Pinkster verbod?
mijn heer Mozes! verbied hun! Numeri 11 vers 28 b.
Het waren spannende dagen geweest voor Mozes; dagen die hem zouden heugen. Voor de zoveelste maal had het volk Israël openlijk zijn misnoegen te kennen gegeven; murmureren heet dat, en het is als hoort u de woorden door de legerplaats ritselen als dorre bladeren.
Wat deugde er nu weer niet? Ze hadden toch brood, dagelijks vers brood? Ze hebben geen vlees, en dat lusten ze zo graag. Vroeger, in Egypte, daar was het een vetpot! Mozes is zeer zachtmoedig en hij is wel wat gewend, maar dit is hem te bar, te ondankbaar. Moet hij het volk soms dragen, als een vader zijn zoon, de baker het kind? Het wordt hem te zwaar. Heere, klaagt hij, ik kan het niet meer aan, en het is toch mijn volk niet. Eigenlijk dreigt hij met ontslag.
De middelaar van het oude verbond schiet hier duidelijk te kort, maar wie zal het hem kwalijk nemen? De middelaar van het nieuwe verbond werd het nooit moe. Hij liet zijn volk nooit los, al kostte dat Hem Zijn leven. Daarom is het nieuwe verbond beter dan het oude. Als Jezus eens ... Maar nee. Hij is meer dan Mozes. De Heere neemt het voor Mozes op en helpt hem metterdaad. Israël is Zijn volk; Hij riep Mozes om hun leider, hun herder te zijn. Hij laat hem niet vallen, al valt hij ons tegen. Hij neemt ingrijpende maatregelen. Zeventig oudsten, mannen dus die al enige verantwoordelijkheid dragen, zullen Mozes voortaan ter zijde staan. Een raad van bijstand. Zij worden aangewezen en uitgenodigd om naar de tent te komen. Daar scharen zij zich in een kring, om, waarschijnlijk bij een offerfeest in hun ambt bevestigd te worden. God zal dat zelf doen en heel Israël zal weten, dat het mannen Gods zijn. Zij zullen niet slechts de last van Mozes mee torsen, zij zullen delen in de Geest die Mozes had ontvangen. Zo geschiedt het; de zeventig ontvangen de Geest des Heeren. Zo waren ze bekwaam om hun werk te doen, naast en met Mozes. Op hun gemeenschap met Mozes valt de nadruk. Met u — vers 17 — Eensgeestig met u.
Het is een vingerwijzing naar, een voorspel van Pinksteren. De Geest des Heeren was op Christus, het was de Geest van Christus. De gelovigen ontvangen de Heilige Geest in gemeenschap met Hem. Niet dat Christus wat van die Geest aan hen afstaat, zomin als de Heere Mozes wat afneemt om het die zeventig te geven. Nee, de volheid van de Geest, naar de mate die ieder nodig heeft, wordt in de eenheid met Hem gegeven. Dat moeten wij niet vergeten. De Heilige Geest wordt niet buiten Christus om gegeven. Waarom wordt gij een Christen genoemd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en zo Zijn zalving deelachtig ben. Hij is de met de Heilige Geest gezalfde.
Die zeventig mannen raken in geestvervoering: zij profeteren. Het is niet met zekerheid te zeggen, wat we hieronder moeten verstaan. Het duidt, dunkt mij, wel op een geestdrift — een door de Geest gedreven zijn— in tong en taal, het uitstoten van geestvolle klanken en woorden. Extase. Ze treden buiten zichzelf, ze doen dat slechts voor even. Het is een teken van de macht van de Geest, die hun geschonken is en die hen helemaal beheerst.
U merkt wel, dat er enige overeenkomst is tussen wat hier plaats vindt en wat met Pinksteren onze aandacht trekt. Wij moeten aan deze verrukking, letterlijk weggerukt, meegesleept worden, niet té grote waarde hechten. Van Mozes lezen wij het niet, evenmin trouwens van Christus. Duidelijk wordt in ieder geval, dat deze mannen van God de macht voor hun taak krijgen — de kracht van de Heilige Geest komt over hen, — en dat zij God verheerlijken.
