J. Quintius en zijn Wraecktoneel over Neder-landt (1659)
Minder bekende oude schrijvers
2
Krijtende zonden
Liever had ik op de fluit gespeeld, zegt Quintius, doch ik werd tot mijn leedwezen genoodzaakt de 'Rou-basuyne' op te heffen en alarm te blazen. Ik heb nl. verscheidene malen de sterke winden van Gods gramschap horen waaien en ik voorzie nog meer onheilen. Nederland ligt verdronken in 'grouwelen en sonden', het zijn roepende ofwel 'krijtende' zonden.
Ik heb niet het woord gegeven aan mijn eigen gedachten en opvattingen, neen, ik heb de Schrift laten spreken. De vruchten die ge in dit boekje vindt heb ik geplukt uit de 'Thuyn en Lust-Hof' van Gods Woord. Mijn oogmerk is een reformatie, te weten van het hele volk maar ook van uwe zielen. Een 'uyterlijcke en een inwendige Reformatie'.
De tekst die Quintius behandelt is Jeremia 18 : 11 'Nu dan, spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: o zegt de HEERE: iet, Ik formeer een kwaad tegen u, en Ik denk tegen u een gedachte; zo bekeert u nu een iegelijk van zijn boze weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed'. 11 Zonden worden door Quintius genoemd, waaraan het volk in zijn dagen volgens hem mank ging. Wij noemen ze hier in de volgorde die hij er zelf aan gegeven heeft: nkunde, hovaardij ik kleding, zorgeloosheid, dronkenschap, vloeken en zweren, bondsbreuk, verachting van de dienst en de dienaren des Woords, hardnekkigheid in zondigen, sabbatschenden en ondankbaarheid. Het is al met al een heel register.
Wie ook maar enigszins thuis is in de prediking van de mannen van de Nadere Reformatie vindt in dit zondenregister veel wat hem bekend voorkomt. Vooral de prediking tegen luxe in de kleding en die tegen de sabbatschennis is typisch voor deze mannen. Alleen al het feit dat Quintius ze aan de orde heeft gesteld en ze behandeld heeft, wijst er op dat hij als jong predikant een goed leer/ing is geweest van Voetius, Hoornbeek, Lodensteyn. Van den Bogaert, van de Velde en andere, die in die dagen in Utrecht en elders de toon aangaven.
Wij doen nu een greep uit het geheel van zijn relaas. De zonde die daarin het eerst scherp gelaakt wordt is die van de onkunde, de rnoedwillige onwetendheid. Niet dat Quintius eist dat iedereen op de hoogte zal zijn van wat hij noemt de subtiele en diepzinnige kwesties van de Gereformeerde religie. Maar érg is het toch wel als men soms niet eens weet dat God één is in wezen en drie in Personen en rustig zegt dat er drie Goden zijn, en dat men nauwelijks enige kennis heeft van de Heere Jezus Christus en van het heil dat in Hem is. Mogelijk is de jonge dominee al in de eerste jaren van zijn ambtspraktijk dergelijke ergerlijke gevallen van onkunde tegengekomen onder zijn Tielerwaardse hoorders. Op zo'n levendige wijze worden hun dwaze redeneringen in zijn boek weergegeven dat het haast niet anders kan of zij gaan terug op eigen ondervinding. Als men niet eens weet wat toch beslist tot de zaligheid nodig is, zegt hij, hoe kan men dan behouden worden? En dan luidt zij il advies in bloemrijke taal: Klim toch langs de steigbeugel van de geestelijke godgeleerdheid op het witte paard van de heiligmaking om de weg in te slaan naar de hemelse woningen.
Ook de a; l genoemde luxe in kleding, door hem hovaardij genoemd, zat hem dwars. Die 'opgepronckte poppen der wereld'! Of hij er in Herwij nen en in Hellouw zovele zal tegengekomen zijn, wij wagen het te betwijfelen. Maar in elk geval hij fulmineert er tegen. Deed Lodensteyn in Utrecht, waar men er wel meer gezien zal hebben dan onder de arme 'huysluyden' van de Tielerwaard, het niet ook?
En dan die zorgeloosheid. God zwaait met de 'swarte Vlagh' van Zijn dreigementen, maar men geeft er geen acht op. Overal in het land vindt men libertijnen, epicureeën, ware atheïsten, rijdende op de ongetoomde paarden van hun bedorven zinnen.
De zich dronken drinkenden, en die zulle er ongetwijfeld wèl geweeest zijn in de Waaldorpen, houdt hij voor: Eenmaal zult gij drinken uit de 'Tuymel-kroes' van Gods toorn.
Het vloeken en zweren is de plattelanders evenmin onbekend als de stedelingen. Men hoort het 'in herbergen, in schuyten en wagens'. Laat uw ziel er toch van gruwen.
