Welke beslissing?
Antwoord aan prof. dr. J. Douma
Enkele weken geleden gaven we een uitvoerig overzicht van de zes artikelen, die prof. dr. J. Douma, vrijgemaakt Gereformeerd hoogleraar te Kampen, wijdde aan de Lunterse conferentie van het COGG, waar hij de Gereformeerde Bond opriep zich af te scheiden van de Hervormde Kerk, omdat zich dan het wonder van deze tijd zou voltrekken. Professor Douma reageerde toen ook uitvoerig op het artikel, dat wijzelf aan deze zaak hebben gewijd en waarin we onder meer vroegen wat dat wonder dan wel zou zijn, als we bedenken, dat zich in de vorige eeuw al twee maal dat wonder had voltrokken en we de blijvende gevolgen óók niet zagen.
De lezers zullen zich herinneren, dat professor Douma zich nogal scherp heeft uitgelaten over onze kerkelijke keuze, zó scherp, dat lezers reageerden met de opmerking dat één en ander beter onweersproken kon blijven, omdat er nauwelijks sprake kon zijn van een gesprek.
We menen dat we, na alles wat we in ons eerste artikel zeiden en waarop professor Douma dus uitvoerig heeft gereageerd, niet véél meer moeten zeggen. We denken in deze dingen langs verschillende lijnen. Bovendien is er het gevaar dat we niet verder komen dan het ophouden van eigen kerkelijke standjes.
Wél moet ik vooraf opmerken, dat het enigszins verklaarbaar is, dat zo weinig wordt gereageerd op artikelen in Vrijgemaakt Gereformeerde kring over hun kerkelijke positiekeuze. De alarmsignalen in de Vrijgemaakt Gereformeerde pers over andereir kerkelijke 'dwaling' en hun jubeltonen over eigen kerkelijk gelijk klinken zo luid en frekwent dat men er doof vaii wordt en voor wordt. De laatste jaren heb ik diverse kerkbladen toegestuurd gekregen uit de kring van de Vrijgemaakt Gereformeerden. Het kerkelijk vraagstuk en de belijdenis aangaande de kerk krijgen daarin zo'n brede aandacht, dat het soms lijkt alsof het belijden aangaande de kerk (ook in de belijdenisgeschriften) het enige is. Het lijkt een uitgesneden deel, een sectum te worden, zodat een sectarische neiging soms zich naar voren dringt. Zelfs wanneer men in deze bladen positief stukken overneemt uit andere bladen — o.a. uit onze bladen — over allerlei mogelijke onderwerpen, wordt meestal besloten met een vermaning over onze kerkelijke dwalingen. Het positieve wordt gebruikt om een negatieve conclusie te trekken. Datzelfde treft men aan wanneer men op vergaderingen van de Vrijgemaakt Gereformeerden als spreker optreedt. Bij alle gelegenheden laat men op dit ene punt z'n niet mis te verstane geluid horen. Reden waarona men licht geneigd is één en ander stilzwijgend terzijde te leggen. Zo hebben we het met professor Douma's artikel niet willen doen. Hij heeft een keer uitvoerig en eerlijk van zich af geschreven. We hebben dat doorgegeven en maken ter afronding — om niet in herhaling te vallen — puntsgewijs enkele opmerkingen. '
1. Beslissing
Professor Douma heeft ons herinnerd aan het woord van professor Schilder, dat ieder de kerk, waartoe hij behoort tot een Entscheidung, een beslissing moet dwingen. Inmiddels interpreteert hij deze oproep zó, dat wij het juk moeten afleggen van een gemeenschap, die de christelijke belijdenis in haar midden laat weerspreken.
