De bruidegom bezongen
Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen. (Psalm 45 : 3a)
Psalm 45 is een bruiloftslied. Een lied waarin het huwelijk tussen een koningszoon en een buitenlandse prinses bezongen wordt. Een lied vooral, waarin de liefde bezongen wordt tussen de hemelse Bruidegom en Zijn Bruidskerk op aarde. Dat blijkt al dadelijk aan het begin. Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen. Dat kan van geen enkele Koning worden gezegd. Dat geldt alleen maar van de Koning, ons van Israels God gegeven.
Schoonheid wordt in de bijbel gezien als een gave Gods. Jozef was schoon van aangezicht. Mozes was bij zijn geboorte bovenmate schoon. Er was in Israël geen man zo schoon als Absalom. Er werden zulke schone vrouwen niet gevonden als de dochters van Job.
Maar... schoonheid is een gave van God, niet een eigenschap om mee te pronken. Wanneer we alleen maar oog hebben voor uiterlijke schoonheid, dan worden we gewaarschuwd: De schoonheid is bedrog en de bevalligheid ijdelheid, maar een vrouw die de Heere vreest, die zal geprezen worden.
De dichter van Psalm 45 kijkt dan ook meteen over alle mensen heen. Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.
Klopt dat eigenlijk wel? Jesaja zegt toch van hem: Hij had geen gedaante of heerlijkheid. Ieder was als verbergende het aangezicht voor Hem? Jawel, maar het is ook een schoonheid die alleen met geestelijke ogen wordt aanschouwd. Het natuurlijk oog ziet er niets van. Maar het oog van het geloof ziet Hem zoals de Bruid Hem ziet in het Hooglied: Al wat aan Hem is is gans begeerlijk!
Waarin is de Bruidegom zo schoon?
Hij is schoon omdat Hij God en Mens is in één Persoon. In Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk. Waarachtig en volkomen mens, en tegelijk sterker dan alle mensen, ook waarachtig God. Hij is schoon in de namen die Hij draagt. Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst. Koning der koningen en Heere der heren. En bovenal: Zijn Naam is Jezus. Hij redt. Hij geneest. Hij maakt zalig. Geen naam is er zoeter en beter voor 't hart. Hij balsemt de wonden en heelt alle smart. Schoon is Hij als Profeet, want Hij spreekt de woorden Gods. Schoon is Hij als Priester, want Hij verzoent onze schuld. Schoon is Hij als Koning, want Hij regeert ons door Zijn Woord en Geest.
Schoon is Hij in Zijn vernedering. Zie Hem het land doorgaan, goeddoende, zieken genezend, bedroefden troostend. Zie Hem het kruis gewillig aanvaarden. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw wil te doen. Zie Hem kruipen door de hof van Gethsémané. Een worm en geen man, en toch de Schoonste van alle mensenkinderen. Zie Hem staan, met geboeide handen voor Kajafas, met de doornenkroon en de purperen mantel voor Pilatus. Zie Hem Zijn kruis voortslepen naar Golgotha. Zie Hem hangen aan dat kruis. Hij is de Schoonste van allen. Schoon is Hij ook in Zijn verhoging. In Zijn Koninklijke triomf over dood en graf. In Zijn Koninklijk zitten aan de rechterhand Gods. Schoon in het zenden van Zijn Geest, in de uitbreiding van Zijn Gemeente. In de veelheid der onderdanen is Zijn schoonheid. Zijn heerlijkheid.
Telkens opent Hij een oog, telkens opent Hij een hart voor Zijn schoonheid. En een mens die niets in Hem zag zegt verwonderd: Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.
Hebt u ooit iets van Zijn schoonheid gezien? Laten we eerlijk zijn, we hebben er helemaal geen oog voor. Er is ook zoveel te zien in deze wereld. Mooie dingen en lelijke dingen. Waardevolle dingen en volkomen waardeloze dingen. Maar ze eisen alle tijd en alle aandacht op. We zouden ons er blind op staren. En we houden nèt geen tijd, nèt geen aandacht meer over voor Hem, de Schoonste van alle mensenkinderen.
En toch wordt HIJ ons elke week verkondigd, de Koning in Zijn schoonheid. Toch wordt Hij ons voor ogen geschilderd in de bediening van Zijn Woord. Toch worden we elke week genodigd: 'Zie op Hem, zie op Hem!' Toch worden we elke week gewaarschuwd: Wat men hoort of ziet op aard is ons kost'lijk hart niet waard.
Wie is er begerig geworden Hem te zien? Zoudt u tevreden zijn, al had u verder nooit iets van de wereld gezien en al zou u er verder niets van zien, als u Hem maar gezien hebt? Zó, dat u met Simeon kan zeggen: 'Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan, in vrede, naar Uw Woord, want mijn ogen hebben Uw Zaligheid, Uw Zaligmaker, Uw Koning in Zijn schoonheid gezien'?
Weet u wanneer de Koning in Zijn schoonheid u dierbaar wordt? Wanneer u ontdekt hebt hoe vuil, hoe lelijk, hoe afzichtelijk we geworden zijn. We zijn immers volmaakt uit de handen van onze Schepper voortgekomen? Maar nu liggen we daar, ons te wentelen in het vuil van de zonde, in de modder van onze ongerechtigheid.
Dat zien we zelf niet. Maar als de Koning daarover Zijn licht laat schijnen, het licht van Zijn Geest, dan zien we het. En... dan schamen we ons weg: 'O God, daar lig ik nu, met schuld bedekt, misvormd door duizend zonden'.
Dan krijgen we Hem lief. Die nooit zonde gekend of gedaan heeft en in Wiens mond nooit bedrog is gevonden. Die Zijn kostbaar bloed heeft gestort, opdat wij, vuile zondaren, daarin zouden worden gereinigd. Zó gereinigd, dat God hen aanziet alsof zij nooit zonde gekend of gedaan hadden. Dan gaat heel ons hart uit naar Hem. Dan wensen we niemand anders meer te zien dan Hem.
Bemin'lijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven, Gaat al het schoon der mensen ver te boven.
Ridderkerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's