Gedachten over het gebed
1
Toen ik mij gereed maakte om dit onderwerp op papier te gaan stellen, rees de vraag op: vanuit welke gezichtshoek moeten we dit onderwerp allereerst benaderen?
Er zijn b.v. deze mogelijkheden:
de onbekeerde en het gebed,
de heilbegerige en het gebed,
Gods gemeente, de oprecht gelovige en het gebed.
Moeten we nu bij Gods gemeente en de oprecht gelovige beginnen óf bij de onbekeerde of bij de mens, in wiens hart de begeerte naar het heil in Christus gevonden wordt, doch die daarvan nog geen deelgenoot is?
We komen dan hier met hetzelfde probleem in aanraking, als ten opzichte van de prediking. Ook daar komt de vraag naar voren: moet de prediking zich allereerst richten tot de gemeente van Christus in haar geheel en de gelovigen in het bijzonder óf allereerst tot de onbekeerden en dan weer speciaal tot de heilbegerigen? Heel veel predikanten doen dit laatste, nl. zich in hun prediking richten tot de nog niet verlosten. Dit heeft dan zeer dikwijls tot gevolg, dat de levende gemeente van Christus, de kudde des Heeren met de kleine lammeren, zowel als met de meer opgegroeide schapen, zo weinig onder de prediking de herder met zijn herdersstaf in hun midden zien, om ze te weiden en te hoeden, te leiden in de grazige weiden van Gods getuigenis.
Calvijn heeft in zijn commentaar op 1 Thessalonicensen 3 : 10, nl. op de tekst: acht en dag zeer overvloediglijk biddend om uw aangezicht te mogen zien en te volmaken hetgeen aan uw geloof ontbreekt de volgende veelzeggende opmerking gemaakt:
de leraars zijn niet alleen daartoe verordend, dat zij de mensen in een dag of in een maand tot het geloof in Christus brengen, maar ook dat zij het begonnen geloof tot volmaking voeren'.
Calvijn legt er hier dus de nadruk op, dat het zo dringend nodig is, dat degenen die tot het geloof in Christus gebracht zijn, door de prediking in dat begonnen geloof versterkt worden. Zodat ze niet meer met melk maar met vaste spijzen gevoed worden. Dat ze onderwijs ontvangen in de weg des levens, die de pelgrim Gods heeft te bewandelen, dat ze vertroost en vermaand worden, gewezen worden op de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs, geoefend worden om zich te bewegen in de wapenrusting Gods. 'Voorts, mijn broeders', zegt Paulus in dit verband, en daarmede wil hij de gemeente voeren tot volmaking van 't geloof, 'wordt krachtig in de Heere en in de sterkte Zijner macht'. Hij wekt hen op te staan en staande te blijven, door de lendenen te omgorden met de Waarheid, het borstwapen van de gerechtigheid aan te doen, de voeten te schoeien met de bereidheid van het Evangelie des vredes. Bovenal zegt hij, en hij zegt het met nadruk, bovenal neemt aan het schild des geloofs, de helm der zaligheid en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. En dan vervolgt hij, en hiermee komen we weer bij het onderwerp: met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in de Geest.
Levende gemeente
De prediking heeft dus uit te gaan tot de levende gemeente van Christus, zoals de apostelen hun brieven aan de gemeenten richtten tot de heiligen in Christus Jezus (tot de Christus-belijdende leden dus), met de opzieners en diakenen. Ze wisten daarbij zeer wel, dat er in die gemeenten veel hypocrieten waren, die wel de naam hadden maar de wortel der zaak, het oprechte geloof misten. Maar daarom ververvlakken ze hun brieven niet en trekken zij het woord 'heiligen' niet terug en laten de aanhef van hun brieven niet vallen.
Ondanks alles schrijven ze vrijmoedig: aan de gemeente der Thessalonicenzen, welke is in God de Vader en de Heere Jezus Christus. Daarom is er in de brieven ook zoveel voedsel voor de kerk des Heeren, omdat deze zich daarin rechtstreeks voelt aangesproken, vertroost, bemoedigd, vermaand, opgewekt tot versterking van het geloof.