Mag het misschien ook zó — ik wijs de bekende weg — dat we ons onder dit juk binnen onze kerk niet laten brengen, dat we op beslissende momenten, wanneer de gehoorzaamheid aan de Waarheid der Schriften gaat boven kerkelijke beslissingen, bewust neen zeggen en dat we binnen onze kerk opkomen voor het goed recht, het alleenrecht van de confessie? Dat laatste bepaald niet alleen in 'eigen' gemeenten — wat zijn dat overigens voor gemeenten? — maar binnen de hele kerk, op al haar ambtelijke vergaderingen ? Voelt prof. Douma iets van onze worsteling om de waarheid in het gehéél van onze kerk gezag te doen hebben? Wij mogen zeggen dat we in de Hervormde Kerk nog vrijuit met het Woord en naar onze belijdenis kunnen staan en hebben daarom niet het recht om de kerk prijs te geven aan wat niet is naar haar eigen confessie. Dat is onze 'Entscheidung', hoe kwetsbaar we daarmee kennelijk ook zijn in professor Douma's ogen. Juist omdat wij binnen onze kerk telkens oproepen tot een Entscheidung inzake de belijdenis en we geen democratisch beginsel huldigen, waarmee alle stromingen gelijke rechten zouden hebben in onze kerk, daarom is onze positie in onze kerk ook vaak zo aangevochten.
2. Wonder
Professor Douma noemt de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken het einde van een wonder (van de negentiende eeuw) en de vrijmaking van 1944 een nieuw wonder (van de twintigste eeuw). Nu, dat zeggen we hem niet zo maar na. Daarvoor is er daar ook teveel bitterheid en strijd geweest, zo dat er geen reformerende invloed van is uitgegaan in ons volksleven. Dat was dunkt ons met de Afscheiding zelf nog veel meer het geval. Maar als professor Douma de vrijmaking van 1944 zó ervaart dan zal ik hem daarop niet aanvallen. Wel wil ik hopen, dat dit wonder blijvend zal zijn en de breuk zich niet nog meer herhalen.zal.
Wij voor ons kunnen intussen niet heen om de wonderlijke leidingen Gods, die Hij had en heeft met onze Hervormde Kerk. Hij bevestigt Zijn trouw nog van geslacht tot geslacht. Hij 'hernieuwt ook de trouw aan ons vanouds betoond.' Daarom, het wonder van het kerkvergaderende werk van de Heilige Geest is ook in onze kerk nog niet ten einde.
3. Lankmoedigheid
Nu erkent professor Douma overigens, dat er wel wonderen zijn in de Hervormde Kerk, dat het kerkvergaderende werk van Christus ook in de Hervormde Kerk doorgaat, dat Christus in zijn lankmoedigheid ook binnen de Hervormde Kerk werkt. Dit is alles dank zij het Woord Gods, waaraan de eer toekomt dat er in de Hervormde Kerk nog levend bloed vloeit. Maar dat mag voor ons geen reden zijn er te blijven.
Nu moet het ons toch wel van het hart: Als Christus Zijn Kerk vergadert óók in de Hervormde Kerk, als het Woord er leven wekt, mogen wij er dan niet zijn? Of móéten wij er misschien dan zelfs zijn? Als Christus kennelijk lankmoedig is mogen en moeten wij 't dan opeens niet zijn? Als die lankmoedigheid ruimte biedt voor bekering, moeten we die roep tot bekering dan niet daar laten horen waar die gehoord moet worden en zijn we zélf dan niet bij die oproep tot bekering inbegrepen? Hebben de profeten binnen het volk opgeroepen tot bekering, zijn ze in het volk en in de tempel blijven roepen om vernieuwing óf hebben ze zich afgescheiden? Hebben de apostelen, hoezeer ze opriepen tot trouw aan het getuigenis van de profeten en van Christus, zich van de gemeente afgescheiden, ook in de meest ontredderde situaties óf hebben ze binnen de gemeenten tot telkens weer nieuwe beslissingen aangaande het getuigenis Gods opgeroepen?
