Uit de pers
Het CDA, Christendom en Humanisme
Het juni/juli nummer van Protestants Nederland bevat enkele interessante artikelen.
Prof. dr. G. Quispel, de utrechtse kerkhistoricus en kenner van de oosters-orthodoxe kerk schrijft over de aanklacht van Solzjenitsyn aan het adres van het Kremlin en aan het adres van het Vaticaan, dat zweeg waar het moest spreken.
Voorts bevat het nummer een artikel van dr. B. Wentsel over het christen-democratisch appèl. Hoe kunnen christenen uit het kamp van KVP, CHUen ARP in federatief verband samen werken? Hoe wordt door de verschillende partijen het humanisme beoordeeld? Wat is de verhouding van de KVP tot Rome en de pauselijke stoel? Dat zijn vragen die voor de toekomstige politieke ontwikkeling belangrijk zijn. Wentsel wijst erop hoe binnen de KVP velen voorstander zijn van een zgn. 'open' partij, een partij die zich baseert op de waarden van christendom en humanisme zodat mensen van verschillende overtuiging zich op die basis toch kunnen vinden.
Over de achtergronden van deze visie schrijft Wentsel:
We vragen ons hier af hoe het komt dat in roomskatholieke kringen het christendom en het humanisme als voedingsbron van een gemeenschappelijk program naast elkaar gesteld kunnen wrorden. Dit heeft nl. theologische wortels. Het gaat hier om de vraag hoe natuur en genade zich tot elkaar verhouden. De roomskatholieke kerk heeft êen optimistischer kijk op de mens dan de reformatorische kerk. Zij ziet in de mens vele goede mogelijkheden (humaniteit). In een vroegere periode werd de genade gezien als een begin van het deelhebben aan het wezen van God, die uitloopt op de aanschouwing van God in het hiernamaals, welke genade door de zondeval verloren is gegaan. In de periode van en na het tweede Vaticaans concilie werd gesteld dat deze genade als aanbod eigenlijk in ieder mens werkzaam is. Zij is door de zondeval niet verloren gegaan in die zin dat zij verdwenen is; zij blijft in ieder mens werkzaam. De overtuiging werd uitgesproken dat alle goedheid in de mens, ook in de humanist, een vrucht is van deze genade Gods. Zodoende wordt de goedheid van de humanist teruggebracht tot de werking van deze genade Gods. De mensen van goede wil (homines bonae voluntatis) zijn goed vanwege de werking van deze genade. Deze mensleer werd gegrond op Genesis 3 en op het feit dat de Christus voor alle mensen gestorven is. Zodoende werden ook de mohammedanen, Joden en humanisten gezien binnen de cirkel van het genadelicht. Ook zij kennen God en kunnen de zaligheid bereiken. Wel hebben zij een eigen verantwoordelijkheid.
Voor een bredere uitwerking van deze beschouwingen verwijs ik naar mijn proefschrift: Natuur en genade. Een introduktie in en confrontatie met de jongste ontwikkelingen in de rooms-katholieke kerk inzake dit thema. Kampen 1970.
In de Koers van de Kerk in een horizontalistisch tijdperk, deel I kan men in hoofdstuk 9 een samenvatting vinden van de hoofdlijnen van dit proefschrift. We wijzen er op dat er frappante parallellen bestaan tussen de opvattingen van Karl Barth en de roomskatholieke theologen inzake de doelgerichtheid van de schepping op Christus. Ieder mens wordt gezien vanuit zijn bestemming en aanleg op de genade. Het natuur-genade-probleem is uitermate actueel, met name inzake de visie op de mens. Bovendien leidt deze opvatting er toe dat men de Christus niet ziet als de exclusieve, maar als de normatieve openbaring van God. Ook buiten het christendom zijn er dus genade-openbaringen. Dezelfde visie verdedigt H. Berkhof in zijn Christelijk geloof, p. 50: 'In het positieve vertaald moeten wij zeggen: de godsopenbaring in Christus is niet exclusief, wel normatief'.