Het gebed voor Gods kind
Welnu, zo is het ook wanneer we het mogen hebben over het gebed. Dan komt allereerst aan de orde, wat het gebed betekent voor Gods gemeente, voor Gods kind. Vandaar ook, dat b.v. de catechismus het gebed behandelt in het stuk der dankbaarheid. En het gebed dat de Heere Jezus Zijn discipelen leerde begint, ondanks dat ook een Judas zich daaronder bevond, met: 'Onze Vader'.
Wat kan er ook een geestelijke warmte vanuit gaan, als die onderlinge band met en aan Christus meer uitgesproken en gevoeld wordt. Tenslotte zijn wij geen hartekenners. Die wij er bij rekenen, kunnen er wel eens niet bij horen en omgekeerd kan het ook het geval zijn. Daarom onderzoeke ieder zichzelf. Maar dat behoeft ons er onderling niet van te weerhouden het bijbelse spraakgebruik te handhaven ten opzichte van mede-lidmaten der kerk, die in handel en wandel, in leer en leven zich niet misgaan. Gij zijt allen broeders, zegt de Schrift. Als christenen zijn we maar niet vrienden of kennissen van elkander, maar broeders, mede-erfgenamen van het eeuwige leven.
Ik geloof dat het tot de tale Kanaans behoort, tot de taal van de gemeente van Christus, dat men enerzijds God in het gebed meer als Vader leert aanspreken, anderzijds de Christus-belijdende medeleden als broeders. Een gemeente van Christus, die samenkomt in het Huis des gebeds, waar de Sacramenten bediend worden, is niet een vereniging, die bestaat uit dames en heren of uit vrienden of hoorders, maar is een heilige vergadering van Christgelovigen. Op grond van hun belijdenis des geloofs, zijn deze als broeder of zuster te erkennen. Tenzij hun leven, ondanks hun belijdenis, een andere taal spreekt, een taal die hun belijdenis weerspreekt. Vroeger zouden zulken onder de tucht komen of in de ban gedaan worden. Maar leden, die bij een juiste tucht-oefening, ook als die in onze tijd zou gehouden worden, vrij-uit zouden gaan, hebben we als mede-huisgenoten en broeders te erkennen.
Levende Kerk
Hetgeen we tot nu toe naar voren brachten hangt ten nauwste samen met het gebed. Want het gebed dat de Heere Jezus leerde begint met 'Onze'. Bij dit 'onze' gaat het dus niet om een enkele uit onze kring van mede-christenen, die naar ons oordeel de naam van broeder waardig is, maar hieronder vallen allen, ik wil het nog een keer herhalen, die bij een bijbelse kerkelijke tuchtoefening, daarmede niet in aanraking zouden komen.
Het gebed hebben we allereerst te bezien als een levensuiting van de levende kerk. Zoudt u zich de gemeente van Christus op haar pelgrimstocht door de eeuwen, kunnen voorstellen zonder gebed? Wordt het, gebed niet de ademtocht der ziel genoemd? En wanneer we de kerk in het hart zien, zoals we dat doen wanneer we het boek der psalmen opslaan, dan bemerken we welk een grote plaats het gebed inneemt.
Het gebed treffen we daar aan onder alle omstandigheden van het leven. De gestalte van de bidder en de inhoud van zijn gebed, kan, al naar de omstandigheden zijn, zeer verschillend zijn. Er kan zijn een vragende, een smekende, een worstelende bidder; een aan het Vaderhart rustende bidder en één, die in zijn gebed de Heere looft en prijst en in aanbidding neerknielt. Welk een voorrecht is het voor Gods kind te mógen bidden. Bovenal een voorrecht, dat Christus geleerd heeft tot God te mogen bidden met de Vadernaam op de lippen. Met die Naam het gebed te mogen beginnen. De catechismus verklaart dit zo schoon, door op te merken: 'opdat Christus van stonde aan, in het begin van ons gebed, in ons de kinderlijke vreze en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond van ons gebed zij'.
Verzoening
Christus wil dus dat de zijnen vanuit de verzoende betrekking met God leren leven. Hij wekt de Zijnen daartoe op. Het is een wonder van genade, dat als de gelovige in schuldbesef smeekt om geheel gewassen te worden, dan het antwoord van zijn Heiland is, dat hij alleen van node heeft de voeten gewassen te worden, omdat de bidder door de wassing met het bloed van Christus, toen hij tot het geloof in Christus kwam, geheel rein geworden is.
