Onderling verkeer
Openingswoord Jaarvergadering van de Get. Bond, 1975 op 21 mei te Nijkerk.
Als ik u voor heden slechts enkele practische raadgevingen wil doen, dan betreffen die vooreerst onze predikanten, dan ook onze kerkeraden, dan ook onze gemeenteleden. Waar de Gereformeerde Bond de kerk wil dienen, zijn hiermee tevens de afdelingen van de Bond en de leden hopenlijk gediend in hun staan en dienen in de kerk.
Wil de kerk een pilaar en vastigheid der waarheid zijn, dan moet de waarheid, als de waarheid Gods, voor ons onaantastbaar zijn. De kerk heeft daarvoor het Woord Gods, dat als een gewrocht en geschenk van den Heiligen Geest niet aan onze beoordeling gegeven is. Daarvan hebben wij slechts dienaren te zijn, met geheel ons hart, met geheel ons verstand, met geheel onze kracht. De kerk heeft haar dienaren daar in meegegeven een geloofsregel, een spreekregel, een leefregel in haar belijdenis. Revisabel als de belijdenis is aan Gods Woord, is zij wel niet onaantastbaar, maar zij heeft voor ons grote en geldende en bindende waarde, waar zij op een zeer bijzondere wijze uit de Schriften getrokken is en met vele Schriftbewijzen gestaafd is.
Boven ons onderlinge verkeer in de kerk staat dus de Schrift als het onaantastbare in de belijdenis als de voor ons vaste richtlijn voor geloven en leven. Daarnaar wensen wij ons te richten in het orde leven, daarnaar wensen wij ons te richten in onze prediking, daarnaar wensen wij ons te richten in onze eredienst, in onze liturgie. Alles uit en naar het Woord. Alles naar de belijdenis. Alles in het geloof.
Niettemin zijn daar onder de predikanten, onder de ambtsdragers, onder de leden der kerk, maten van kennis en van geloof, maten van bekwaamheden en prestatie. Daar is voor eerst het verschil in jaren: een jong mens moet ingevoerd worden in de kennis van hét Woord Gods en in het geloof. Vooropgesteld dat voor elk mens noodzakelijk is de bekering tot God en de vernieuwing van hart en leven. Zo alleen kan iemand waarlijk een levend lidmaat der kerk zijn. Zo alleen kan iemand waarlijk ambtsdrager in de kerk zijn. Zo alleen kan iemand waarlijk een geroepene zijn tot het wondere ambt van dienaar des Woords. Maar nu die graden!
Voor ons staat de gelijkenis der talenten. Die geldt voor de predikanten, voor de ambtsdragers, voor de gemeenteleden. Mattheüs 25 spreekt van vijf talenten, van twee talenten, van één talent. Die zijn zo verdeeld, zo staat er, 'naar ieders vermogen'. De man met het ene talent krijgt niet meer, omdat hij niet meer kan dragen, niet meer kan beheren. De man met de twee talenten krijgt het dubbele, omdat hij eens zo veel kan als de man met het ene talent. En de man met het vijfvoudige krijgt het vijfvoudige, omdat hij vijfmaal zo veel kan als de een en twee en een half maal zo veel kan als de ander. Elk talent is dus op zichzelf van gelijke waarde. Let op het kleine, wat doorgaans niet gegeven wordt: één en tweede man met de vijftalenten springt er ineens uit. De mogelijkheid van de drie en vier talenten wordt buiten beschouwing gelaten. Ik laat nu de gelijkenis rusten.
Wat voor ons van belang is, is dat de Heere bedeelt met verscheidene maten van kennis, van geloof, van geloofskennis van geloofsdiepte. Een grote maat kan vol zijn, een kleinere maat kan vol zijn, de kleinste maat kan ook vol zijn. Het zal voor u duidelijk zijn dat de maten, waarmede de Heere in Zijn kerk mensen bedeelt, geldt voor predikanten, voor ambtsdragers kerkeraadsleden, voor gemeenteleden. Het gaat ons nu niet om de wijze, waarop er met deze talenten gewerkt en gewoekerd wordt, maar alleen om het feit, dat God zo in maten toedeelt.