Hiertegenover stellen wij dat de Schriften ons leren dat de mens in zichzelf boosaardig geboren wordt en dat hij pas door de werking van de Heilige Geest deel krijgt aan de zalige kennis van God. Een humanist en een christen staan niet op hetzelfde niveau. Verder wijzen we er op dat een christen zijn levensgedrag wil laten bepalen door de tora en het evangelie als vervulling van de wet Gods. De humanist stelt de mens in zijn goeddunken (autonome of zelfwettelijkheid) als centrale norm. Een humanisme dat sterk beïnvloed is door het christendom zal zich ook meer christelijk opstellen (de cultuurinvloed). Maar nu het christendom afbrokkelt en de tegenkrachten tegen het christendom sterker worden, nu is het te verwachten dat de tegenstellingen tussen christendom en humanisme groter worden. Bovendien moet er op gewezen worden dat een partij die niet van het radicale gebod van God uitgaat, het gevaar loopt van een aanpassing aan de bestaande situatie of een pacteren met de bestaande machten. De kritische norm van het gebod Gods zal ook een politieke partijformatie moeten beheersen. De praktijk van christelijke partijen in andere landen toont aan dat zij zelf aanleunden tegen dictatoriale of fascistoïde machten (Portugal, Spanje, Chili). Onze conclusie is dat christendom en humanisme geen gelijkwaardige stromingen kunnen zijn en een open CDA verworpen moet worden.
U ziet, de diepste vragen van de theologie t.a.v. zonde en genade komen hier aan de orde. Problematisch is voorts ook de verhouding van de KVP tot de r.k. kerk en de pauselijke stoel.
Er komt nog een tweede probleem bij. De KVP heeft zich losgemaakt van een cleriale overheersing. En dit terecht. De ambtelijke kerk mag het wijdvertakte leven niet overkoepelen. De leek heeft een eigen taak en verantwoordelijkheid. Maar een trouw roomskatholiek zal wel aandachtig luisteren naar de stem van het bisschoppelijk en pauselijk leergezag. Als de bisschoppen stellen dat er geen gemeenschappelijke avondmaalsviering tussen christenen kan plaats vinden, omdat de eucharistie nu eenmaal een ander karakter heeft dan het avondmaal dan weegt zulk een stem zwaar. Dan wordt hier de commimicatie van de zijde van de ambtelijke kerk belemmerd. Nu kan men deze bisschoppelijke stem naast zich neerleggen; maar dan komt de vraag op: waarom gaan roomskatholieken niet sterker in tegen de strukturen van de kerk? M.a.w. het is onmogelijk om de politieke partijformatie geheel en al los te maken van de religieuze en kerkelijk-ambtelijke wortels.
Daar komt nog bij dat ook hier de visie op de bijbel een woord meespreekt. We zagen dat het tweede Vaticaans concilie goede dingen uitsprak over de Schriften. De theopneustie (= inspiratie) werd gehandhaafd. Maar de ambtelijke kerk blijft de enige goede uitlegger. De reformatie heeft de bijbel ook in de handen van het gehele volk van God gelegd, zodat dit boek orienteringsnorm werd voor het praktische handelen. Een reformatorisch christen loopt op grond van de bijbel niet zo warm voor de zg. gevulde algemeenheid waar de KVP veel meer goeds in ziet; Ook het schriftgebruik en de toepassing van de tora is een centraal punt van betekenis en verschil. Wil er sprake zijn van een christelijke partij, dan zal de bijbel normatieve oriëntatie moeten verschaffen. Het evangelie is een vervulling van de tora (Ps. 119).
Voor de vraag: welke toekomst gaat het christendom in West-Europa tegemoet is dit alles bijzonder belangrijk. U kunt zeggen: Die toekomst ligt in Gods handen. Dat is waar. Maar dat ontslaat ons niet van onze opdracht getrouw te zijn. Om waakzaam te zijn ook in een tijd van ontkerstening en secularisatie. De ambtelijke kerk staat onder zware druk in West-Europa. En velen zien een christelijke politiek niet meer als noodzaak. Waarom zou je? Het gaat immers toch om de humanisering.
