Nederland en Zuid Afrika
1
Inleiding
Er is vrijwel geen land ter wereld waarover zoveel te doen is als Zuid-Afrika. De reden daarvan is bekend, het gaat om de verhouding tussen de talrijke groepen van mensen die daar wonen: in hoofdzaak tussen blanken en niet-blanken. Weliswaar levert die verhouding ook elders in de wereld probZemen, zelfs grote problemen op, maar Zuid-Afrika is het enige land ter wereld waar deze verhouding wettelijk is geregeld.
Wil men iets wettelijk regelen en dat in de praktijk toepassen, dan blijkt veelal dat er twijfelgevallen zijn die een verduidelijking of een nadere precisering behoeven en dat leidt dan weer tot een verdergaande en dikwijls zeer gedetailleerde wetgeving. Zo is in Zuid-Afrika de zogenaamde apartheidswetgeving ontstaan, een stelsel van wetten en uitvoeringsmaatregelen, waarin de verhouding tussen of, beter gezegd, de aparte behandeling van blanken en niet-blanken minutieus is geregeld.
Omdat het hierbij niet gaat om een regeling van zaken of goederen maar van mensen, die verschillen in huidskleur, is deze apartheidswetgeving een voorwerp van de meest bijtende kritiek geworden en het volksdeel dat voor deze wetgeving verantwoordelijk wordt gesteld, het mikpunt van de meest grove verachting. Daardoor is Zuid-Afrika op het terrein van de internationale samenleving een uitgestotene, een voetveeg geworden. Geen benijdenswaardige positie voor een land en een volk dat zich in het begin van deze eeuw nog mocht verheugen in een wereldomvattende sympathie wegens zijn heroïeke strijd tegen het overmachtige Engeland van toen en dat nog tot in de veertiger jaren een zeer gerespecteerd lid was van de volkerenfamilie.
Van de westerse landen, die het meest van zich laten horen in hun scherpe veroordeling van het Zuid-Afrikaanse bevolkingsbeleid, neemt Nederland een voorname plaats in. Merkwaardig overigens als bedacht wordt dat het zo zeer verfoeide blanke volksdeel van Zuid-Afrika voornamelijk van Nederlandse afkomst is. Dat blijkt niet alleen uit de verwante taal maar ook uit de calvinistisch getinte levensbeschouwing. Nog merkwaardiger als verder bedacht wordt dat de felste kritiek in ons land geleverd wordt door leidinggevende kerkelijke figuren, die — terecht of ten onrechte — dezelfde levensbeschouwelijke pretentie hebben.
Het blijkt dus mogelijk te zijn dat broeders van het zelfde huis (in Zuid-Afrika) tot handelingen in staat zijn — het laten voortbestaan van de apartheid — waarboven de andere huisgenoten (in Nederland) zich verre verheven achten, anders toch kan hun mateloze kritiek niet verklaard worden.
Er zijn andere broeders in het Nederlandse huis die zich afvragen of deze houding in overeenstemming is met de bijbelse normen, die aansporen tot zelfkennis en daardoor tot matiging in het oordeel over anderen. Betekent een zodanige instelling dat men zich afzijdig moet houden van omstreden vraagstukken als dat van de apartheid? Als men zich oprecht door bijbelse normen wil laten leiden is er nooit sprake van onverschilligheid voor het doen en laten van anderen, zeker niet als die anderen zich door dezelfde normen willen laten leiden, zoals in Zuid-Afrika het geval is. Het beteket wel dat men de moeite wil nemen om een onderzoek in te stellen naar de motieven, die aanleiding geven tot een handelwijze van de ander, waarmede men het moeilijk heeft om die te aanvaarden. En dan zou kunnen blijken dat er begrip voor die handelwijze ontstaat, die waarschijnlijk niet in alles tot instemming zal leiden, maar wel tot een naast-elkaar, in plaats van boven-elkaar gaan staan, om zodoende te trachten die problemen, waarvoor de een meer gesteld is dan de ander, samen tot een oplossing te brengen.
Tot het aankweken van dat begrip willen we in het hiernavolgende een poging doen.
