Christus en zijn gemeente
De belijdenis van Jezus Christus maakt de kerk tot kerk, zoals de Schrift zegt, Rom. 10 : 9 en 10: Indien gij met uw mond zult belijden de Heere Jezus en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden; want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met de mond belijdt men ter zaligheid'. Dat is een gelovende kerk, een belijdende kerk, dat is een kerk die in dit haar geloof zalig is en zalig wordt.
Waar wij als dienaren van het woord en als dienaren van de kerk samen zijn, daar moet het geloven en het belijden wel in de eerste plaats ónze zaak zijn. Voor onszelf, voor de kerk en ten bate van de wereld waarin wij leven.
De illustere rij van gelovigen uit het Oude Testament konden wij ons ten voorbeeld stellen, zoals Hebreeën 11 die ons toont, als leidinggevende mensen, die in allerlei godsdienstige en maatschappelijke omstandigheden hun geloof hebben geoefend. ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof — Jezus. Mij lijkt het goed te letten op een tweetal Evangeliedienaars, die in het Nieuwe Testament in den beginne het belijden hebben ingezet en daarmee het werk der kerk hebben op een rail gezet.
Petrus
En dan is natuurlijk als eerste te noemen Petrus. Reeds hebben anderen, ver voor hem, Jezus als de Christus beleden, maar aan de belijdenis van Petrus in Matth. 16 : 16 verbindt Jezus de gehele Apostolische bevoegdheid, n.l. de sleutelmacht van het Koninkrijk der hemelen. Van deze Petrusbelijdenis zegt Jezus: Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is. En van die belijdenis zegt Jezus: Op deze belijdenis zal Ik Mijn gemeente bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. Drie dingen hierover: Ten eerste: Onze Godsdienst is een openbaringsgodsdienst.
De dingen van het koninkrijk Gods zien, Christus zien, Christus geloven, Christus belijden is een kwestie van openbaring, het te kunnen zien, het te kunnen zeggen, dat Hij is en wie Hij is, dat is een gegevenheid, dat is een gave van God de Vader. Ons vlees en ons bloed hebben ons dat niet meegebracht, ze hebben ons dat ook niet bijgebracht.
Dan ten tweede dit: Op de belijdenis: 'Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God', zegt Christus toe Zijn gemeente te bouwen. Dit woord is niet alleen een positie-en karakterbepaling, maar ook een belofte. De belijdenis van Christus als de Zoon Gods, door Petrus ingezet en door de kerk overgenomen, biedt dan de garantie dat de kerk daar zal zijn. En waar de belijdenis een levende band geeft aan Hem zal die gemeente ook voortgebouwd worden. Het derde wat over Jezus' toezegging is te zeggen is dit. Als de poorten der hel de gemeente niet zullen overweldigen, dan bewijst dat dat de kerk niet geringe machten tegen over zich zal vinden, die voor geen geweld terug deinzen. Poorten, afgebouwde poorten, en wie zal zeggen hoe vele tegenover een fundament met een in aanbouw zijnd huis. De overweldigende aanval echter zal niet gelukken.
Paulus
De tweede Evangeliedienaar, die wij willen noemen, is de man van de buitendienst, die het belijden van Christus overbracht naar de buitenwereld: aulus. Ook bij hem openbaring van de Christus, het hemels gezicht dat hij niet ongehoorzaam is geweest. Hand. 26 : 19. Dit ziet op het gebeuren in Damascus. In Hand. 22 : 21 bij een visioen in de tempel wordt Paulus geroepen tot heiden apostel. Er is dus bij Paulus de persoonlijke betrekking op Christus, ontstaan in de persoonlijke ontmoeting, eerst in zijn bekering, daarna in zijn roeping tot de dienst aan het heidendom, de buitenwereld. Hij vat in zijn verantwoording voor de Joodse Raad zijn zijn en zijn werk samen in „de hoop en de opstanding der doden".