Daartegenover stelt Wentsel als positieve opdracht:
1. De kerk in de ambtelijke en individuele zin leeft van het geloof in de levende God en Zijn Woord. Geloven is vertrouwen, verwachten en gehoorzamen. Door het geloof in God en Zijn macht zijn de muren van Jericho gevallen. Ook in een van Godafvallige cultuur mogen we niet in paniek raken. We mogen van Hem verwachten dat Hij het mede door onze gehoorzaamheid voor ons zal doen.
2. Geloven is verder ook samen geloven. Het volk van Israel moest gemeenschappelijk de uitdaging van de verovering van Jericho aanvaarden door om de muren te marcheren. Ook de eerste gemeente te Jeruzalem kenmerkte zich door een sterke gemeenschapszin (Hand. 2). Het anti-institutionalisme is alleen te overwinnen als de gemeente een gemeenschap is; als jongeren ouderen en ouderen jongeren opvangen. Waar liefde heerst, daar wordt een gezin, een familie, een kerk een gemeenschap die het versplinterend individualisme overwint. Het is de volk-Gods-conceptie die ook op het tweede Vaticaans concilie een dominerende rol speelde. Deze gemeenschapsgedachte is ook voor een christelijk-politieke beweging van grote betekenis.
3. De kerk behoort echter onder het Woord als goede boodschap en als norm. De kerk als ambtelijke kerk en als volk Gods dient zich daardoor te laten leiden. Dit Woord is in hoofdlijnen niet onduidelijk. Het staat altijd boven ons. Noch het geloof in de veiligheid van het bestaande noch het geloof in de adel van de vooruitgang mogen onze levenshouding bepalen. Progressivisme en conservatisme kunnen broer en zus zijn, omdat zij beiden niet uitgaan van de norm, maar van een groep of pragmatistisch van een bepaald nut. Alleen een kerk die vanuit het geopenbaarde Woord Gods leeft en handelt; alleen een christelijke partij die ernst maakt met de normen van Gods Woord heeft toekomst. Zij heeft een duidelijke taak inzake het bedwingen van het egoïsme, het tegengaan van een volk verscheurend polarisme 2) en het hooghouden van de overheid als dienaar van God.
2) Vgl. voor de fundering van de christelijke politiek: B. Wentsel, Hij voor ons — wij voor Hem, Kampen 1973.
Het is een belangwekkend artikel, waarin naast een verhelderende analyse van de situatie ook wegen gewezen worden. Jaren geleden heeft wijlen Prof. v. Niftrik de christelijke partijen er al voor gewaarschuwd dat ze hun eigen graf graven door een wazige opstelling en door een beginselloze houding. Van Niftrik betoogde toen dat we dan zelf verantwoordelijk zijn voor en schuldig-staan aan de desconfessionalisering. Ik meen dat dit juist is. Alle samenwerking ook op nationaal niveau zal toch hebben te rekenen met de gehoorzaamheid aan Gods geboden en beloften. Hoedemaker zou wel weer eens opnieuw heftig actueel kunnen worden. .
Een vraaggesprek met Kuitert
Hervormd Nederland publiceerde in 2 nummers een vraaggesprek met Proj. dr. H. M. Kuitert. In het nummer van 31 mei wordt Kuitert, de vraag gesteld: Wat betekenen de belijdenisgeschriften voor u? Voor Kuitert blijkt dan die belijdenis de functie van startpunt te hebben.
Die functioneren voor mij op de manier waarop Ricoeur het heeft over de dogma's: ze geven te denken en schrijven je niet voor wat je denken moet. Ik zou dat willen aanvullen door te zeggen: ze geven je te denken en te doen. Zo moeten we ze ook hanteren in de kerk. En goeie dominees Behandelen ze ook zo, die zeggen niet: dit of dat moeten we uit de Heidelberger geloven, maar ze gebruiken dat als startpunt om te zien wat we vandaag moeten denken en doen. En doen we dat niet, dan leggen we God en het heil en Jezus muurvast in het verleden. Ook muurvast in de kerk en dat vind ik een geweldig bezwaar, die verkerkelijking van het heil van God.
