op de scheppingsorde van God, waarin de vrouw haar eigen plaats heeft in het vervullen van het beeld Gods. De vrouw is er om de man, terwijl anderzijds geen man bestaan kan zonder de vrouw (moeder). Op dit punt moet niemand een betweter zijn en de gestelde orde doorbreken.

Met het oog op deze dingen spreekt Van Bruggen o.a. ook over de kwestie van de vrouw in het ambt:

’De toelating van de vrouw tot het ambt, is geen incidentele kwestie. Zij verraadt een verwijdering van de openbaring en een aanpassing aan het gelijkheidsdenken van deze tijd’.

Graag zou ik dit pittige en puntige boekje ter lezing willen aanbevelen. Hier wordt op een werkelijk behoorlijke en fundamentele (de tegenhangers zullen wel zeggen fundamentalistische) wijze ingegaan op een aantal schriftgegevens, die ook zeker in onze dagen niet uit de tijd blijken te zijn. Wel kan men met Van Bruggen van oordeel verschillen over de uitleg van het 10de vers van 1 Kor. 11. Volgens hem betekenen de woorden over de macht, die de vrouw op (over) haar hoofd moeten hebben vanwege de engelen, niet, dat zij bij het bidden en profeteren in de gemeente altijd een hoed zou moeten dragen, al lijkt het hem tegelijk beter uit respect voor de Bijbel met een hoed op naar de kerk te gaan dan zonder hoed de Bijbel als verouderd naast zich neer te leggen. Maar macht over haar hoofd hebben, is volgens Van Bruggen, dat de vrouw zich moet beteugelen en niet met een zorgeloos achteruitgeworpen palla in de nek moet bidden en profeteren. Pas op, de engelen zien erop toe. Mij dunkt, dat het ook bij deze door de schrijver gekozen vertaling en verklaring, duidelijk blijft, dat Paulus het onderscheid man-vrouw in de gemeente vooral uitgedrukt wil zien in het verschil in hoofdtooi, zodat het mij zakelijk onjuist voorkomt, als Van Bruggen suggereert, dat we dit door Paulus gestelde onderscheid ook wel uitdrukking kunnen geven door bv. in de eredienst de mannen en jongens te laten staan, terwijl de vrouwen en meisjes zitten bij het gebed.

Men hoeft niet wettisch met de Schrift om te gaan om vanuit de gegevens van 1 Kor. 11 de gemeente van vandaag juist vanwege de zich doorzettende emancipatiegeest te herinneren aan het onderscheid, dat er dient te zijn tussen man en vrouw ook in de hoofdtooi. Maar dat de vrouw een exousia (macht) op (over) haar hoofd moet hebben (1 Kor. 11:10) is, dunkt mij, zuiverder te verklaren dan Van Bruggen doet. De sluier op het hoofd van de vrouw (of de palla) is haar autorisatie, haar legitimatie als vrouw in de gemeente. In het dragen van de hoofdbedekking ligt de volmacht van de vrouw om te bidden en te profeteren. Zij is zedelijk verplicht om zich aldus te vertonen in de gemeentesamenkomsten. Deze gepaste orde in het huis Gods zou ik daarom om dezelfde diepe oorzaken, van waaruit Van Bruggen Paulus' woorden voor deze tijd actueel acht, willen hooghouden. Symbolen zijn er om ze met ere en inzicht te onderhouden. En zijn het dode vormen geworden, dan verbeteren we de zaak niet, door ze af te schaffen, maar door ze doorzichtig te maken.

Graag hoop ik, dat velen van onze lezers het boekje van prof. Van Bruggen zullen lezen.

Wageningen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's