Zien wij dat? Zien wij dat in de kerk, dat de maten van God zijn en van God bepaald zijn? Houden wij ons tevreden met de maat, die God óns geeft? Werken wij met de maat, die God gegeven heeft? Voordat wij het hebben over de erkenning van elkander en voor elkanders gaven, de vraag of wij van ons zelf en voor ons zelf erkennen de maat, die God óns gaf! Er is al veel gewonnen in de onderlinge verhoudingen, als iemand zich het zijne en het hem toegemetene ziet en waardeert. Dat zal al veel afgunst, veel jaloezie — een lelijk ding in de kerk, een lelijk ding in het koninkrijk Gods — doen verdwijnen. Let u er wel op, dat de kleine maat — één talent, twee , talenten — het normale is. Drie en vier talenten worden in de gelijkenis overgeslagen. In de kennis, die God in Zijn koninkrijk geeft is het grote, de vijf talenten uitzondering. In de bijbel is er maar één Hogepriester tegenover vele priesters en vele Levieten. In de bijbel zijn er maar twaalf apostelen tegenover zeventig en honderd en twintig discipelen.
In de kerkgeschiedenis zijn er maar weinig kerkvaders en reformatoren. In de kerk zijn er maar weinige professoren tegenover vele leraren en nog meer ouderlingen en diakenen. Èn het is goed! Wij zijn doorgaans maar kleine mensjes, waarmee God nochtans het Zijne wil doen. Een ieder zij dan maar vergenoegd met hetgeen hij is. Wel wordt van de man met het ene talent verwacht, dat hij er al zijn kracht aan wijdt, evenveel kracht als degene, die de twee of de vijf talenten heeft te beheren. Men kan één talent begraven in een zweetdoek, men kan het ook de vijf talenten doen. Zoals men tevreden moet
Vervolg op pag 277
Vervolg van pag. 272
zijn met het zijne (maar er wel evenveel bij heeft te winnen!), moet men ook tevreden zijn met de plaats, die God ons in de kerk geeft. Het beroepen en het vergaan van plaats naar plaats heeft nogal wat bezwaarlijke kanten, 't Is vaak een bron van onrust, van getemperde werklust. Groot respect voor hen, die jaren dezelfde gemeente dienen, voor hen, die zelfs hun leven lang' dezelfde gemeente dienen. Zij zijn genoodzaakt om altijd maar door te gaan in hun studie en in hun preekwerk.
’k Wil niets af doen van het feit, dat God anderen dubbel of vijfmaal bedacht, maar zien wij wel op de gewone wijze van Gods doen in de kerk: de kleine maat? Dat is Gods regel. Is dat onbillijk, dat wij altijd naast het grote grijpen in de predikkunde, in gaven, zelfs in geloofsmate? Wolfert Floor heeft eens geschreven, over geloofsmate: 'Gij moet niet zeggen, omdat ik alles niet heb, heb ik niets'. Wij moeten de dingen geloven — zonder meer — maar daarin zijn toch ook maten. Het kan ook nog zijn, dat de man met het ene talent in kennis en in spreekgaven, wel vijf talenten heeft in geloofsinzicht. En het kan ook zijn dat de man met de vijf talenten in kennis en capaciteiten maar één talent in geloofsinzicht heeft. Wat ik maar zeggen wil is dit: Is dat nu juist, dat beroepen uitgebracht worden in rijen op bepaalde bevoorrechten en dat vaak eenvoudige, trouwe, oprechte mannen zo vergeten worden? Moesten wij als collega's, moesten wij als kerkeraden, niet veel meer uit zijn op een verantwoorder werk-, taak-en plaatsverdeling ?
Ik wil nog niet eens alles zetten op het ene talent of de twee talenten, want die talenten zijn opzichzelf gaaf en volwaardig, maar let ook nog eens op de mindervalide mensen, de man met het lichaamsgebrek, de dove, de blinde, de kreupele en vul maar verder aan: vergeten wij ze niet? Neemt een krachtige predikant ook de zwakke collega bij de hand? Geeft hij hem de voorrang in het predikbeurten rooster? Tracht hij de man, die lichamelijk of geestelijk niet zo mee kan, voorrang te verlenen in achting, in waardering? Leven wij als predikanten onderling, leven wij als kerkeraadsleden onderling zoals het christenen betaamt? — Wat worden predikanten veel besproken in hun wel en in hun wee. De Heere God, de bijbel, de waarheid Gods worden wat verdrongen in de kerkelijke conversatie door de dienaren, hoog of laag. Is dat nu goed om bepaalde predikanten zo te prijzen? Is dat nu goed om bepaalde predikers zo te laken? Is dat nu goed om een groot aantal predikanten zo te vergeten? — Al moet ik zeggen, dat het vergeten worden nog geen onveilige hoek der kerk is. Dan kan zo iemand rustig en ongemoeid werken! Ik kom aan een teer puntje. Het geloofsbezit van een predikant.
