Boekbespreking
Klein Bach-boek, korte oriëntatie voor wie van Bach houdt, onder redactie van Eimert Pruim, 104 blz. ƒ 10, —. Ten Have, Baarn 1975.
Bach blijft ook in onze tijd velen boeien. Zijn cantates, passionen, orgelwerken en andere instrmnentale composities trekken de aandacht van oud en jong. Voor allen die zich voor de Leipziger Thomas cantor interesseren is dit boekje uitgegeven, waarin allerlei zaken betreffende Bach, zijn tijd, zijn muziek, enz. aan de orde komen.
Zo schrijft dr. H. v. d. Linde over Bach als heenwijzing naar het geloof. Een boeiende schets over Bach als de gelovige, als kunstenaar en theoloog. Al moet me wel van het hart dat dit knap geschreven artikel minstens zoveel zegt over v. d. Linde's visie op kruist en religie als over Bach. Eimert Pruim geeft een reisverslag over de DDR waar de meeste plaatsen liggen, waar Bach gewerkt heeft. Goedgeschreven, maar wat opppervlakkig.
Ernst Vermeulen maakt ons attent op allerlei facetten van Bach's muziek, terwijl dr. A. C. Houders aantoont dat het kerkelijk leven in Leipzig ten tijde van Bach bepaald niet op een laag pitje stond. Boeiend is wat hij schrijft over de catechese in die tijd en Bach's muziek op de zgn. catechismusgezangen.
Prof. dr. J. P. Boendermaker, dr. C. Rijndorp en de pastor van de Amsterdamse Westerkerk ds. H. A. Visser geven wat persoonlijke indrukken over de betekenis die Bach voor hen gehad heeft en nog heeft.
Het boekje wordt afgesloten met een tijdtafel, een summiere literatuuropgave en enkele illustraties. Men kan natuurlijk zeggen: Er zijn betere en uitvoeriger boeken over Bach en zijn werk. Niettemin is dit toch een aardig boekje dat zijn weg wel zal vinden. Geschikt om cadeau te geven. Al moet ik er bijzeggen dat de prijs voor hetgeen geboden wordt wel aan de forse kant is. Maar daar zullen redactie en uitgevers ook wel weinig aan kunnen veranderen.
Utrecht
A. Noordegraaf
Themanummer Maandblad van de C.S.F.R. De Civitate (jrg. 25, nr. 5, mei 1975). Besteladres bureau I.Z.B., Joh. v. Oldenbarneveltlaan 10, Amersfoort; kosten ƒ7, 80, te storten op gironummer 1437861 t.n.v. de I.Z.B.
Dit themanummer van De Civate is er één i.v.m. de zomerconferentie van de C.S.F.R. over het apostolaat. Het is dan ook geheel aan het apostolaat geweid. Een doorwrocht geheel van opstellen, vaak uit de kring van de C.S.F.R.-leden zelf, over apostolaatstheologieën (J. H. Bavinck, K. Barth, A. A. van Ruler, J. C. Hoekendijk, H. Berkhof, J. Verkuil, enz.), over historische ontwikkelingen in de zendingsgedachte vanaf de Reformatie, over Bijbel-the ologische achtergronden m.b.t. het apostolaat (artikelen van de heren W. v. d. Kamp, J. de Korte en L. W. Smelt b.v.), over zendingsconferenties als die van Bangkok, Lausanne, Lusaka, met daar tussen door impressies van mensen die in de praktijk van het zendingswerk staan of aan het thuisfront werken (Th. v. d. End, Djakarta, M. D. Geuze, Kenya, Chr. Fahner, H. Harkema).
