Hoort u mij?
Hoor, Heere, mijn stem als ik roep. Psalm 27 vs. 7a
Er zijn vandaag ontstellend veel mensen, die, om de een of andere duistere reden, van God af willen. Ze laten het nadrukkelijk af weten, wanneer het over Hem gaat; van hen hoeft het niet meer. Met recht, een duistere reden, een duistere drang. Want, wat is er mee gewonnen. Door wie en waardoor wordt Hij vervangen? Ik denk dat de vorst der duisternis er de hand in heeft; weest daarom op uw hoede.
In onze psalm worstelt iemand met een heel andere vraag: Als de Heere God het eens af liet weten, als Hij eens van ons af wilde? Een vreemde vraag, een vreemde man. Maar geen eenling, niet eenzelvig, niet zonderling: de gemeente neemt zijn lied immers over in de eredienst. En het kon wel eens zijn, dat deze vraag er meer toe doet, dan u aanvankelijk denkt. Dat het uw vraag wordt.
Het valt ons op, dat er een breuklijn door dit lied loopt. Het eerste gedeelte roemt in God; het tweede gedeelte roept om God. Sommigen maken er daarom twee liederen van, de twee gedeelten liggen voor hun gevoel te ver van elkaar. Een danklied en een smeeklied. Waarom zouden we die eigenlijk scheiden. Zulke overgangen zijn aan het echte leven niet vreemd. De psalm weerspiegelt menige wending die in ons leven plaats grijpt. Menige onverwachte wending, soms van het ene uur op het andere. Het is echt een psalm uit het leven gegrepen.
We leerden David kennen als een dapper man, die het met de naam des Heeren tegen de hele wereld opneemt. Maar ... Hij is geen man uit één stuk, blijkens dit lied. Met enig leedvermaak kan men vaststellen dat hij nu tonen lager zingt. Niet vrezen, voor niets en voor niemand. En nu? Help, Heere Hij is nergens meer zeker van, van zijn leven niet en van zijn God niet. Slaat een stemming zo plotseling om in haar tegendeel? Was de spanning te groot? Ineens leeggeloofd en leeggeleefd. Dat kan toch? Het is niet eens tegenstrijdig, het is tweeledig. Het is alles behalve gelijkmatig, en dat maakt dit lied zo levensecht.
De dichter haalt de hoge toon van het geloof en de lof: De Heere is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen. Nu horen we hem vragen: Hoor, Heere. Eerst betuigt hij de Heere zijn hulde en dan komt hij met zijn noden voor de dag. Dat is de volgorde, die in het heiligdom gebruikelijk is. Eerst God groot maken en dan het hart voor Hem uitstorten, het hart dat zo gehavend wordt door alles wat ons overkomt en wat wij te verwerken krijgen. Dat heus niet zo regelmatig tikt als de klok in de huiskamer. Het bonst van vreugde, het hamert van angst, en dit na elkaar, door elkaar heen desnoods. De Heere weet er van, dat wel. En Hij wordt er in gekend.
Daarom moeten we het verschil niet overdrijven. Hoor Heere mijn stem als ik roep. De grondtoon is vertrouwen, het gewettigde en gevestigde vertrouwen, waarvan David belijdenis doet in de Naam. Wij moeten niet over die naam heenlezen, als deed die er niet toe, als deed die niet mee. Want daar draait het nu net om: Aan wie klaag ik mijn nood. Zo maar, zonder adres. O nee, ik weet aan wie en dat is niet toevallig. Dat maakt alles anders. De Heere, dat is de Heere van het eerste gedeelte. Die wat voor mij doet, die wat voor mij is, de God van het verbond. En zo waar, dat is Hij in het tweede gedeelte nog: Heere.
