De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Die van de Vader en de Zoon uitgaat

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Die van de Vader en de Zoon uitgaat

10 minuten leestijd

Eeuwenlang is in de kerk van de Middeleeuwen een strijd gaande geweest over de vraag, of de Heilige Geest ook van de Zoon uitgaat. Het uitgaan of de blazing (processio, spiratio) van de Geest van en door de Vader is een duidelijk Schriftuurlijk gegeven, 't Staat zondermeer te lezen in het woord van Christus over de Trooster, die Hij zenden zou van de Vader: Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn. Die Ik U zenden zal van de Vader, nl. de Geest der waarheid, Die van de Vader uitgaat, die zal van Mij getuigen' (Joh. 15 : 26).

Geboren worden - uitgaan

Voordat wij nader ingaan op de vraag, of de Heilige Geest ook uitgaat van de Zoon, eerst iets over het verschil tussen geboren worden en uitgaan. Artikel 11 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt, dat de Geest uitgaat, maar dat Hij niet geboren wordt. De Zoon wordt geboren. De Heilige Geest heet nergens in de Schrift de Zoon van God. Met andere woorden. Hij komt dus op een andere wijze uit de Vader op dan de Zoon. Jezus heet in de Bijbel de eniggeboren Zoon van God. Maar waarin ligt dan dat verschil tussen het geboren worden uit de Vader van de Zoon en het uitgaan uit de Vader van de Heilige Geest? Van de geboren Zoon zou men tot op zekere hoogte kunnen zeggen, dat ook Hij uitgaat van de Vader, maar omgekeerd kan men van de uitgaande Heilige Geest niet zeggen, dat Hij net als de Zoon uit de Vader geboren wordt. Er is dus onderscheid in het opkomen van de Zoon en het opkomen van de Geest uit de Vader. Maar wie kan woorden vinden om dat precies duidelijk te maken? Er is een dubbele beweging van de Vader naar de Zoon toe en naar de Heilige Geest toe. Meer is er niet van te zeggen. Augustinus zei al: explicare quid potest — wie kan dat uitleggen?

Ook van de Zoon

Wij keren echter terug tot onze eigenlijke vraag, nl. of van de Heilige Geest gezegd moet worden, dat Hij ook uitgaat van de Zoon. Als wij op die vraag een antwoord zoeken in de heilige Schrift, valt het in elk geval op, dat de Geest des Vaders ook de Geest des Zoons heet. Die door de Vader in de harten wordt uitgezonden en die roept 'Abba, Vader' (Gal. 4 : 6; vgl. ook Fil. 1 : 19). Ook in Rom. 8 : 9 staat de Geest Gods onmiddellijk naast de Geest van Christus, 't Gaat hier kennelijk om dezelfde Geest. De Geest is dus ook Geest des Zoons. Hij, Christus laat Zijn Geest van zich uitgaan na Zijn opstanding, als Hij tegen Zijn discipelen zegt: Ontvangt de Heilige Geest' (Joh. 20 : 22). Na Zijn verhoging stort Christus dan ook Zijn Geest uit op de Pinksterdag.

Nu zou men kunnen zeggen, dat het geven van de Heilige Geest door de verhoogde Heere Christus een privilege is, dat Hij Zich als Middelaar verworven heeft door Zijn verzoeningswerk. In Hand. 2 : 33 lezen we, dat Hij de belofte des Heiligen Geestes verkregen heeft van de Vader. De Geest in Zijn volheid, in Pinksterbediening heeft Christus als God-menselijke Zaligmaker niet kwijt gekund dan alleen nadat Hij eerst de opdracht van Zijn Vader had volbracht door kruis en opstanding. Er is dus alleen maar ontvangst van de Geest door ons mensen, wanneer en doordat die Geest ons geschonken wordt door doorboorde Middelaarshanden. Maar betekent dat dan, dat Christus vóór Zijn kruis en opstanding geen betrekking had tot de Heilige Geest? Integendeel, Hij is er ook als God-menselijke Middelaar van meet af aan mee vervuld geweest. De Geest woonde in Hem als in een heilige tempel. Hij kon alleen niet van Hem uitgaan tot Zijn gemeente in Zijn Pinksterbediening, in doorbrekende kracht, wanneer Christus niet eerst de weg daartoe had vrijgemaakt in Zijn zoenbloed. Maar de Zoon van God is in elk geval nooit en in niets onderscheiden van de Vader dan alleen daarin, dat Hij de Zoon is. Het laten uitgaan van de Heilige Geest is ook iets, dat Hem één doet zijn met de Vader. De Zoon heeft dat om zo te zeggen bij Zijn eeuwige geboorte uit de Vader meegekregen. En juist omdat de Zoon krachtens Zijn eeuwige geboorte uit de Vader de Geest mede van Zich doet uitgaan, daarom kan Hij het ook zijn, Die straks met kwistige hand uit de volheid des Geestes uitdeelt. Gaat de Geest van de Vader uit, dan vindt die Geest toch alleen maar een weg tot gevallen Adamskinderen, doordat Hij ook van Christus uitgaat en door de Middelaar Zich een baan vrij heeft gemaakt tot het werk van de heiliging van zondaarsharten.

