Pinkstergebed
Och, of al het volk des Heeren profeten waren. Numeri 11 vs. 29.
Dat kan Mozes niet goedkeuren denkt Jozua. Gelijke monniken, gelijke kappen. Die twee, Eldad en Medad hebben zich te voegen bij de zeventig. Het profeteren is aan plaats en kring gebonden. Nu treft het ons, dat Mozes dit verzoek: Verbied hun, hem niet in dank afneemt. Hij voorziet de ijver van Jozua van een groot vraagteken. Komt Jozua voor Mozes in het geweer? Meent hij, dat diens eer en aanzien gevaar loopt? Maar dat is immers niet nodig, daar zal de Heere wel voor zorgen. Dat is later ook gebleken, toen Korach, Dathan en Abiram in opstand kwamen tegen Mozes of zelfs, toen Aaron en Mirjam wat op diens gezag durfden afdingen. De Heere neemt het dan voor hem op.
Hier is trouwens geen sprake van verzet tegen Mozes. De Heere schenkt Zijn Geest, en Hij doet dat ook zonder de tussenkomst van Mozes. Waarom toch die ijver? Mozes zoekt zijn eigen eer niet, hij wil niet overal in gekend zijn, hij zoekt de eer des Heeren in het leven van het volk des verbonds zoals de Heere Jezus de eer zocht van de Vader. Die Hem gezonden had! Nemen wij daaraan een voorbeeld. Wij zijn vaak zo bezorgd voor onze eer! Wee, wie daaraan te kort doet. Ook onze 'ambtelijke' eer. Wij moeten erkend worden! Wij zien het graag dat anderen voor ons ijveren, we zoeken aanhang en bijval. En hoe vroom wij het soms inkleden, het eigen ik laat zich raden en gelden. Wat minder krampachtig, kan toch ook, en wat minder gewichtig.
Mozes is van Jozua's ijver niet gediend, net zo min als Jezus het was met die van Johannes. Mark. 9 vs. 39. Hij betreurt het optreden van Eldad en Medad niet. Integendeel, het is een hoopvol teken van een vurig verbeide toekomst: de vervulling van een hartewens. Een pinksterverbod is hier niet op zijn plaats. Mensen die ons niet volgen, die anders en elders profeteren — gaf de gemeente daar soms aanleiding toe? — zullen wij de mond niet snoeren, ook vandaag niet. Wij zoeken niet het onze, maar hetgeen van Christus Jezus is. Daaraan moeten wij de profetie toetsen. Er is kaf onder het koren. Werpt kaf en koren niet op één hoop.
Ons wordt tegenwoordig vaak gevraagd: Wat denkt u van die beweging; wat vindt u van die vergadering. Vóór we antwoorden, zullen wij er rekenschap van geven. Waarvoor we ijveren. Zijn het zuivere beweegredenen, die ons tot het een of ander oordeel brengen? Rekenen wij met de mogelijkheid dat de Heilige Geest werkt? Al oordelende worden wij veroordeeld. Hoe gaat het er in de christelijke gemeente naar toe, onder de ambtsdragers, onder de gemeenteleden. Leeft onze jeugd bij en met u naar het Woord des Heeren? Verenigen zij zich in gebed, gaat hun en ons getuigenis bevrijdend uit naar de gebondenen? Dat zal ons voorzichtig maken in ons oordeel.
Mozes koesterde een hartewens: Och was heel het volk des, Heeren, profeten! Het verbondsvolk waarop de Heere beslag legde. Profeten? Hoe dan? Doordat de Heere Zijn Geest op hen gaf. Die wens is een bede, een Pinkstergebed. Hij wil het getal niet zo klein mogelijk houden, opdat hij daar de ereplaats zou innemen. Hij begeert, dat heel het volk des Heeren vervuld zou worden over en gedreven zou worden door de Geest des Heeren. Dan pas zouden zij als volk des Heeren profeteren. God groot maken, gezegend en ten zegen. Wie wist, dat Mozes met een zo veelomvattend en verstrekkend verlangen rondliep. Jozua's verzoek, lokt hem uit zijn tent: Och, dat . . . .