De aanvang van zijn werk in de Corinthische havenstad vat hij samen als de verkondiging van de getuigenis Gods, waarin hij zich onder hen niet voorgenomen heeft iets te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. 1 Cor. 2 : 1 en 2. De berichten, die wij van zijn dienst hebben in de Handelingen der Apostelen, leggen daar een duidelijk getuigenis van af. Als Paulus zich op ander terrein begeeft dan de Evangelieverkondiging, dan is het om in zijn onderhoud te voorzien, namelijk als handwerksman. Maar voorts staat zijn leven in het teken van het 'Wee mij indien ik het Evangelie niet predik'.
Jezus zélf
Van de twee dienaren van het Evangelie aan de origine van hun dienst, kom ik tot de Bedienaar van de ware tabernakel Jezus en wel zoals Hij Zichzelf presenteert en openbaart in Openbaring 1. Dat is dus in dat boek, dat de kerk der eeuwen overziet van de Apostelkring in de eerste Christelijke gemeenten af tot aan het eind der eeuwen. Om aan Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten in de lijdzaamheid van Jezus Christus. Hij vertoont Zich als Degene, Die leeft en Die dood geweest is, wandelend tussen de zeven kandelaren, dit zijn de zeven gemeenten en houdend zeven sterren in Zijn rechterhand, welke zijn de zeven angeloi, de zeven verkondigers der zeven gemeenten. Men kan zeggen dat deze gemeenten slechts klein Aziatische gemeenten zijn, ook dat deze gemeenten versteend en gestorven zijn, maar van hier uit is het Evangelie wel gaan lopen naar West en weerom naar Oost. Dit is zeker Christus wandelt van kandelaar tot kandelaar, dit is zeker, waar het Evangelie ook gaat, Christus houdt de lampen brandend en Christus draagt de sterren. En een kandelaar is er om te branden en een ster is er om te lichten. Maar alleen als Hij wandelt, alleen als Hij in de hand houdt.
Het leven van de gemeente
En nu kom ik aan mijn laatste: de verhouding van óns belijden en het leven en werk van de gemeente. U denkt aan Mattheüs 5 : 16: Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij Uw góéde werken mogen zien ... en Uw Vader, Die in de hemelen is verheerlijken'. Terecht. De kandelaar moet branden. Christus is het licht. De sterren geven Zijn licht. De kandelaren geven Zijn licht. Het Credo noemt als enig bezit der kerk: de vergeving der zonden. Dan mag men in één adem noemen het nieuwe leven, de lijdzaamheid der heiligen. Werken alle werken van geloof, alle werken ook van hoop, alle werken ook van liefde. In de voetstapjien van de Meester gaan: od geven wat Godes is, de keizer geven wat des keizers is. In de voetstappen van de Meester gaan, werken met al onze mcaht, al onze gaven wijden aan God, aan de naaste, aan de kerk, aan de staat. Groen van Prinsterer heeft gezegd: de beste christen is de beste burger. Als wij boven anderen gesteld zijn: echt doen en gerechtigheid. Als wij onder anderen gesteld zijn: echt doen en gerechtigheid. Recht doen — geen recht zoeken. Aller dienaar zijn als wij hooggeplaatst zijn en als wij laag geplaatst zijn.
In de voetstappen van de Meester gaan: kruisdragen — vrolijk kruisdragen. Bidden voor die u vervolgen, zegenen die u kwalijk behandelen; Dat geldt predikanten, dat geldt gemeenten. Een christenleven is: arm zijn van geest, treuren, zachtmoedig zijn, hongeren en dorsten naar gerechtigheid, barmhartig zijn, rein van hart, vreedzaam zijn, vervolgd worden om der gerechtigheid wil, gesmaad worden om Zijnentwil, en zich dan verblijden en verheugen.
Dat is zaligheid hier en nu! Dat geeft loon in de hemelen!
Sirjansland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's