Ik moet zeggen, dat ik bijzonder veel respect heb voor de diepgravende arbeid, die aan de vele bijdragen ten grondslag ligt. Men maakt zich niet met een Jantje van Leiden van de problemen af. Dat is een goede zaak. De tijd is voorbij, dat men genoeg wenst te hebben aan het leven binnen eigen horizon en zich daarom niets aantrekt van het verwijt van isolement. Om het met de woorden van één van de scribenten te zeggen (B. Plaisier): Eerst maar eens kopje onder gaan in de overmacht van het apostolaat om vervolgens te overdenken, wat voor alternatief wij hebben. Graag hoop ik, dat onze studenten op hun zomerconferentie, met dit uitvoerige informatiemateriaal op zak, aan dat alternatief toegekomen zijn, meer en beter dan (helaas) in vele opzichten in het Themanummer van De Civate het geval is. Trouwens ook in de kring van de studenten zelf lopen de meningen kennelijk nogal uiteen. Ik vermoed b.v., dat de heer J. J. Visser, die het winnen van zielen voor het Lam juist nu als doel van het apostolaat ziet, wel niet accoord zal gaan met het z.g. Bijbels abc van de heer S. Janse, die in zijn inleiding stelt: Ik meen, dat er onder ons nog steeds meer gedacht wordt vanuit de bekering van individuen dan vanuit de komst van het Rijk Gods. En als het over bekering en over de komst van het Koninkrijk Gods gaat, dan zal de heer A. Terlouw, zo hij wil, ook een keer duidelijk moeten maken, dat het heilsobjectivisme van K. Barth in flagrante stijd is met de Bijbelse gegevens over de verzoening en ook met de Gereformeerde theologie. Dat heeft hij in zijn artikel in het themanummer helaas nagelaten. Hij heeft voor een goed (en beter) begrip van K. Barth gepleit. Maar mogen de vrienden van de C.S.F.R., ook gewaarschuwd worden voor dit verwoestende heilsobjectivisme?
Mijn grote bezwaar tegen de manier van werken, zoals in dit nummer van het maandblad van C.S.F.R.ligt echter nog ergens anders. Het is natuurlijk uitstekend de problemen op het punt van het apostolaat in het visier te krijgen, erin te duiken, elkaar verantwoorde informatie te geven (Bijbels-theologische opstellen, doorsneden van zendingsconferenties, intervieuws met b.v. Berkhof). Dat alles prikkelt tot nadenken. Luisteren is een hele kunst. Tenslotte liggen daar de immense probleemvelden van b.v. de verhouding tussen belijden en apostolaat, de kwestie van de dialoog (de verwevenheid van de Westerse zending met het Westerse denk-en cultuurpatroon), de vragen naar het missionaire, maatschappelijke engagement, om er maar een paar te noemen. Maar de alternatieven, die in confrontatie met de velerhande oplossingen, die op deze terreinen geboden worden, broodnodig zijn, komen in het themanummer gewoon niet uit de verf. Als dat van studenten niet verwacht kan en mag worden, dan mag in elk geval wel verwacht worden, dat men in de gaten heeft, dat er een gevaar is van verdrinken, wanneer men kopje onder gaat om nogmaals de woorden van B. Plaisier te gebruiken. Ik denk, dat iemand, die van een tien meter hoge springplank in het water wil duiken, eerst wel een beetje zwemmen moet hebben geleerd, of in elk geval ogenblikkelijk bereid moet zijn om te gaan zwemmen, zodra hij in het water komt. Als ik mijn oor goed te luisteren leg, bekruipt mij de vrees, dat dp hartelijke liefde voor de diepste intenties van de gereformeerde (ook zendings-) theologie, waarmee de C.S.F.R. leden van huisuit vertrouwd zijn, minder expliciet kunnen worden, naarmate de critische instelling t.a.v. deze gereformeerde theologie er des te duidelijker uitspringt. Vraagtekens zetten bij overgeleverde posities is voor mij bepaald niet van meet af aan een verdachte zaak. Als dat vraagtekens-zetten dan maar geen instelling en methode wordt, waardoor een heleboel wordt losgepeuterd ter wille van het z.g. hooggeroemde dynamische denken.