Dat verzet tegen die verkerkelijking zit in m'n laatste boekje ook, niet omdat de kerk fout zit, maar de kerk heeft ook haar verleden en Jezus wordt opgezadeld met alles wat wij aan verleden, aan ruzies, aan twisten, aan domheden verzameld hebben en zo moet Jezus dan nog overkomen ook in een wereld die weinig verbondenheid voelt met die hele kerk. Het lijkt me de grootste hindernis voor het evangelie dat de kerk het monopoliseert. Daarom pleit ik ook voor ruimte voor buitenkerkelijk christendom, omdat ik denk dat de kerk daar alleen maar wel bij varen kan. Het is niet zo dat alleen maar de gereformeerden goed weten wie Jezus is. Dat weten talloze andere christenen — binnen de kerk en daarbuiten — net zo goed.
U hebt indertijd de belijdenisgeschriften ondertekend. Met name uit de hoek van de verontrusten wordt u verweten dat u daar nooit op teruggekomen bent.
Ik heb niet zo veel behoefte om me uit die traditie van het gereformeerde verleden — voorzover het de belijdenis betreft — los te maken, integendeel: ik wil niet minder dan in die traditie staan, ik wil oneindig veel meer. Dat is het punt waar het om gaat en ik denk dat veel mensen dat ook langzamerhand wel begrepen hebben. Je moet niet zeggen: die gereformeerde traditie is fout, ook al valt er wel wat op aan te merken. Mijn distantie ten opzichte van gereformeerde belijdenisgeschriften is niet dat ik ze niet zou willen, maar ik zou nog veel meer willen en in die zin relativeer ik ze natuurlijk ook wel, maar ik heb met die ondertekening nooit enige moeite gehad.
Nog een bezwaar tegen uw theologie: brengt 'een ander evangelie'. In dat verband wordt graag Galaten 1:9 geciteerd, waar Paulus zegt dat ieder die een ander evangelie brengt vervloekt is.
'Ik vind dat die kwestie van het andere evangelie maar eens goed uitgelegd zou moeten worden door de mensen die deze tekst gebruiken tegen 'allerlei nieuwe stromingen in kerk en theologie. Want waar heeft Paulus het over in de brief aan de Galaten? Dat andere evangelie is heel duidelijk het evangelie dat omgevormd is tot wetticisme, daar toornt Paulus over tegen mensen die willen dat hij zijn mond houdt, die zijn vrijheid die hij in Christus heeft, komen bespieden en aan anderen een slavenjuk willen opleggen. Voorzover ik het kan zien is juist die passage over het andere evangelie in Galaten 1 een uiterst kritische instantie tegenover dwingerige, traditionele theologie die een goede kans maakt de mensen tot wet te worden in plaats van tot bevrijding'.'
Naar mijn mening hebben we hier toch een typisch staaltje van inlegkunde. Galaten 1 zou gericht zijn tegen de voorstanders van een dwingerige, traditionele theologie! Is het Kuitert dan ontgaan dat het Paulus maar niet gaat om de verdediging van een formele vrijheid tegenover dwang en traditie, maar om het evangelie van die God die goddelozen begenadigt tegenover een prediking die het heil afhankelijk maakt van de mens en zijn doen.
De belijdenis bij Kuitert heeft kennelijk nog enige waarde als historisch startpunt, vanwaaruit wij verder moeten. In welke richting? vraag je dan. Gemeenschap met de belijdenis der vaderen is toch verbondenheid met hetzelfde geloof. En de belijdenis vervult toch ook ten aanzien van de prediking een bepaalde functie. En dat zou wel eens samen kunnen hangen met datgene waar het Paulus in Galaten 1 om gaat: Genade contra wet en verdienste. Heil als Gods werk tegenover het heil als onze prestatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's