Vooropgesteld moet zijn, zoals wij aan het begin reeds deden: voor elk mens — en zeker voor een predikant — is noodzakelijk de bekering tot God en de vernieuwing van hart en leven. Wat wordt er vaak geoordeeld over het geestelijk leven van een predikant, soms zelfs een vernietigend oordeel over alle predikanten tezamen, of over vele predikanten. Met één handbeweging. En wat wordt er anderzijds vaak lichtvaardig het wèl uitgesproken over predikanten. Naar het woord van Petrus moeten wij te allen tijd bereid zijn verslag te geven van de hope, die in ons is. En bovendien geloof, persoonlijk geloof, wil beleden zijn, ook door een predikant, die beroepsmatig zoveel met de dingen bezig kan zijn, dat er van een per soonlijk getuigen niet zo veel komt. En wat te denken van vaak grote mannen, ook in het geloof, die niet over zichzelf spreken, nooit over zichzelf spreken? En wat te denken van bekommerde harten, van stille worstelaars, ook onder de dominees? Ik de eens in één onzer steden huisbezoek bij een vooraanstaand emeritus stadspredikant, en vroeg hem naar zijn geloofs-en gebedsleven en deed een gebed met hem. De hele man was in tranen: hij had nooit huisbezoek gehad. Zou daar niet een taak voor ons liggen, om het kleine, zwakke, bekommerde in een predikantenhart op te vangen en op te kweken? En stel al dat een predikant onbekeerd is, wie bekommert zich om 's mans staat, wie bekommert zich om 's mans lot?
Constateren het feit, dat onze collega of onze dominee er buiten staat, dat legt een taak op ons. Wie een zondaar bekeert van de dwaling zijns weegs, die zal een ziel behouden, wie een leraar bekeert van de dwaling zijns weegs, die zal mogelijk ettelijke zielen een oorzaak van zaligheid zijn.
Ik kom aan de manen met de vijf talenten, met de twee talenten, met het ene talent in de kerkeraad. De man met de vijf talenten kan misschien wel ter tale zijn in de kerkeraad, maar letten wij er wel op, dat in de raad der kerk, de stem van de beginneling zo wel een stem is als van de ervarene? In de raad der kerk is het roeping en plicht, dat de hele raad zich uitspreekt over een zaak. In de raad der kerk moet de gelegenheid geboden worden, dat een bescheiden beginneling léért spreken. De zware stem moet getemperd worden, de zwakke stem van de verlegenè moet versterkt en aangemoedigd, moet geoefend worden. En wat het werk betreft: voor de ouderling zowel als voor de diaken — die gaarne paarsgewijze zullen werken in de gemeente-geldt mutatis mutandis dat wat wij t.a.v. de predikanten zeiden: opvangen het zwakke, erkennen het bescheiden werk van de man met het ene talent of van de man met de twee talenten. En voorts ook de staat, de geestelijke staat van de ouderling, die worstelend zijn weg gaat, of van de diaken, die geestelijk van verre staat, erkennen. De man opvangen in wat hij heeft te dragen in wat hij niet heeft. Draagt elkanders lasten en vervult alzo de Wet van Christus. Als wij, ambtsdragers en gemeenteleden, alzo leven met en voor elkander, dan zal onze ervaring zijn, dat de zegenende ziel vet gemaakt zal worden. Wie in zegeningen zaait, zal in zegeningen maaien. Waar men ook nog wat in geloof verwacht, daar zal de Heere dat geloof en die verwachting ook niet beschamen. Het is niet zo best, als wij van de Heere denken, dat Hij niets wil en dat Hij ook niets doet. Hij doet het niet óm ons geloof, maar wel óp ons geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juni 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's