Edom weigert Israël
Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarna week Israël van hem af. Numeri 20 : 21
Ditmaal vraagt een vrij nuchtere, zakelijke aangelegenheid uit Israels geschiedenis onze aandacht. Het leven van het volk Gods loopt niet alleen over geestelijke zaken, maar ook over gewone alledaagse dingen. Gods Woord behandelt ook die, en wij willen ook die nederig overdenken. Het leger Israels is gekomen in Kades of Kades Barnea, ten Zuiden van Kanaan. Tevergeefs heeft Israël geprobeerd, tegen Gods wil in, om vanuit het Zuiden Kanaan binnen te vallen. Gods wegen zijn doorgaans niet de kortste wegen! In Kades schijnt het volk lang gelegen te hebben. Kades lag halverwege de Westgrens van Edom, dat als een smal en langgerekt bergland zich uitstrekt van de Dode Zee tot aan de Golf van Elam, de Oostelijke uitloper van de Rode Zee. Om aan de Oostzijde van Kanaan te komen moest Israël de korte weg dwars door het smalle Edom gaan, of... helemaal om het langgerekte Edom heen trekken. Edom lag op het gebergte van Seïr, dat een bosrijk gebied was. Schuin voor Kades was een vlakte, die een korte en gemakkelijke weg bood, gelegen tussen een tweetal gebergten, het ene Noordwaarts, het andere Zuidwaarts. In dat dal lag bovendien een aangelegde heirweg, de koningsweg. Over die weg liet Mozes door zijn boden de koning van Edom vragen, het volk Israël te laten trekken. Op een zeer hoffelijke en gevoelige wijze hebben de gezanten van Israël het verzoek overgebracht: 'Alzo zegt Uw broeder Israël'. Inderdaad was Edom Israels broedervolk. Zij zijn de afstammelingen van Ezau, die na de ontmoeting met Jacob aan de Jabbok heenging en het gebergte Seïr tot een bezitting nam. Edom was dus eigenlijk het tweeling-volk van Israël. Van geen volk kon Israël eerder weldadigheid verwachten dan van Edom. De gezanten doen een aandoenlijk verhaal van hun ervaringen van vierhonderd en veertig jaar: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is: hoe onze vaders naar Egypte gegaan zijn. Dit is geschied op het eigen verzoek der Egyptenaren. Hoe wij daar vele jaren gewoond hebben en al het kwaad, dat de Egyptenaren ons gedaan hebben. Toen riepen wij tot den HEERE en Hij hoorde onze stem en Hij zond een Engel en Hij leidde ons uit Egypte en zie, wij zijn te Kades, een stad aan het uiterste Uwer landpale. — Die Engel, die Israël uitleidde, was niemand minder dan Christus, het ongeschapen Woord Gods. In feite stond dus Christus met Zijn volk voor de poorten van Edom. — Laat ons door Uw land trekken. Wij zullen geen akker of wijngaard beschadigen, wij zullen niet naar links of naar rechts afwijken, wij zullen de koninklijke weg gaan. Als wij van Uw water zullen drinken, dan zullen wij de prijs er voor betalen. Water was een kostbaar bezit, de putten werden met stenen besloten en bezegeld. Water werd voor geld verkocht. Te voet zullen wij trekken, als een leger met gevelde banieren en lansen.
Is dit niet een redelijk verzoek? Edom kon weten, dat Israël in de woestijn geen volk was aangevallen. Edom kon weten, dat aan Israels stamvaderen het land Kanaan tot een erfelijke bezitting door God beloofd was. Zoals God aan Ezau Zijn belofte van een rijk land en tijdelijke zegeningen gehouden had, zo zou Hij ook Zijn aan Jacob gedane zegening houden. Christus zouden zij ontvangen en die stond nu voor Edom's grenzen. En Kanaan zouden zij beëerven. 'Laat mij toe mijn erfenis te ontvangen'. Dit was Israels redelijk verzoek.
