Vertrouwen
De Heere is mijn licht en mijn heil; voor wie zou ik vrezen? De Heere is mijns levens kracht; voor wie zou ik vervaard zijn. Psalm 27 vs. 1.
Wat de Heere is en wat Hij doet gaat duidelijk vóór en dat is maar goed ook. Het hinkende paard komt achteraan; dat ben ik met mijn vragen, met mijn vraagtekens die ik midden in de tekst plant, en op een andere plaats dan ze oorspronkelijk staan. Of doet u dat nooit? Het kan zo ver bij ons vandaaan en daarom zo vreemd en zo bleek blijven. De Heere? Mijn licht? Mijn heil? Mijn levenskracht?
Wel, dat mijn is niet het eerste. Wze de Heere is, dat is het eerste. Dat is Hij voor mij en van mij! De naam kan strak opgevouwen zijn, als een vlagdoek. Hier wappert hij breeduit als een banier. Weet u hoe hij zich ontplooit? In Christus Jezus. Wij geven elkaar geen algemene waarheden over God door; wij stellen u Christus Jezus voor, als de waarheid. Immanuel, met ons is God. De middelaar is in de naam! Hoe zou het buiten Hem om en los van Hem ooit waar kunnen zijn: mijn! In Christus wordt de Heere mijn licht, mijn heil — naar dit heil is Jezus vernoemd — mijn kracht. Want in Hem wil de Heere zich wegschenken. Mijn. Dat is ontvangen, wat gegeven werd, om het aan het hart te drukken.
Door de Heilige Geest. Die legt de Verbinding in het geloof. Het geloof heeft vat aan de naam, aan de Heere die hem draagt en er naar doet. Is de Heere zo? vraagt een verootmoedigd hart vol verwondering. En dat voor mij, hoe kan het? Het is goed tussen ons, daarom mag ik welgemoed zijn. De Geest leidt immers in alle waarheid. Dank zij Zijn werk wordt het waar. Zodat u volhoudt: En tóch is het waar: de Heere is mijn licht, heil, kracht.
Hoe komt dat nu over? Er zijn er steeds meer, die de Heere eenvoudigweg, ontkennen. Hij is het niet; Hij is er niet. U ontmoet zo in de kring van uw kennissen en van uw werk, misschien, tot uw verdriet, in uw eigen gezin. Wij verdedigen dan onze stellingen, met de heimelijke gedachte dat het niet veel uithaalt. Zouden wij er niet beter aan doen, die ontkenners een vraag te stellen, een enkele maar. Als Hij het niet is, wie is het dan, wat is het dan? Als Hij er niet is, waar bent u dan? Het valt de mondige mens moeilijker zo 'n vraag te beantwoorden, dan u denkt. Zijn zinnen eindigen met vraagtekens.
U twijfelt zelf. U ontkent Hem niet; u ontwijkt Hem. U kunt het wel, zonder Hem, u denkt dat tenminste; u waagt het in ieder geval. Een waagstuk? Eerder een wrakstuk. Alles klapt in elkaar; het loopt op niets uit. Daar zou ik voor vrezen.
Ontkennen, ontwijken. In de psalm is van het tegendeel sprake. Zoeken, onderzoeken — vs. 4. Wat mij ontgaat, als de Heere mij maar niet ontvalt. Hij is de enige om wie het gaat, als dit waar is: mijn licht, mijn heil, mijn kracht. Het geloof komt wel altijd uit, want het is waar: de Heere is! Maar ik kom niet altijd uit met mijn geloof. Wenteling en wisseling zijn schering en inslag van het leven. Daar heeft het geloof mee te maken. Leest u er de psalm eens op na; het is allemaal niet zo gelijkmatig als wij het soms willen doen voorkomen. Wij strijken niets glad, er zijn plooien en rimpels.
