De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Simon Simonides en zijn Verhemelde Ziele (1658)

Bekijk het origineel

Simon Simonides en zijn Verhemelde Ziele (1658)

Minder bekende oude schrijvers

13 minuten leestijd

(slot)

Nog maar nauwelijks zijn zij uit bed of zij grijpen naar de kam en zij staan voor de spiegel; de 'poyerdoes' komt er ook onmiddellijk aan te pas. Op het tafeltje in de slaapkamer ziet men staan 'een potjen met Pomade, doosjen met Poeyer, glasken met gedistileert water, papierken met Vermiljoen, en diergelijck tuyg'. Ligt er een 'boecxken' naast, het is 'een amoreus boecxken', met het verhaal van 'een wonderlijcke vryagie', of het bevat 'een kluchjen van een Fransche Sot of Spaansche Bedelaer, of iets diergelijcks'. 'Soo de Juffertjens'!

De stilzitters

Het was in de 17e eeuw al net als altijd. De mode, de mode. Bij Simonides hebben, evenals bij zovele 'oude schrijvers', vooral de vrouwen het moeten ontgelden. Of er niet enige reden toe was? Wie zal het durven ontkennen?

Evenwel, Simonides was eerlijk, de jongemannen hield hij voor geen haar beter. Hij zegt: 'Maer het schijnt dattet onse Jonckertjens de Wijfjens niet willen gewonnen geven'. Hij verwijt hen dat zij 'verwijft' zijn, aan het 'versieren van haer Lichaem' vele uren besteden, dat zij haren dragen (pruiken) van wie-weet-watvoorslechte mensen en dat ook zij hangen aan de 'uyterlijcke pronck'. Het verdriet ze niet, zegt Simonides, 'een halve morgen onder de handen van den Barbier te sitten, om 't gene haer des nachts aengewassen is uyt te laten trecken'.

In het midden van de 17e eeuw had de welvaart en de weelde haar entree gedaan in menig huis in steden als Rotterdam en Den Haag, waar Simonides predikant is geweest. De huizen werden ruimer, luxer, de zeden veranderden; aan de jongelui vooral was het merkbaar.

Het behoorde tot de 'goede toon' Frankrijk na te bootsen; in klederdracht, in haardracht, ook in het lezen van romans, amoreuze verhalen.

In de huizen der welgestelden werden de dagen soms nutteloos doorgebracht. Zij waren gewijd aan het zichzelf opmaken, aan lekker eten en drinken en aan uitgaan, naar schouwburgen en vrienden.

Simonides moge misschien wat overdreven hebben, immers, men zal ook wel wat anders gedaan hebben, toch is zijn beeld van het leven van deze lieden zeker niet er geheel naast. Hij spreekt van het uitgaan naar 'Kaets-en Klosbanen', het bezoeken van 'Fransche en Rinsche Wijnkelders', het zich vennaken ijiet 'Dobbelsteenen' en 'Kaertebladen', het gaan naar 'Speel Tooneel en Schouwburgh', en, wanneer de avonstond nadert, zegt hij, 'het slot van alles is een gulsig Mael en een overdadige slaepdronk, daer hy dan weer mee in de veeren neersijght, beyde met een diepen slaep des Lichaems en der Ziele bevangen zijnde'.

Al deze lieden noemt Simonides de 'stilzitters' op de straten dezer wereld. Zij hebben geen haast, integendeel. Aan de hemel denken zij niet, zij zijn daarheen ook niet op weg.

Men vindt ze niet alleen onder de jongeren, ook onder de ouderen. Wat die laatsten betreft, velen van hen leven niet veel anders dan de rijke man over wie in het Evangelie wordt gesproken. Zij doen niets dan 'moy weer speelen'. Je ziet ze vaak hun 'Rolwagentje' inspannen, naar hun 'Landt en Hofstede' rijden. Zij houden het met de bakker en de brouwer, dat is hun religie! Lediggangers zijn zij, de stilzitters. Nooit hebben zij ook maar één stap gezet op de weg naar de hemel, en wat denken zij? Denken zij tóch iii de hemel te zullen komen? Neen, zó zal het niet gaan.