Dit alles speelde zich af bij de tent der samenkomst, waar de Heere in een wolk verscheen. De zeventig waren er nauw bij betrokken, en heel het volk was er getuige van. Zeventig, leest u herhaaldelijk. Welgeteld zijn het er achtenzestig. Twee ontbreken op het appèl. Zij hebben, om ons onbekende redenen geen gehoor gegeven aan de uitnodiging en zijn in de legerplaats gebleven. Ze waren wel wettig gekozen om zitting te nemen in de raad van bijstand. Het zijn geen twee willekeurige mannen, ze behoren tot de zeventig oudsten.
Daar komt een jongen aangehold! Hij vertelt hijgend het nieuws: Eldat en Medad profeteren in het legerkamp. Kennelijk vindt hij dat vreemd. Eldad en Medad, waren de twee, die niet naar de tent gekomen waren. Ze dragen mooie namen: God bemint en Gods beminde. De Heere heeft ook hen Zijn Geest gegeven, het volk hoort hen in hun midden spreken, roepen, juichen. Die jongen vertrouwt het' niet, daarom loopt hij naar Mozes. Klopt dat wel?
Jozua is, als hij het verneemt al even verontrust. Dat kan niet! Dat is buiten de orde. Hier geeft de Heere Zijn Geest, hier wordt geprofeteerd. Hier, waar de Heere is en waar Mozes is. Daaraan is het pro feteren min of meer gebonden. Het staat hun dus niet vrij om in de legerplaats te profeteren. Mozes is dat stellig met hem eens. Hij moet het hun verbieden! Jozua laat de Heere niet vrij, om Zijn Geest ook aan die twee te geven, die zich niet gemeld hebben, dat is het! Hij houdt de orde hoog. En terecht. God is een God van orde. Hij ziet het gezag van Mozes hier ondermijnd. Mannen, los van Mozes, dat nog niet. En, inderdaad, het gevaar van miskenning en verwarring is niet denkbeeldig. Jozua komt voor Mozes op. Hij komt voor het ambt op. Geestvolle woorden mogen alleen in de vergadering van de zeventig, onder voorzitting van Mozes gesproken worden.
Dit is ontoelaatbaar. Verbied het hun, belet het hun. Dat is later nog eens vertoond: Wij hebben hem verboden, omdat hij ons niet volgt. Legt u Markus 9 vers 38 - 40 maar eens naast Nummeri 11 vers 26-30! En dat herhaalt zich in de geschiedenis van de kerk. Nu mag hier geen misverstand post vatten. Orde, ook kerkorde, en ambt dienen geëerbiedigd te worden. Men mag de Geest niet uitspelen tegen de order en tegen het ambt. Dat blijkt ook niet mogelijk. Wat God samenvoegde mogen wij niet uit elkaar trekken. O wee, als we daarmee beperkingen opleggen aan het profeteren, dat is aan de Geest!
Het geestelijk leven, dat is het leven door de Geest, vindt orde en vorm. Het is de dienst van God, in de verbanden, door Hem bedoeld. Maar als de godsdienst nu eens vormendienst wordt? En als de orde, nu eens geesteloos wordt? Waar de Heilige Geest wijkt, zweren de mensen nog geruime tijd bij orde en vorm en term. Het is alles zo dood; de wind waait er niet en het vuur brandt er niet. En toch hemdhaven wij ons; wij graven ons in.
Soms ben ik bang, dat de kerk, dat onze gemeenten veelzins dat beeld vertonen. Pinksteren! En we rakelen wat dove sintels op. Tegelijk, en waarschijnlijk daarom, zijn we wantrouwend als buiten eigen groep en kring, geprofeteerd wordt. Als de angstige stilte wordt doorbroken. Mensen gaan getuigen, ouderen, jongeren.
We wegen en meten hen. We smoren de stem, omdat we bezwaar hebben tegen de manier, tegen de plaats, tegen... Het komt hierop neer: Verbied hun. Een pinksterverbod! Met de beste bedoelingen. Dat kan niet, dat mag niet. Overweegt u eens, of zo'n verbod geen domper zet op Pinksteren, of wij zo doende de Geest niet uitblussen. Dan zouden we met de beste bedoelingen, de Geest bedroeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's