Midden in de strijd, roemend in het heil kent het hart één verlangen: het huis des Heeren. Eén ding heb ik van de Heere begeerd. Eén ding. Niet dat verwarrende vele, het eenvoudige. Alles spitst zich toe op dat éne: dat zal ik zoeken. Wonen in het huis des Heeren, in het heiligdom. Dit huis is nog wat anders dan hut en tent en rots. Het is inniger, stiller, gerustgestelder. Ik zou zo graag dicht bij de Heere blijven. Wonen, met Hem omgaan. Zijn liefelijkheid aanschouwen; Zijn vriendelijkheid, de milde glans van Zijn gelaat. De Heere is zo goed, zo onuitsprekelijk goed. Om die goedheid in te drinken, om heel mijn leven van die goedheid doordrenkt te weten. Daar zou ik tijd en hart aan willen wijden.
Naspeuren, wat Hij openbaart, mij daarin verdiepen. Dat is de gemeenschap met Hem beleven. Koestert u die wens? Dat is kenmerkend voor het nieuwe leven. Naarmate de Heere meer voor ons deed, meer voor ons werd, naar die mate verlangen wij meer naar de verborgen omgang met Hem. Wordt die verwaarloosd, dan drogen geloof, hoop en liefde onherroepelijk uit, zoals een beek in de hitte van de zomer. De herinnering is als een bedding; de bron ligt in het heiligdom: och, werd ik derwaarts weer geleid. De Heilige Geest wekt de begeerte, bij al ons gemis: mijn ziel dorst naar God. Woord en sacrament, taal en teken, spellen en onderstrepen de Naam. In dat zoeken en onderzoeken voeden wij het oud vertrouwen. In het heiligdom vinden wij Hem; we verblijden ons in Hem, die wij mogen belijden: De Heere is.
Voor wie zou ik vrezen; voor wie zou ik vervaard zijn. Dat is dan geen holle klank, geen loze kreet. We zetten geen domper op het licht dat hier schijnt, we zetten het op de kandelaar. Maar... ondertussen kunnen mensen mij maken en breken; nemen de machten mij in de tang. Wacht maar, straks wankelt de moed en kantelt het vertrouwen. Daar is niet veel voor nodig. Vijanden, een leger, een oorlog? Och, een dor blad dat even ritselt is al voldoende om ons te verschrikken. Zouden wij ons dan toch vertillen aan zo'n uitspraak?
Er komen andere tijden. Als ze komen is het vroeg genoeg. Wie op de wind ziet zal niet zaaien, wie op de wolken ziet zal niet maaien. Grijpt als het rijpt. Als de vrucht van de naam rijpt, grijpt haar dan, plukt haar dan, eet er van, geniet er van. Het 'ik' stapt niet trots voorop. Heere, gaat u voor! De Heere is! Na U. Wat volgt is niet verheven, de ogen zijn niet hoog, het hart is niet hoog. Hoe zou het kunnen? We hebben wel goede moed; deze moed grenst niet aan overmoed, zij grenst aan ootmoed. Voor wie zou ik? Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn. Vertrouwt op de Heere, te allen tijd. Niet zozeer omdat wij er voor in de stemming zijn, maar omdat wij er toe opgewekt worden — letterlijk, als uit de dood verrezen — door de openbaring van de naam des Heeren. In allerlei, in alle omstandigheden. Weest niet vervaard, weest niet versaagd.
Het is geen lef. Het is geloof. De moed van het geloof is de enige ootmoedige moed. David tegenover Goliath, die hem tegemoet slentert, wat wil hij, dwerg tegenover reus: Ik kom tot u in de naam des Heeren. Het is geen lef. Het is lof. Ik zal zingen, ja, psalmzingen de Heere. Ik zal in zijn tent offeranden des geklanks offeren. De held? Het mocht wat. De hulde is voor de Heere bedoeld. Hij wordt geprezen als wij niet vrezen. Wij zingen de nood, de smart, de moeite niet weg; wij zingen de angst weg. Het leed komt rond; het is een krans voor de Naam gevlochten en aan de Naam gehecht. De Heere is. Wacht op de Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's