Nu is de bidder een verloste, maar die zich telkens weer met zonden bevlekt weet. Vandaar ook zijn dagelijkse bede: vergeef ons, onze schulden. Maar dit onderscheidt hem van een zondaar buiten Christus, dat hij in beginsel een verlost zondaar is. In Christus tot kind Gods aangenomen. De bidder een kind — God zijn Vader.
Militia Christi
Maar hij belijdt in zijn gebed ook: Uw is het koninkrijk. Dan wordt zijn Vader tevens Koning. En het kind wordt tegelijkertijd soldaat. Hij behoort tot de militia Christi. Met als roeping de geestelijke strijd te-strijden. Zoals Paulus getuigde: 'ik heb de goede strijd gestreden, ik heb het geloof behouden'.
De rust van het gebed, wordt afgewisseld met beweging, het bezig zijn in de dingen des Vaders. Na de stilte van het gebed, komt de bidder vaak in het strijdrumoer, om op zijn plaats en op zijn wijze, met de van God geschonken gaven, de oorlogen des Heeren te voeren en om, door Gods genade, met vallen en opstaan, de kruisbanier tot in Gods handen te mogen dragen. Er is strijd tegen de zonde in en buiten hem. Maar er is ook de begeerte om deel te mogen hebben in de strijd tegen de Vorst der duisternis. Om in de weg van allerlei arbeid dienstbaar te mogen zijn het rijk van Christus uit te breiden-en te versterken. Er valt hier o.a. te denken aan de zendingsarbeid, zowel de uitwendige als de inwendige zending, aan kerkelijke arbeid (predikant, ouderling of diaken, huisbezoeker) enz., enz.
In die strijd om bewaring, opbouw en uitbouw is het gebed des geloofs het belangrijkste wapen. Denk aan Aaron en Hur, die Mozes' handen ondersteunden, die in gebed ten hemel waren gericht, waardoor Israël de overwinning behaalde. Het gebed is het geheim der overwinning, zowel in persoonlijk als kerkelijk leven. Iemand heeft eens gezegd: aan het gebed en aan het geloof schroeit de duivel zijn vleugels.
Biddende en dankende Hogepriester
Het gebed: wie zal uitdrukken, welk een gave God daarin aan Zijn gemeente heeft gegeven. En wat hierbij bovenal zo groot is: Gods gemeente heeft een voorbiddende en dankende Hogepriester. En niet minder groot is, dat aan de gelovige de Heilige Geest geschonken is. Die intrek in het hart genomen heeft, zodat dit hart een tempel des Geestes geworden is. Deze Geest nu, is de Geest des gebeds. Die Geest bidt in hen, vaak met onuitsprekelijke verzuchtingen. Die Geest geeft hen bij tijden en ogenblikken het ware, ootmoedige en gelovige gebed, dat leert pleiten op Gods beloften en deugden, op het volbrachte werk van Christus. Zodat er stilte in de ziel komt, vrede en kracht, eenswillendheid met God en gelovig, kinderlijk Godsvertrouwen.
Hoe kan het bij het begin van het gebed soms stormen en duisternis overheersen, terwijl het gebed, door de werking des Geestes mag eindigen in stille overgave aan de leidingen des Heeren, heilige berusting en het zekere weten des geloofs: dit weet ik vast. God zal mij niet begeven, niets maakt mijn ziel vervaard.
Zeker, er zijn schijnbaar onverhoorde gebeden, al zal het dan wel zijn, dat God ze op een andere en voor ons geestelijk betere wijze verhoort, dan we meenden dat het moest gebeuren. Er zijn ook gebeden, waarop de verhoring uitgesteld wordt, maar die vaak op het onverwachtst op heerlijke wijze worden verhoord.
Wat zijn er ook gebeden, waarvan het geldt: op uw noodgeschrei, deed ik grote wonderen. Zowel in tijdelijk als in geestelijk opzicht. Ja het kan zelfs zo zijn, dat Gods reeds bezig is een antwoord op het gebed voor te bereiden vóór dat de bidder - zijn nood aan de Heere opdroeg, zodat het daarvan geldt: eer zij roepen, zal Ik antwoorden.
, s-Gravenhage
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juli 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's