Getuigen van Christus?
Want zie, hij bidt. Handelingen 9:11.
Een geweldige verandering heeft zich aan Saulus van Tarsen, de man van wie dit geschreven staat, voltrokken. Blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren is hij naar de hogepriester om volmachten gegaan om ook te Damascus de gemeente van Jezus Christus zoveel mogelijk schade te berokkenen en als het kon te vernietigen. 'Blazende dreiging en moord'. Hij liep er om zo te zeggen van over. En zo gaat hij dan ook op weg. 'Berstensvol van agressie tegen allen, die van de weg des Heeren waren.
Diezelfde man vraagt echter later, als de verhoogde Christus hem in de weg getreden is, als een gebroken mens: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? Alles waar mee hij meende zich tegenover God gerechtigheid te hebben verworven, is hem uit de handen gevallen. Hij is een arme in zichzelf verloren zondaar geworden. Dat is genade. Het is uit de Geest. Daarom vervalt Saulus niet aan de vertwijfeling, maar hij bidt. Straks brengt Ananias hem de boodschap der vertroosting en met de Heilige Geest vervuld mag hij met alle heiligen bekennen de liefde van Christus, die alle kennis te boven gaat; welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij.
De berijming van de 145ste psalm zegt: Zij zullen uit de volheid van 't gemoed, gedachtig aan de milde overvloed van Uwe gunst, die roemen bij elk één en juichen van al Uw gerechtigheden. Geen wonder, dat we dan ook lezen, dat deze nieuwgeboren mens terstond Christus predikte in de synagogen.
Toch vraagt men zich wel eens af, of dat zo maar kan. Was het niet wat te hoog gegrepen en had het niet eerst wat moeten rijpen? Zou het eerst niet eens moeten overzomeren en overwinteren? Schrijft Paulus zelf later niet aan Timotheüs, dat hij met 'nieuwelingen' toch een beetje voorzichtig moet zijn? (1 Tim. 3:6) Trouwens heeft hij zelf niet begrepen, dat hij nog heel wat leren moest, voordat hij de Naam des Heeren zou kunnen dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels? Trok hij zich daarom eerst gedurende enige tijd in een zekere eenzaamheid 'in Arabië' terug (Gal. 1:16 V.V.).
Maar hoe dit ook zij. Eén ding moet ons duidelijk zijn. Hij heeft geweten, dat hij het niet voor zich mocht houden. Hij kon het ook niet, maar getuigde vrijuit van Hem, die hij als de Weg, de Waarheid en het Leven had leren kennen.
Dat heeft niets bevreemdends. God roept Zich een volk uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, opdat het Zijn deugden zal verkondigen. En Christus vergadert Zich door de levendmakende Geest een gemeente, die Zijn getuige zal zijn.
Het moet ons eerder bevreemden, dat daarvan zo weinig in het leven van de gemeente, in het leven van hen, die zich naar Christus' Naam noemen, openbaar komt. Het klinkt hard en het is de vraag of het wel altijd terecht is, maar hebben we geen reden om ons het verwijt aan te trekken: Wat gaat er nu van de kerk uit, als de kerk uitgaat? Is de gemeente, zijn wij in woord en werk wel een getuige van Gods genade in Christus Jezus voor een in zichzelf verloren wereld?
En de oorzaak daarvan?
De Heere noemt, als Ananias wat bezwaren heeft om naar de man te gaan, die de heiligen te Jeruzalem zoveel kwaads gedaan had, als het meest opmerkelijke van de verandering, die zich aan die mens heeft voltrokken, het feit, dat hij leerde bidden: Zie, hij bidt. Déze man bidt.