Ik noem een paar punten. Het probleem belijdenapostoiaat is niet nieuw. Maar mag het Bijbels-theologisch verantwoord heten, als de heer B. Plaisier het apostolaat dusdanig op het wezen van de kerk betrekt, dat de beweging kerk-wereld niet meer omkeerbaar is en dat bovendien de Bijbelse gedachte van het kerk-zijn als een bruid van God en van Christus daarin niet meer verdisconteerd is (Hij zegt op blz. 56: Het is daarom een foutieve voorstelling van zaken als men oproept, dat de kerk eerst de waarheidsvraag aan de orde moet stellen en daarmee 'klaar' moet zijn, voordat zij met haar apostolische (? ) arbeid in de wereld kan beginnen. Apostolaat is het wezen van de kerk(? ? ? ). Is dat laatste nu werkelijk waar? Het is, dunkt mij, bijzonder ondoordacht neergeschreven. Of betekent het, wat de heer J. de Korte schrijft op pag 37: 'Het doel van de zending is de bekering tot Jezus Christus. Bekeerd worden houdt o.a. zendeling worden in'. Waarom alleen het o.a. genoemd? Voor belijdeniskramp ten koste van onze dure roeping in de wereld ben ook ik bang. Maar het kan toch zo langzamerhand wel duidelijk zijn geworden, dat de inkapseling in de twisten rondom de Waarheidsvraag niet oplosbaar is door de verhouding belijdenis-apostolaat om te keren. Belijdeniskramp is verwerpelijk. Maar mogen de leden van de C.S.F.R. ook weten, waar de grenzen liggen tussen een relativering van onze belijdenis en een Remonstrants belijdenisrelativisme aan de andere kant? (Wat betekent b.v. de uitdrukking: niet gehinderd door dogmatische reflexie op blz. 95).
Daar komt dan nog de kwestie van de dialoog bij. Het is bepaald niet gemakkelijk om te zeggen, wat Westerse verpakking van het Evangelie is en wat de Waarheid van God is, voor alle tijden en mensen. Of mogen wij over dat laatste niet spreken? Is de leer van de drieeenheid ook Westerse verpakking, zoals pater Saelman in het interview stelt? Mij dunkt, dat met deze opmerking o.a. het sein voor de C.S.F.R. wel een beetje op rood komt te staan. Men moet in elk geval weten, dat het afwikkelen van de z.g. Westerse verpakking van 't Evangelie in de practijk ook nog wel eens betekend heeft, dat men een soortgelijk afwikkelingsproces geëntameerd heeft met betrekking tot de Bijbel (Denk aan de entmytholosiering van Bultman). En dat ook terwille van de z.g. dialoog. Als de waarheid een depositum is (en dat houd ik staande), dan is ze toch zeker ook te omschrijven in geloofstaal? En moet dan juist de dialoog ons niet duidelijk maken, dat de geloofszaken van onze belijdenisgeschriften, hoezeer ook op situaties afgestemd, geloofszaken zijn, die altijd en overal de kern uitmaken van het chris telijk geloof? Wat daarom de heer H. A. Abma ten beste geeft over de waarheid en wijsheid van de wereld, die wacht om op het heil betrokken te worden (de volkeren verlangen naar het Rijk) is niet alleen een gewaagd stukje theologie, waardoor hij in ernstige botsing komt met de gereformeerde theologie, het heeft blijkbaar ook te maken met de manier, waarop hij het werk van de heilige Geest ziet ook buiten de bijzondere openbaring van het Woord. Daarom zegt hij: 'In het christelijk'geloof is de gedachte aan methodische oplosbaarheid van de waarheidsvraag bij de wortel afgesneden door de belijdenis van de Heilige Geest', (pag. 73) Ik vraag: Is de Bijbel de oplossing van de waarheidsvraag uit kracht van de heilige Geest en is ze het alleen en is ze het (zij het dan niet methodisch) ook niet als depositum? Een tendens in de huidige theologie om de Bijbel in het verlengde van de geschiedenis te trekken en omgekeerd, mag eindelijk wel eens een keer duidelijk vanuit het Zelfgetuigenis van de Schrift in onze kring weersproken worden. En tenslotte zou ik willen vragen: Zouden de jonge kerken er zo slecht mee zijn, als zij (om de woorden van de heer Abma te gebruiken) als potplanten gepoot zouden worden en geworteld zouden zijn in de voedingsbodem van Westerse belijdenissen? Er zou veel meer te zeggen zijn. Ik meen, dat ds. J. J. Tigchelaar gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat het geheel bepaald wat meer in een eschatologisch kader had kunnen staan en dan eschatologisch in de zin van: En dat zoveel temeer als gij ziet, dat de dag nadert!
Vragen zijn er om mee te worstelen. En het is althans mijn ervaring, dat ik, al worstelend, steeds meer midden in het hart van de reformatorische belijdenisgeschriften terecht komt. Wat zou ik anders wensen ook ten aanzien van de studenten, die met deze geweldige vragen, op zo diepe wijze bezig zijn.
C. den Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 augustus 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's