Bondsbreuk! Denk aan de beloften gegeven bij uw doop. Velen denken, zegt Quintius, dat alleen God wat belooft bij de doop, maar zij vergissen zich, ook door henzelf is het een en ander beloofd. Wie het niet nakomt breekt het verbond. Ö Nederland, land van bondsbrekers!
Gods dienaren worden veracht, dat wil zeggen: de getrouwe. Men zwelt op als een pad of als een kikker als men een dominee hoort preken tegen de zonde. Soms probeert men hem te vangen in zijn woorden. En de hoge heren houden soms het tractement in, dan moet hij er om bedelen. Of zij onderhouden hem zo schaars dat hij nauwelijks zijn gezin kan onderhouden, om van boeken te kopen, en die heeft hij nodig, maar te zwijgen.
Menigmaal' wordt Gods Woord zélf veracht. De dominee zegt het niet mooi ge noeg. David heeft bij het Woord geleefd, lees Psalm 119. Hij was al een 'practisijn'. Hardnekkigheid noemden wij ook. Men leidt een zondig en ongebonden leven en men is er niet van af te brengen. 'O hertneckich Nederlant!'
Het sabbatschenden. Men zoekt zijn gemak, 's Zondagsmorgens worden de gordijnen van de bedstee nog eens extra toegetrokken, men slaapt een gat in de dag. Of men gaat handel drijven, of men gaat brood bakken, of men gaat bier brouwen, of men gaat een stukje land pachten, of men gaat als huisvrouw de was doen, of men gaat wat zitten naaien. Allemaal sabbatschenders.
Zo ook degenen die per zondag maar één keer naar de kerk komen, terwijl twee keer zou kunnen. Nog erger maken het degenen die naar de herberg gaan, of uitgaan met een 'Speelwaghentje', naar een zomerhuisje (U ziet: niets nieuws onder de zon) of naar een speelveld. Sommigen lijken vroom, zij gaan 's morgens eerst naar de kerk, maar dan... En verder heb je er ook nog die wèl in de kerk komen, maar helaas! met een hart van steen.
Ten laatste noemen wij de ondankbaarheid. Er zou wel 'een roock van lofsangen' mogen opstijgen, zoveel heeft de Heere ons geschonken. Heeft Hij ons land niet gered? Hij was de 'Krijghsman' die ons verloste. Maar ach, men is dat vergeten. Men spant samen tegen het 'Orangie-loofjen' (Willem III). God wil dankbaarheid! Ook voor het licht van het Evangelie dat hier is gaan schijnen. Hij zoekt op de 'Nederlantsche vlackte' 'reformatie-bloemen', maar zijn zij er?
Ach, de vromen worden bespot. Weet u hoe men ze noemt? 'Bybelsusters' en 'Pylaar-byters'. Soms gaan de dominees in dit alles voorop.
Ja de jonge Quintius had ook heel wat tegen op een deel van zijn collega's. Op de preekstoel lijken zij aardig wat te zijn, zegt hij, maar ga ze eens na als zij er af zijn, dan gaan zij mank aan tal van grove zonden.
Bekering
Bekering is het steeds terugkerend refrein in het boek van deze boetgezant. Gij hoge personages, bekeert u. Bij u zal het moeten beginnen. Wie een huis wil schoonmaken begint boven.
Gij dienaren des Woords, bekeert u. Ge moogt geen stomme honden zijn die niet blaffen. Vooral gij die de godzaligen bedroeft met uw levenswandel en omdat ge geen 'Sielwerck' op de preekstoel brengt, bekeert u.
Gij vaders en moeders, bekeert u. Voedt uw kinderen niet op voor de wereld, in pracht en praal, gaat ze voor in de vreze des Heeren. Laten uw gezinnen 'kleine gemeenten' zijn.
Gij rijken, gij armen, bekeert u. Gij allen, bekeert u!
Liefhebbers van het vaderland, treedt naar voren, toont de Heere uw aangezicht, bedrijft rouw. Gaat zitten voor de spiegel van Gods Wet en gaat dan alle dagen 'te hoof' bij de Heere, uw God. Laat uw ziel nat zijn van tranen gelijk een spons met water. Trekt tegen de zonde te strijde. Hebt een teer geweten. Reeds heeft de Heere een wraakzwaard in de hand, maar Hij wil nog genadig zijn. Ge zult moeten vasten en moeten waken en moeten bidden. Onhoudt u enige tijd van spijze of voor langere tijd van lekkere spijze. Neem wat af van uw nachtrust, om te bidden.
volging’. Het klinkt allemaal wat vlot in de mond van een jonge dominee. Maar wie zal na zoveel eeuwen nog over hem Vermaant elkander; doet de Heere geloften.
Is het niet of wij Lodensteyn zelf horen? Af en toe moeten wij denken aan 'nakunnen oordelen? Trouwens, er zit toch ook échtheid in. De arbeid van Voetius en de zijnen aan Utrechts academie en in Utrechts kerk droeg vrucht, ook in de verre Waaldorpen Herwij nen en Heilouw.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's