Verschil in opstelling
Een bezoek aan Zuid-Afrika met het doel te komen tot verdieping in de raciale problematiek van het land, brengt ons al spoedig tot het besef dat hier inderdaad sprake is van een diepe kloof tussen blank en niet-blank. Niet in de zin van een merkbare gespannen toestand tussen beiden, wat we zouden verwachten bij het signaleren van een kloof. Deze bestaat meer in de zin van het volkomen gescheiden van elkaar leven. Buiten het terrein van de arbeidsverhoudingen is er geen maatschappelijk contact tussen beide bevolkingsgroepen. Blanken gaan niet op voet van gelijkheid om met niet-blanken. Ze ontvangen dezen niet in hun huis, geven hun geen hand ter begroeting, komen niet met hen samen in openbare gelegenheden, zelfs niet in de kerk. Kortom... de apartheid ten voeten uit, die nog wordt geaccentueerd door opschriften bij bepaalde gebouwen, parken of vervoermiddelen: Alleen voor blanken. En als blank en nietblank met elkaar in aanraking moeten komen, vrijwel uitsluitend dus op het terrein van de arbeid, dan is dat een contact op afstand, dat zich kenmerkt door een zekere neerbuigendheid van de zijde van de blanken.
De lezer bemerkt dat we geen moeite doen om de toestand in Zuid-Afrika mooier voor te stellen dan hij is. Daar is, ook bij een welwillende benadering van het probleem, niemand bij gebaat. Evenmin willen we verhelen dat het waarnemen van deze toestand op de bezoeker aanvankelijk een frustrerende indruk maakt, die hem in gemoede doet afvragen hoe het mogelijk is dat er zo'n scherpe scheiding kan bestaan tussen groepen van mensen, die alleen maar — zo wordt althans veelal gedacht — verschillen in huidskleur. Het is dan ook begrijpelijk dat waarneming van deze feiten, zonder kennis van achtergronden, tot een zekere verontwaardiging leidt. Het valt immers niet te ontkennen dat hier sprake is van discriminatie, waaronder in dit geval moet worden verstaan het innemen van een bevoorrechte positie door de ene groep burgers (de blanken) te nadele van de andere groep (de niet-blanken) van het zelfde, land.
Nu kan men bij het op zich laten inwerken van deze bedenkelijke toestand in Zuid-Afrika als emotioneel hierbij betrokken buitenstaander twee dingen doen: deze toestand botweg veroordelen en alles in het werk stellen om daaraan ten koste van alles een einde te maken, óf begrip opbrengen voor de historisch scheef gegroeide verhoudingen in Zuid-Afrika en streven langs de weg van geleidelijkheid daarin verandering te brengen.
De eerste weg is verreweg de gemakkelijkste en wordt daarom door de meesten bewandeld. Men kan daarop alles wat het blanke volksdeel betreft ongenuanceerd veroordelen, schijnbaar op grond van de beste papieren. Immers alle aan christendom en humanisme ontsproten normen voor het intermenselijk handelen verzetten zich tegen discriminatie en rassisme. Welnu, wat let ons dan om het blanke minderheidsbewind desnoods gewelddadig op te ruimen? Zo spreekt en handelt in feite de Wereldraad van Kerken, daarin trouw bijgestaan door zijn leden in Nederland. Men kan zich afvragen of de Koning der Kerk daarin voorgaat. Van Hem is wél de uitspraak bekend: niet door kracht of geweld maar door Mijn Geest zal het geschieden.
De tweede weg is verreweg de moeilijkste en de moeizaamste en wordt dan ook door weinigen betreden. Men loopt daarbij het risico voor rassist en ander fraais te worden uitgemaakt en van bepaalde kringen — ook kerkelijke — te worden uitgesloten. Vandaar dat sommigen, die in hun hart overtuigd zijn van de juistheid van deze weg, deze niet durven gaan 'uit vreze der joden'. Er is ook weinig eer te behalen door begrip op te brengen voor blank Zuid-Afrika. Integendeel, men heeft op die weg te kampen met alle vormen van tegenwind, het meest vanuit de hoek van de publiciteitsmedia, die onafgebroken hun bittere gal spuien over alles wat in dat land door de blanken 'misdreven' wordt.
Als we ons desondanks toch op die weg willen begeven dan doen we dat niet alleen omdat die eerste weg een heilloze is, een weg van bloed en tranen voor alle bevolkingsgroepen van Zuid-Afrika, die daarom reeds voor een christen ontoelaatbaar is, maar vooral doen we dat omdat dit land er recht op heeft eerst dan voor de vierschaar van ons oordeel gesteld te worden nadat we kennis hebben genomen van feiten en achtergronden.