Menen zij soms, zegt Simonides, met hun 'Speelwagentjen' eenmaal de hemel te zullen binnenrollen? Wat een vergissing! 'Sal een Schipper al aen de Wal blijvende liggen, en moyweerende (mooi weer spelend) in de Flerbergh, komen daer hy gaern was? ' Immers neen! Job zegt: Zij verslijten hun dagen in weelde en in een ogenblik dalen zij in het graf (Job 21 : 13).

De lichtvinken

Er zijn niet alleen de stilzitters, er zijn ook nog andere categorieën van zondaren, van wereldlingen, aan wie de hemel zal ontgaan.

Zo heb je hen die door Simonides genoemd worden de 'licht-vincken'. Hij bedoelt ermee de dwarrelgeesten; de lieden die met alle winden meewaaien; de ogendienaren, die zich immer schikken naar de omstandigheden.

Vermoedelijk heeft Simonides hierbij vooral gedacht aan de regenten, althans sommige regenten, want er waren er onder hen ook die hij hoogachtte. In ieder geval, hij brengt het 'Raethuys' er bij ter sprake. De religie geldt daar voor deze lieden slechts voor zo ver het in het voordeel is van de 'Politie', dat wil zeggen: de burgerlijke regering. Op geestige wijze heeft Simonides zijn critiek onder woorden gebracht, hij zegt: 'Die de Vrouwe behoorde te zijn is daer de Dienstmaeght, en de Dienstmaeght de Vrouw. Hagar stelt daer Wetten aan Sara'. Hij heeft willen zeggen: De belangen van de kerk en van de dienst van God worden op het stadhuis ondergeschikt gemaakt aan wat men houdt voor de belangen van de stad en de staat.

Machiavelli, zegt hij, staat er hoger aangeschreven dan Christus. Machiavelli, de politicoloog uit de bloeitijd van de Renaissance in Italië; de man wiens voornaamste stelregel was dat de staat alleen terwille van zichzelf bestaat, en dat hij aan geen normen gebonden is. Simonides heeft deze stelregel een goddeloze genoemd. Ge­reformeerde theologen als hij zagen de staat gebonden a£in de wetten Gods. De staat is niet autonoom, hij staat ónder God.

In de machiavellistische staatsopvatting, waar vele regenten voor voelden, zelfs al waren zij het zich soms niet klaar bewust, heeft Simonides niets minder gezien dan atheïsme. Hij spreekt van de 'Pest-kool' van het atheïsme, die al menig geweten heeft toegeschroeid. Vooral in de hogere kringen van het volk zag hij dit atheïsme werkzaam. Voor velen, zegt hij is de hemel niet meer dan een 'Utopia', een dorp zonder huizen, een hersenschim. Religie en godsdienst gaan hen weinig ter harte. Zij vinden de religie goed alleen voor het gewone volk, want dat wordt er door beteugeld in het kwaaddoen. Voor Jan en alleman, waar zij, deze aanzienlijken, zich boven verheven gevoelen, is de godsdienst een 'breydel-snoer', zijzelf doen er niet aan.

Behalve wanneer zij er munt uit menen te kunnen slaan. Als middel om hen vooruit te helpen in deze wereld. De religie is hen 'een stegel-reep (= steigbeugel) om op het paert te geraken'., De tinnen van de tempel gebruiken zij om over te springen op de torenspitsen van Salomo's paleis. Daar is de tempel, dat is de kerk, góéd voor.