De strijd over het filioque

Ook van deze dingen geldt: Wie kan het uitleggen? Het is een tasten en zoeken naar woorden. En wanneer we het zeggen, zoals we het zojuist zeiden, dan blijven we in ieder geval in de lijn van het Bijbels spreken. Daarom heeft althans de Westerse kerk eeuwenlang al het z.g. filioque beleden: en van de Zoon!

Dat wil echter niet zeggen, dat er niet ook eeuwenlang over is getwist. Augustinus sprak al over het uitgaan van de Geest ook van de Zoon. Maar in de officiële Geloofsbelijdenis van Nicéa heeft oorspronkelijk niets méér gestaan, dan dat de Heilige Geest van de Vader uitgaat. Het is vooral in Spanje geweest, dat men met nadruk opkwam voor wat Augustinus had geleerd. Op de Synode van Saragossa (380) beleed men reeds: 'Wij geloven in de Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat'. Maar eerst op de derde synode van Toledo (589) wordt het filioque (en van de Zoon) ingelast in de Niceense geloofsbelijdenis, al was dan ook met nadruk op het concilie van Efese (431) en van Chalcedon (451) bepaald, dat niemand deze geloofsbelijdenis veranderen mocht.

Maar was de invoeging van het filioque door de Spaanse kerk niet naar de geest van wat de oude kerk wilde belijden ten aanzien van God de Heilige Geest? Ook in Frankrijk kwam in deze tijd de gewoonte op om bij het zingen van het credo in de mis het filioque mee te belijden. Dat betekende echter niet, dat daarmee de uitbreiding van de belijdenis algemeen aanvaard was in de kerk. Integendeel, van meet af aan heeft de Griekse Kerk in het Oosten daartegen geprotesteerd. In dat laatste zal wel de reden zijn geweest, waarom de paus van Rome niet bereid bleek in te gaan op het verzoek van keizer Karel de Grote om de toevoeging officieel in de liturgie op te nemen. Paus Leo III keurde in 810 nog op een synode te Rome de invoeging van het filioque duidelijk af. Bij het graf van de apostel Petrus in de Sint Pieter te Rome liet de paus twee zilveren wandplaten ophangen, waarop het oude credo zonder het filioque gegraveerd was. Toch zette de zaak zich door. Ondanks het groeiend verzet vanuit het Oosten wordt tenslotte in 1014 het filioque door paus Benedictus VIII in de officiële misliturgie ingevoegd. In 1054 wordt mede daardoor de scheiding tussen de Westerse en Oosterse kerk tot een schijnbaar onherstelbare breuk.

Strijd om futiliteiten?

De vraag kan gesteld worden, of deze hele zaak eigenlijk veel meer is geweest dan een strijd om futiliteiten, waar vooral moderne mensen terecht het hoofd over zouden kunnen schudden. Er zijn ook hier weer harde woorden gevallen. Iemand in het Oosten noemde de belijdenis, dat de Heilige Geest ook van de Zoon uitgaat, een nieuwe ketterij, een goddeloos, slecht, vals, aan het Evangelie tegengesteld dogma, geopenbaard door de duivel, de Vader der leugenen.