Een stukje geschiedenis
Een rechtvaardig oordeel over de huidige toestand in Zuid-Afrika kan nooit worden gegeven zonder kennis van de geschiedenis van dat land. Eén van de misvattingen die daarover bestaan is de vergelijking met andere vormen van blank minderheidsbewind in zuidelijk Afrika, zoals de voormalige Portugese koloniën Angola en Mozambique en het huidige regiem in Rhodesië. Gaat het in deze gevallen om duidelijke voorbeelden van koloniaal bewind — het uit winstbejag in bezit nemen van andermans grondgebied — in Zuid-Afrika ligt dat geheel anders.
Daar kwam Jan van Riebeeck met de zijnen in 1652 in een niemandsland, niet met de bedoeling om dat voorgoed in bezit te nemen maar alleen om daar een pleisterplaats te stichten voor de scheepvaart op het toenmalige Nederland-Oost-Indië. Niet 'dat onze voorvaderen te goed waren voor koloniale aspiraties, dat bewijst de geschiedenis in laatstgenoemd gebied wel. Maar in Zuid-Afrika viel niets te halen en dus ook niets te koloniseren, want daar was eenvoudig niets. Alles moest nog gemaakt worden, behalve weidegronden voor het vee. Omdat die er genoeg waren ging men zich later, in plaats van op de landbouw, voornamelijk op de veeteelt toeleggen. Toen dat bleek aan te slaan gingen de Nederlanders om hun aangroeiende kudden meer voedsel te kunnen geven verder landinwaarts en kreeg hun aanwezigheid een blijvend karakter.
Daarbij kwam men weliswaar in aanraking met zwerfstammen zoals Hottentotten en Bosjesmannen maar omdat deze ook geen vaste woongebieden hadden leidde dat niet tot wederrechtelijke inbezitneming van grondgebied. Niemand werd verjaagd uit zijn bezitting en niemand werd uitgeroeid.
Ook in een veel later stadium van de kolonisering van Zuid-Afrika, met als aanleiding de Grote Trek naar het noorden in het midden van de vorige eeuw, toen de Boeren, zoals de Hollandse kolonisten inmiddels genoemd werden, geconfronteerd werden met gevestigde negervolken was hun streven om grondgebied te verwerven niet gericht op gewelddadige inbezitneming maar op vreedzame onderhandeling. Bij dat toenemende contact tussen blank en niet-blank moet men wel bedenken dat het daarbij ging om bevolkingsgroepen, die hemelsbreed van elkaar verschilden en dat niet slechts in huidskleur maar vooral in beschaving. Enerzijds de hoog-gecultiveerde blanken, anderzijds de primitieve, ten dele nog in het stenen tijdperk levende negers, die voor het besef van de eersten niet veel anders waren dan barbaren. Dit besef werd versterkt door kennismaking met klaarblijkelijke voorbeelden van barbarisme, die de verschillende negerstammen niet alleen ten opzichte van de blanken maar ook onderling bedreven.
Van enige toenadering op gelijk niveau was dan ook geen sprake. Wel beschouwden de kolonisten, voor wie de oude Statenbijbel maatgevend was voor hun handel en wandel, het als hun plicht om het toenemende aantal negers dat in hun dienst kwam, te verlossen uit hun barbarendom door ze tot het Christendom te brengen. Daarbij lieten zij zich graag leiden door het voorbeeld van de — met hun positie vergelijkbare — aartsvaders uit het Oude Testament, t.w. herdersvorsten met veel inheems personeel. Daardoor is de mentale instelling ontstaan van 'blank baasskap'. Aan die instelling is voedsel gegeven door de reële situatie dat het de blanke is geweest die met veel moeite en grote opoffering Zuid-Afrika heeft ontdekt. tot cultuur en daardoor tot grote welvaart gebracht.
Tot die cultivering rekenden de blanken eveneens de verbetering van het lot der naturellen, die in hun dienst traden, door hen te bevrijden uit de greep van het heidendom en hen te beschermen tegen het immer dreigende gevaar van onderlinge stammenoorlogen. De kerstening van de negerbevolking werd in een later stadium intensief vanuit de kerken bedreven. Deze ging gepaard met allerlei voorzieningen op medisch-hygiënisch en onderwijskundig gebied, waardoor het beschavingspeil van de zwarten aanzienlijk werd opgetrokken.
Een verdergaande ontwikkeling tot een zekere mondigheid en daardoor tot het dragen van mede-verantwoordelijkheid voor het" bestuur van het land was, gezien het zozeer verschillende cultuurpatroon, zo onvoorstelbaar dat de gedachte daaraan aanvankelijk niet eens bij de Boeren opkwam, laat staan de zedelijke en morele plicht daartoe.
Dirksland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's