Moed
de Heere is mijn licht en mijn heil; voor wie zou ik vrezen? De Heere is mijns levens kracht: voor wie zou ik verwaard zijn? Psalm 27 : 1
Moet u zo'n man eens horen! Voor wie zou ik vrezen; voor wie zou ik vervaard zijn? Hij is blijkbaar niet bang, helemaal niet bang. En hij steekt dat niet onder stoelen of banken; het klinkt bijna uitdagend: Voor wie en nog eens: voor wie? Dat is kras gesproken, vindt u niet. En wat overmoedig. Daarom vallen wij hem meteen in de rede: maak dat eens waar! Wij vrezen immers allemaal, we zijn wel degelijk bang en geen klein beetje. De angst hiervoor, de angst daarvoor, als golven overspoelen de angsten het strand van ons leven. Voor wie? Voor alles en ieder. Bovendien, we houden niet van dit heldendom, dat eigen zekerheid zo, luid uitbazuint. Wie doet mij wat ? ?
Wij wantrouwen dit psalmwoord, het is te overmoedig, te krampachtig ook, geen mens die het volhoudt zó te spreken. Niet vrezen als... De vijanden wilden hem verslinden en vernielen, maar vóór ze hem bereikten, struikelden ze. Niet vrezen ... Een leger, een oorlog. Mijn hart zou niet vrezen. Diep in mij ken ik geen angst. En weer beduiden wij, dat hij beter 'n toontje lager kan zingen. Hij lijkt heel wat mans; straks valt hij door de mand. Zo'n groot woord klinkt ons als een hol woord in de oren. Het komt zo bij ons over, om deze mode-term eens te gebruiken. We zitten kennelijk op het verkeerde spoor, en vóór u, wat wrevelig verder leest, trekken we gauw de wissel om: De Héére is. De naam is het eerste woord van dit lied, hij wordt tot tweemaal toe genoemd. David kent die naam. Hij kent de Heere bij Zijn Naam. Hij heeft lang rondgekeken, dan, ineens, ziet hij het! De Heere is. Uit die kennis valt zijn moed te verklaren; hij schept als het ware moed uit de naam des Heeren. Aan die kennis ontspringt de dapperheid die uit zijn woorden spreekt. Hoe komt hij er bij? De Heere is. Dat is doorslaggevend, daaruit vloeit al het andere voort.
Goede moed, omdat de Heere met ons is, omdat Hij er is, en er zijn zal. Grote woorden, hoge woorden? Toch schieten ze te kort, om uitdrukking te geven aan de grote en hoge moed, die wij gewaar worden. Toch blijven ze beneden de maat van de Naam des Heeren, die grote en hoge Naam. Weet u wat het geheim van deze woorden is? De Heere houdt ons op de hoogte van Zijn Naam. Dan zingen zij in God verblijd. Nee, we roemen niet in eigen dapperheid, wij roepen de naam des Heeren uit: De Heere is. Wij spreken niet voor onze beurt, de Heere heeft het eerste woord en Hij nam het in ons leven. Het gaat niet zo gladweg als het zich laat lezen. Wij belijden eerst; daarna kan het lijden: Voor wie zou ik vrezen; voor wie zou ik vervaard zijn? Kleine mensen denken groot van de Heere, en spreken dienovereenkomstig. Vandaar de moed.
De Heere is mijn licht. ledere ochtend wordt het weer licht. De nacht ligt dan achter ons, met haar wat vage verschrikking; het licht stelt ons in de ruimte, het is bevrijdend. Zo beleven zieken dat, en kinderen. Aan zulke dingen denkt de dichter als Hij aan de Heere denkt. Hij is voor mij het licht; Hij schenkt het niet alleen, Hij is het. Hij schijnt als het licht, de naam is een duisternis verdrijvende naam. In die duisternis kan het raar spoken, en schrikbeelden trekken aan ons voorbij. Hij is mijn Licht. Wie de Heere zo benoemt, begroet Hem vol vreugde. Die zegt na, wat de Heere vóór zegt.
Licht en Heil. Weer dat bevrijdende. Wij worden vaak in het nauw gedreven. Verleden en toekomst keren zich tegen ons, en het heden raakt in de verdrukking. Het kunnen de dingen van het 'gewone' leven zijn, dat ons soms hoogst ongewoon voorkomt. De zorgen die ons bezwaren. Het kunnen de zonden zijn waarmee we het benauwd krijgen. We hebben een verleden en daarom ziet de toekomst er niet rooskleurig uit. Dat vergeet u toch niet, gemakshalve. Want dat gemak dient een mens niet. Wij wenden ons hierheen, daarheen. Waar is de uitkomst? En mijn heil. Zodra de Heere verschijnt. Zijn aangezicht doet lichten, mogen we herademen. Een hele opluchting, dat heil des Heeren.
De Heere is mijns levenskracht. Wat weet David veel van de Heere te vertellen, terwijl anderen dan met een mond vol tanden staan. Dat komt, omdat hij Hem kent. Alle goede dingen bestaan uit drie. De Naam is een goed ding. De kracht van mijn leven. Dat betekent niet: mijn energie, mijn vitaliteit. Het betekent de vesting van mijn leven; waarin ik mij terug mag trekken. Zij, die het op mijn leven gemunt hebben komen voor een gesloten poort, de brug is opgehaald, ik bevind mij in veiligheid, niemand die mij hier een haar kan krenken. De Heere neemt mij in bescherming; Hij is tegelijk mijn burcht en mijn toevlucht. In Hem ben ik getroost en gerust. Buiten God is het nergens veilig. Dat is ook iets om te onthouden.
Zie zo, nu weet u wie de Heere is. Wéét u het nu echt? En weet David het wel zeker? Hij ondervond het. De ondervinding is niet de grond van de kennis, dat is de openbaring. Maar openbaring en ondervinding hebben doorlopend met elkaar te maken. De Heere kennen, dat is eens en telkens weer: weten wat we aan Hem hebben. Menigeen weet dat kennelijk niet. Hij hoort er over, hij leest er van, de woorden zijn letters en klanken, meer niet. Daar kunt u dan niet veel van maken, vrees ik. En dat maakt nu net de ellende van uw leven uit: Hem niet kennen. U leert Hem kennen uit wat Hij doet, daar zingt David van.
Wat doet de Heere? Hij nodigt mij in Zijn hut, ik geniet Zijn gastvrijheid. Het gastrecht is heilig, het waarborgt mij algehele bescherming. Letterlijk: Hij verstopt mij — vers 5 —, Hij verbergt mij in het binnenste van Zijn tent, uitgespannen in het open veld. Alles dreigt en woedt, ik ben beveiligd. Hij verhoogt mij op een rots. Drie beelden voor geborgenheid: hier kan niemand mij kwaad doen. David schuilt niet in eigen hut, hij kruipt niet weg in eigen tent, hij trekt zich niet terug op eigen rots, o nee.
De Heere de eer! Versteken, verbergen, verhogen. De Heere grijpt in en helpt uit. De God des verbonds is de bevrijder van ouds hèr. Hij doet het nog, Zijn naam vestigt Hij in Zijn daden. En omdat Hij het doet, verrassend en verlossend, daarom behoeven wij niet te vrezen, daarom alleen. Wie er meer van weet, mag er meer van zeggen. Mag er van zingen. Een moedig lied, in de mond van een ootmoedig mens: De Heere is!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's