Die wens is vervuld. Kon Mozes niet over de Geest des Heeren beschikken, Christus kon het wel. Hij heeft de levendmakende Geest verworven om die weg te geven. Op grote schaal! Petrus beleeft het, het wordt feest voor hem, Pinksterfeest. Hij spreekt over Christus. Nadat Deze de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft Hij die uitgestort. In die belofte zijn vele beloften begrepen; ik noem er een paar: zij zullen Mij allen kennen. Ik zal hun enerlei hart geven en zal een nieuwe Geest in het binnenste van hen geven. Vooral de belofte van Joel: En daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitgieten op elk vlees. Mozes voelt de eerste drupppels van een overvloedige regen! Dan wordt er geprofeteerde Dan valt de nadruk, met Pinksteren, niet op het buitengewone, maar het buitengewone wordt door het gewone opgevangen. Er wordt gepreekt. Christus wordt verkondigd, geprezen, aangeprezen. Daarin is de Geest werkzaam. Het zijn geen dode woorden, die worden rond gestrooid. Het zijn woorden vol van leven. Och, dat heel het volk des Heeren, de dienaren van het woord vooraan, de ambtsdragers vooral, de ouderen en de jongeren samen, profeten waren. Het getuigenis is niet voorbehouden aan enkele, het wordt door velen gegeven.
Dan wordt er gesmeekt: Wat zullen wij doen. Dat is ook profeteren. Mensen worden gedoopt, ze volharden in de leer, in de gebeden, in het breken van het brood. De gemeente is een Pinkstergemeente, de Geest drukt zijn stempel op het profeteren, dat daarom tot eer van Christus is.
Wat een doorbraak! De Geest brak door de wand, de muur heen, die Israel en de heidenen gescheiden hield. Ook zij ontvangen de Geest, nadat zij tot geloof kwamen. Sindsdien vervolgt het woord, hoe vaak ook ter aarde geworpen en vertrapt, zijn loop. De Geest stroomt als wassend water door de wereld. Volkeren buigen voor de Vorst en Gebieder der volken. Heel het volk des Heeren, uit Israel en de heidenen, wie had het kunnen vermoeden? Mozes vermoedt er iets van, blijkens zijn woorden. Christus wist er alles van. Hij nam Mozes' gebed over in zijn gebed dat verhoord werd, nadat Hij was verhoogd. Hebt u daar met Pinksteren uw vreugde aan beleefd?
Mozes verzuchting is dus achterhaald, zijn gebed overbodig geworden. Ik denk van niet. Kijken wij rond in gemeente en gezin, dan hebben wij vóór alle dingen de Heilige Geest nodig. U stemt dat toe, terwijl u er zo zelden om vraagt. Bidt u mee? Wat een dorheid, wat een doodsheid heerst er onder ons. Zeker, we hebben ambt en dienst. Wees er dankbaar voor. Maar hoe arm, hoe stil, hoe leeg, als de Geest daarniet in bezig is. Het is dan net een bedding, — en wij doen ons best die in goede staat te brengen en te houden — waar dan geen water stroomt. Dat moet ons verdrieten, dat maakt ons bescheiden. Horen we van profeteren, dan zullen wij daartegen niet meteen fel uitvaren, of het heftig verbieden. De Geest graaft zich een eigen bedding, dat kan ook. Het water vloeit misschien wat oppervlakkig, en de stroom mist diepgang. Ook dat kan.
Och, of... Wat buiten de orde is, worde niet tot de orde geroepen op hoge en scherpe toon. Het wordt tot de orde gebeden. Och, of heel het volk des Heeren, in de gemeenschap der heiligen, ieder met eigen gaven, krachten en vruchten des Geestes profeten ware. Wij zullen ons zo om Mozes scharen; en met hem mee doen. Niet met een machteloos: 'och mocht', maar met een: 'och, of' dat vol verwachting is. Het werd immers Pinksteren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's