Het geloof maakt het gebed niet overbodig. Beiden, geloof en gebed dragen kennis van de naam des Heeren. Daar gaan ze op in, daar gaan ze op dóór. Daarom is het zo'n onschatbaar voorrecht dat wij de Naam hoorden noemen, reeds in onze jeugd, en dat wij die mogen noemen: Heere. Onderschat dat niet. Laat de Naam niet voor wat hij is, en als ware hij niets, maakt er eens werk van: Heere, u bent toch! Wie is de Heere ook weer? Het is die God, die hoort. Daar begon de bevrijding van Israël mee: God hoorde hun gekerm, hun geklaag kwam Hem ter ore en nam Hij ter harte. Dat is de God, die genadig is. In de tempel glanst de genade, werpt het aangezicht een stil en helder licht: De Heere doe Zijn aangezicht aan u lichten en zij u genadig. Dat is die God, die antwoordt. Dat onderscheidt Hem van alle goden, die niet horen en niet spreken. De afgoden zijn doofstom. Omdat David dit van de Heere vyeet, vraagt hij eenvoudig en dringend: Hoort U mij?
Wij zijn in ieder geval op de Heere aangewezen. Dat is kenmerkend voor het geloof en het gebed. We zullen het zonder Hem niet redden en we kunnen het zonder Hem niet stellen. Door heel het leven heen trekt het verlangen naar de levende God, die de God van mijn leven is. Van Hem zijn wij diep en steil afhankelijk. Nu, dan is de zaak bekeken. Wij weten wie Hij is, wat wij aan Hem hebben, wat Hij waard is, dat moet Hij dan waar maken. Moet. Een onaangenaam woord in verband met de Heere. Hij moet mij op mijn wenken bedienen. Horen, genadig zijn, antwoorden, dat is Zijn manier van doen, wat zit ik daarover dan nog in de war; Zijn hulp en heil spreken vanzelf. Om dit misverstand te voorkomen nemen wij kennis van de tekst. Niets spreekt vanzelf waar het de Heere betreft. Wij beschikken niet over Hem! Voor menigeen is de Heere — vergeef mij, het is niet oneerbiedig bedoeld — een paradepaard, wij laten Hem opdraven en zetten Hem op stal. Een karrepaard, dat wij inspannen en uitspannen, al naar het ons goeddunkt. De Heere, die moet naar onze pijpen dansen. Daar is Hij volstrekt niet voor te vinden! Is dat een reden om Hem te laten varen? Integendeel, dat is een reden om ons aan Hem vast te klampen, om de naam aan te roepen: Heere. Hij móét niets. Hij doet alles; Hij doet het zo, dat Hij erin herkend en erin erkend wordt.
Ik roep. Soms is het fluisteren, hier is het met stemverheffing. Een hulpgeroep uit de diepte van mijn nood, terwijl ik door gevaren wordt bedreigd, vijanden en valse getuigen maken mij het leven zuur. Ik roep iemand. Hoe kom ik er bij, de Heere zo luidkeels te roepen. Wel, Heere, U zei toch: Roep Mij aan in de dag der benauwdheid, als het u bang wordt. Knoopt dat in uw oren, voegt uw daad bij Zijn woord. Of, om in de buurt van deze tekst te blijven, dat ik roep is op uitnodiging. Ik ving uw woord op: zoek mijn aangezicht. Met uw verlof, Heere: ik zoek uw aangezicht. Zoeken is roepen. Als u iets zoekt, dan roept u niet. Als u iemand zoekt wel. U roept iemand bij zijn naam; dat doet David hier. Zijn stem tast, omdat zijn hart zoekt.
De Heere zegt: als er moeilijkheden zijn, laat eens wat van u horen. Nu, ze zijn er. Hij zegt: dan hoor Ik het wel. Nu, daarom roep ik, recht op U aan. Daarin hijgt het geloof in de Naam. En het bezwijkt niet, al neemt de ademnood toe. Nog nooit blies het geloof in het gebed de laatste adem uit. De Naam, dat is de lucht waarin we mogen ademen. En we kunnen de ademnood, waarin we al biddend geraken niet beter behandelen dan met dat: Heere. U bent toch, U hebt toch, U zei toch, U zult toch. Mag ik uw aandacht vragen voor mijn nood. U hoort toch. Heere, hoort U mij ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's