Maar is heel de kwestie misschien niet meer dan een spiegelgevecht? Doen we niet wijs, als we minder diep willen doordringen in de verhouding tussen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest? Laten de verborgen dingen voor de Heere onze God zijn. En is bovendien deze hele zaak niet slechts een dor dogmatische kwestie, die van geen betekenis is voor het kerkelijk en geestelijk leven?

Het antwoord kan kort zijn. Het heeft alles wel degelijk te maken met het geestelijk welzijn van de kerk en de gelovigen. Wie niet recht spreekt over God, kan onmogelijk een gezond-Bijbels geestelijk leven hebben. Men kan jarenlang geestelijk verdolen en in het donker lopen, wanneer men het rechte zicht op de Drieënige God mist. Helaas zijn er ook wat dit betreft dan altijd nog mensen, die de duisternis liever hebben dan het licht en zich niet willen laten onderwijzen.

Welnu, het verschil in opvatting tussen de Oosterse en Westerse kerk ten aanzien van de Heilige Geest is niet een middelmatige zaak. We kunnen veeleer zeggen, dat de hele zaak terug te brengen is tot een totaal verschillende opvatting van de verhouding tussen God en mens. Als immers de H. Geest slechts van de Vader uitgaat, is de Zoon niet zozeer nodig om in gemeenschap met de Vader te komen. Met andere woorden, dan is er sprake van een directe relatie tussen de Vader en de mens, de schepping door de Heilige Geest. Openbaart Zich de Vader dan niet in en door de Zoon? Jawel, maar dat heeft voor de gemeenschapsbeoefening met God slechts voorbereidende betekenis. M.a.w.: De openbaring van de Vader door de Zoon dreigt hoe langer hoe meer een nevenlijn te worden. Hoofdzaak is de directe mystieke gemeenschapsbeoefening door de Geest met de Vader. De Zoon doet ons de Vader kennen. Maar de Geest doet ons de Vader genieten. De Zoon openbaart dan de Vader niet in en door de Geest. De Geest leidt niet tot de Vader via de Zoon. Daaruit volgt, zegt H. Bavinck (Ger. Dogmatiek, 327), dat Zoon en Geest nu ook naast elkander komen te staan en beiden op gelijke wijze hun aitia, hun principium hebben in den Vader...

Beiden openen een weg tot den Vader. Orthodoxie en mysticisme, verstand en wil staan dualistisch naast elkaar... De leer staat buiten, boven het leven; zij dient alleen voor het hoofd; zij is een geschikt object voor theologische speculatie. Daarnaast is er een andere bron voor het leven in de mystiek des Geestes; deze welt niet op uit de kennis, maar heeft haar eigen oorsprong en voedt het gemoed...' Het mystieke één-worden met de Vader staat in dit alles dus duidelijk los van de middelen, van het Woord, van Christus, de kerk, de prediking en de sacramenten. Dat leidt onmiddellijk tot geestdrijverij. God kan men ook net zo goed beleven in de waaiing des Geestes in schepping en cultuur.

Maar om werkelijke gemeenschap met de levende God en Vader te kunnen beleven, hebben wij elkaar niet te verwijzen naar de natuur en de schepping. De Geest gaat ook uit van de Zoon. Hij wordt ons zelfs nimmer geschonken als een Geest, Die verenigt met de Vader dan alleen door de doorboorde handen van de Middelaar. Daarom moeten we om gemeenschap met God de Vader te hebben geen andere of hogere weg zoeken dan die van het Woord en de Christusverkondiging door de Heilige Geest. De Geest neemt het uit Christus en verkondigt het ons. Hij doet niet anders. Het is Zijn liefste werk. En zo ook alleen is er werkelijk sprake van een wonderbaarlijke gemeenschap met de Vader. God is buiten Zijn Zoon om niet te benaderen. Maar in en door Hem leidt de Geest ons op tot in Gods eeuwige Vaderhart, waar alle aanklachten van het geweten het zwijgen worden opgelegd en waar alleen maar stille. aanbidding overblijft. Soli Deo glora — God alleen de eer.

Wageningen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Die van de Vader en de Zoon uitgaat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's