4. De vaderen
We moeten de vaderen in hun geloof volgen, zegt professor Douma en hij bedoelt dan kennelijk ook in hun kerkelijke gang, in hun zicht op de kerk. Jawel, maar welke vaderen! Bedoelt professor Douma met de vaderen Kuyper en de zijnen dan kunnen we zijn oproep begrijpen. Bedoelt hij de Reformatoren, dan begrijpen we hem al minder, omdat die zelf het beginsel van afscheiding niet in hun banier hadden, maar nolens volens, om de waarheid Gods buiten de Roomse Kerk terecht kwamen. Zoiets kan zich herhalen. Maar zo'n herhaling maken wij niet en hebben we sinds de Reformatie ook nog niet gezien. Bedoelt professor Douma de mannen van de Nadere Reformatie, dan begrijp ik hem ook niet. Een nadere reformatie was vanwege de ontsporingen in leer en leven nodig, maar die Nadere Reformatie was geen afscheiding, wel een binnenkerkelijke én nationale oproep tot bekering. De mannen van de Nadere Reformatie hadden zicht op het verbond, op de trouw Gods, die ondanks ónze ontrouw blijft, op de noodzaak van oproep tot bekering binnen de gemeenten omdat die niet uitsluitend uit gelovigen bestaat. En was het niet Wilhelmus a Brakel die zei, dat als juridische tuchtoefening in de kerk niet meer mogelijk was, omdat men niet zou weten waar te beginnen en waar te eindigen, de énige tuchtoefening was de prediking van het Woord? Of bedoelt prof. Douma misschien met de vaderen Kohlbrugge, die bij de profetische scherpte, waarmee hij het Woord bracht, zelf nooit tot eigen kerkvorming is overgegaan. Neen, met een beroep op de vaderen ben ik met proffessor Douma nog niet klaar. De vaderen van vóór 1834 heeft hij in ieder geval niet mee.
5. Tweeërlei kinderen
Professor Douma erkent, dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn. Als hij zich dan afvraagt of wij beiden, wanneer we dat zeggen, hetzelfde bedoelen dan is dat voor mij óók de vraag. Prof. Douma zegt, dat de kerk de vergadering van de gelovigen is (zó zegt het inderdaad de confessie: vergadering van ware Christgelovigen) en dus niet een vergadering is van gelovigen en ongelovigen samen. Evenwel zegt hij dan ook dat de evangelische tucht over haar leden gaat en dat geldt: 'Tweeërlei kinderen, maar één gemeente.' En dan komt prof. Douma met de opmerking, dat hij vreest dat ook binnen de modaliteit van de Gereformeerde Bond in een status quo van gelovigen naast ongelovigen wordt berust.
Met dit alles heb ik grote moeite. Waar berust wordt in een status quo van gelovigen naast ongelovigen is geen appèl meer (mogelijk) tot bekering. Kan prof. Douma dat van ons zeggen? Is er niet juist telkens weer de oproep tot bekering omdat in de concrete gemeente niet alles Israël is wat Israël heet? Waar altijd maar weer de empirische gemeente als vergadering van alleen maar gelovigen wordt gezien raakt de oproep tot bekering óók in de knel. Moet ik nu zeggen, dat in vrijgemaakt gereformeerde kring zó wordt uitgegaan van de gemeente als vergadering van gelovigen, dat de oproep tot bekering, — niet alleen bekering opnieuw maar ook bekering voor het eerst — in het gedrang komt? Is daarom de prediking in vrijgemaakt gereformeerde kring over het algemeen zo weinig bevindelijk — want zo ervaren wij dat — omdat het element van de inlijving in Christus door een waar geloof, geschonken door de Heilige Geest, te weinig voorkomt. Als er — volgens professor Douma — tweeërlei kinderen zijn maar één gemeente, waar zijn dan die tweeërlei kinderen? De gelovigen in de gemeente en de ongelovigen erbuiten? Waarom moet professor Douma anders spreken over de status quo van gelovigen naast ongelovigen, waarin wij zouden berusten? Ziet hij het verschil tussen een vrijgemaakt gereformeerde gemeente en een Hervormde gemeente hierin, dat in de vrijgemaakt gereformeerde gemeente alléén gelovigen zijn en in een Hervormde gemeente gelovigen en ongelovigen? Als dat niet zo is, waar ligt dan ten principale het verschil? Want dat de evangelische tucht over alle leden van de gemeente gaat beamen wij met professor Douma gaarne. Dat wil hij in zijn gemeenten en wij in de onze. Daarom, het verschil dreigt hier mistig te worden.
We zetten een punt achter deze discussie. Rest mij op te merken, dat ondanks de verschillen, die er zijn ten aanzien van het punt van de kerk, er ongetwijfeld inzake de confessie ook nauwe overeenkomst is. Het lijkt ons beter dat verbindende bij elkaar te zoeken dan telkens weer elkaars kerkelijke keuze aan te vallen. Maar omdat professor Douma er toe uitdaagde heb ik ook willen reageren, in het besef dat we ook in onze kerkelijke gang 'ten dele' kennen en handelen. Maar we menen ook dat een isolement met zich mee kan brengen een verengde visie op een bepaald aspect van de confessie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 september 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's