Laat mij toe tot mijn erfenis te gaan. Dit is de vraag door de eeuwen heen van een volk, dat onder Christus' vanen gaat. Het is een volk waarvan veel kwaads en zondigs te zeggen valt. In dit opzicht is het niet beter dan elk ander volk. Maar dit goede hebben zij: dat zij onder Christus' leiding staan en dat hun hart haakt naar hun erfenis. Laat ons deze gunst alleen toe, dat wij een korte tijd verkeren als vreemdeling in Uw land. Onze Koning is Christus. Ons kompas is Zijn Woord. Onze leefregel is Zijn wet. Onze hoop is Zijn Evangelie. Ons levensdoel is ons vaderland. Wij hebben Egypte, het diensthuis der zonde, achter ons. Ieder kan weten, dat Gods Engel, Christus, ons Zelf daaruit verlost heeft, 't Heeft ons veel leed en strijd gekost, om dat te verlaten. Wij hebben ook zelf niet weggewild, had niet de hoge hand des HEEREN ons door wonderen uitgeleid, wij zouden daar gebleven zijn. Wat wij vragen is dit: 'Laat ons trekken, laat ons erven!'
Edom antwoordt: 'Gij zult door mij niet trekken, opdat ik u met het zwaard niet tegemoet ga'. Op een herhaald verzoek antwoordt Edom: 'Gij zult niet doortrekken'. Met een zwaar volk en met een sterke hand heeft Edom zich Israël in de weg gesteld. Eén keer is Ezau, Edom's stamvader, Jacob gewapend tegemoet gegaan, toen deze zijn erfenis zou betrekken. Hier doet Ezau's nageslacht hetzelfde. Wat zit de tegenstelling van de vaderen toch diep in de nageslachten. Het begon maar met een schotel linzenmoes. Het eindigt bij een zwaard. Toen werd door Ezau Christus en Zijn erfenis verworpen, nu wordt door Edom Christus' volk van de erfenis geweerd. Toen werd Christus afgewezen, nu wordt Hij geweerd. Wat iemand voor zichzelf niet begeert, dat gunt hij ook een ander niet. Het ongeloof is onverdraagzaam. Als het volk Gods vraagt: 'Laat ons trekken, laat ons erven', dan is het antwoord van de wereld: 'Neen, wij niet, gij ook niet!' Aan Edoms grenzen, aan Kanaans grenzen, vallen de beslissingen.
De tekst zegt tenslotte: Daarom week Israël van hem af'. Dat staat daar zo eenvoudig, maar dit betekende voor Israël om het lange, smalle Edom heen een afstand als van Egypte af tot Kades toe te moeten afleggen. Merkwaardig, dat Israël nu niet murmureert. Zij denken er ook niet aan tegen Edom te strijden, welke strijd zij best hadden kunnen winnen met die machtige God aan hun zijde. Gelaten gaan zij weg. De HEERE heeft gezegd in Deuteronomium 23 : 7 'Den Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is Uw broeder; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden, want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land'. Dat heeft Israël in praktijk gebracht. Zij geven geen lelijk weerwoord aan Edom. Zij hebben de wraak niet gezocht. Zij hebben bij God over Edom niet geklaagd. Maar de HEERE heeft de wrake Israels gewroken. Om deze onmenselijke houding van Edom, die tegen elk Oosters volkerenrecht streed, is kort daarna hun koning Harad gedood en is hun koningshuis tot een gewoon hertogdom gedegradeerd. God laat Zijn Engel, de Christus, niet de deur wijzen. En God laat ook Zijn volk niet verachten. Het is niet om het even, hoe men het volk Gods behandelt! Dat is toch edel, dat Israël Edom nooit zijn handelingen vergolden heeft. Als een broedervolk is Israël Edom bjijven beschouwen. Dat is toch liefde, die de natuur niet leert.
Israël heeft zelfs zijn vijanden liefgehad. Dat heeft Israël geleerd van die Engel, van Christus, Die als Hij gescholden werd niet wederschold en als Hij leed niet dreigde.
— Laat ons, als de wereld, zelfs ook in de kerk, ons de pas afsnijdt, ons bemoeilijkt in onze vreemdelingstocht, ons de erfenis niet gunt, dat geduldig dragen. Laat ons niet klagen als onze weg langer en moeilijker om wordt. De weg naar het vaderland is nu eenmaal geen gemakkelijke weg, 't is ook een lange weg. Laat ons het kwade overwinnen door het goede, en van het kwade niet overwonnen worden. Laat ons liefhebben, die ons kwalijk bejegenen.
Tenslotte: 'Israël week van hem af'. Edom wordt achtergelaten. De reis van het Godsvolk gaat wel door. Dit volk moet leren alleen te gaan, alleen met zijn God. Het volk van God komt wel thuis, maar laat de wereld achter de rug. Israël week van Edom, maar ook Israel's Engel week van Edom. Wie geen plaats heeft voor de kerk, die heeft geen plaats vóór Christus, die wordt ook van die beiden verlaten. Hier vallen deuren dicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's