Christus zegt dat van hem. Vroeger hadden de mensen in Jeruzalem misschien wel van hem gezegd: Zie, hij bidt. Want van de Farizeeën, waartoe Saulus van Tarsen behoorde, is bekend, dat ze er dikwijls voor zorgden tegen de tijd van het gebed op straat te zijn, opdat zij daar in het waarnemen van hun godsdienstige verplichtingen door iedereen gadegeslagen konden worden. Desondanks kan men zeggen, dat er in het leven en denken van de Farizeeën voor gebed geen plaats is. Christus heeft dat scherp blootgelegd in de gelijkenis van een Farizeeër, die met een tollenaar naar de tempel ging om te bidden (Lukas 18). Die man bidt niet. Hij dankt al evenmin, al gebruikt hij dat woord. Want wie dankt, geeft God de eer, maar deze mens steekt alleen maar zichzelf in de hoogte. Hij is niet als de andere mensen en daarbij zeer overvloedig in de betrachting van de wet. Waar God alleen maar tienden vraagt van bepaalde zaken, geeft hij ze van alles wat hij bezit. Waar God vraagt één dag per jaar, op de Grote Verzoendag, het vasten in acht te nemen, doet hij het niet minder dan tweemaal per week. Zo staat hij daar in eigen gerechtigheid opgericht voor God als een toonbeeld van een mens, die het leven in eigen hand denkt te hebben. In de overtuiging met zijn eigenwillige vroomheid over Gods gunst, die hij zichzelf verdiend heeft, te beschikken. Zo'n mens is Saulus van Tarsen geweest. En die ligt daar nu ter aarde: onbruikbaar, ontwapend, gebroken, verloren. In gebed. Hij heeft dat van de tollenaar geleerd: O God, wees mij zondaar genadig. Alles, waarop hij zich tegenover God meende te kunnen verheffen is hem ontvallen. Die God meende een dienst te doen, heeft zich met al zijn vroomheid als een strijder tegen God moeten leren kennen. Van een gearriveerde vrome, is hij tot een arme bedelaar geworden.
Dat brengt bij de vraag terug, wat er de oorzaak van kan zijn, dat er zo dikwijls geklaagd moet worden over het gebrek aan geestelijke kracht in de gemeente, evenals in ons eigen leven.
Zolang Saul van Tarsen het leven in eigen hand dacht te hebben, stond hij de voortgang van het werk Gods alleen maar in de weg, hoezeer hijzelf meende Gode van dienst te zijn. Maar éénmaal in eigen kracht gebroken, mocht hij ervaren hoe de kracht van Christus in zijn zwakheid volbracht werd (2 Cor. 12:10). Juist in die afhankelijkheid zal hij een zeer geschikt instrument van het voortgaande welbehagen des Heeren zijn.
Ja, maar Ja, als de Heere ons nu ook maar eens zo in de weg trad, als Hij Saulus van Tarsen op de weg naar Damascus tegenkwam! Met zo'n verzuchting zullen we toch voorzichtig moeten wezen. Me dunkt, dat Paiilus zou zeggen: Bidt God liever, dat het nooit nodig zal zijn u op die wijze in het rechte spoor te brengen. Hij heeft er heel zijn leven, ook al wist hij zijn zonde vergeven, pijn aan gehad, dat het met hem zover was gekomen, dat de Heere hem op die manier een halt moest toeroepen.
Maar ik dacht, dat we met zo'n opmerking ook ernstig tekort doen aan de betekenis van de gave van het geopenbaarde Woord en in het bizonder van de verkondiging daarvan in de Sacramenten betekend en verzegeld. We hebben toch geen reden orn te zeggen, dat God daarin op minder reële wijze dan in de verschijning aan Saulus op de weg op ons toekomt met de vraag: Mijn zoon, mijn dochter, geef Mij uw hart?
Waar het woord van Christus is, daar is Hij Zelf. Het zou goed zijn, als we daar meer ernst mee leerden maken. Het is zo'n onbegrijpelijk wonder, dat God, Die niemand van ons nodig heeft en ook niet op iets van ons behoeft te wachten, om Zichzelfs wil naar ons vraagt.
Gelukkig mens, die onder dit vragen en zoeken van de liefde breekt. Voor het eerst en opnieuw, omdat we juist als de dichter van psalm 119 moeten erkennen onbedacht de Herder weer uit het oog te hebben verloren. Als we van een zelfvoldane bezitter een arme bedelaar worden.
Want dat is uit de Geest. Zo iemand mag dan evenals Paulus, toen hij in gebed was niet te beste dagen hebben. De Heere troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht! De Geest, Die het uit Christus neemt, en Zijn ellendigen en armen verkondigt, is de Geest der vertroosting, die Christus gestalte geeft in onze harten als de Weg, de Waarheid en het Leven.
Dat draagt vrucht: Wij kunnen niet laten te spreken van al wat we gezien en gehoord hebben!
Nee, het probleem is niet, dat iemand soms naar onze gedachten wat voortijdig spreekt over de hoop, die in hem is. Het moet ons meer benauwen, dat men er zo weinig van hoort getuigen. Dat er zo weinig gesproken en zoveel gezwegen wordt.
Zeist
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1975
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's