Wat dunkt u, deze lieden, zullen zij in de hemel komen? Deze opportunisten, lichtvinken? Simonides legt ze een vraag voor, déze: 'Sal een Schuytvoerder, die al heen en weer laveert, en op 't water speelt, wel komen daer hy gaern was ? ' Het antwoord op deze vraag laat zich raden. Het luidt als volgt: 'Soo weynigh hebbense (= hebben zij) haer in te beelden den haven der saligheydt te sullen bezeylen die hier in de zee des wereldts soo gint en weer laveren ofser (= of zij er) mee speelden, en gheen verder eynde van 't leven dachten te hebben, als om te leven'. Zij zullen in Mijn rust niet ingaan heeft God gezegd (Hebr.4).

De gemeste gansen

Er zijn ook zegt Simonides, de 'versotte Wereltlingen'. Door de zonde zijn de mensen verdierlijkt, zij eten gras als de ossen, kruipen 'als de slangen en lekken het stof der aarde. De aarde is voor velen de hemel.

Een huis dat men voor ogen heeft, een stuk land waar men zijn voeten op kan zetten, een som gelds die men in handen heeft, een rokende schoorsteen en een welvoorziene keuken zijn menigeen meer waard dan alle beloften in het Oude en in het Nieuwe Testament.

Er is geen gilde zo groot als dat der aardsgezinden. De grote 'Madamme van Aertsgesintheyt' heeft velen bekoord en verleid. Je behoeft maar even je hoofd buiten de deur van je huis te steken en je ziet het al; hele drommen gaan op deze weg van de aardsgezindheid voorbij; een hele wolk van mensen, mensen van allerlei leeftijd en van allerlei slag.

Kom, laten wij eens op het platteland gaan kijken, hoe de boeren, de veehouders en de akkerlieden het maken. Wat lage en platvloerse gedachten vervullen hen. Zij reiken niet veel verder dan de koeien in de wei, de varkens in de schuur. Gelijk de koeien niet verder kijken dan het gras in de weide en het water in de sloot en gelijk de varkens niet anders kunnen dan wroeten in drek en vuil en zich daarin omwentelen, totdat de slager ze komt ophalen voor de slacht, zo reiken ook de ogen van de 'huysman' gewoonlijk niet veel verder dan deze aarde en de dingen van deze aarde. Hij kan niet anders dan werken en nog eens werken en wroet zolang in de aarde tot de dood hem een kluit aarde in de mond werpt en hij. zelf tot aarde, dat wil zeggen tot stof wordt.

En hoe is het dan op de zondag? Gaat hij dan niet naar de kerk? Was het maar waar. Hij houdt niet van de zondag; je moet hem niet in de kerk zoeken, maar op zijn akker of in zijn schuren, bij zijn vee. Gaat hij dan nooit naar de kerk? Soms! Hij gaat dan echter niet van harte, maar omdat het nu eenmaal behoort tot de goede gewoonten of omdat het wel net: jes staat. Je kunt niet altijd uit de kerk wegblijven, je moet toch wel eens je gezicht laten zien... Maar hij steekt in de kerk niet veel op, hoor maar: 'is hy welgeseten, hy schickt sich tot den slaep; ja leydt sich op bey sijn ellebogen sacht neer, en slaept dat hy snorckt, tot hem een bekommerlijcke (= nare) droom van een beest uyt de wey, of een Kalf uyt het schot (= hok) te sien, doet ontwacken'. Maar even later dommelt hij toch weer in. En och waren het alleen maar de boeren die zo waren. Met de stedelingen is het nog een graad erger. Neem b.v. de ambachtslui, af en toe zie je ze in de kerk. Maar niet zodra zijn zij er uit of hun 'hantwerck' wordt door hen weer opgenomen. De schoenmaker gaat weer zitten achter zijn leest, de kleermaker neemt de schaar ter hand. Zij snoepen graag een stukje van de zondag af. Ik moet toch zorgen voor vrouw en kinderen, zeggen zij, of zij zeggen: ik moet toch eerlijk door de wereld zien te komen. En wie kan dat ontkennen; alleen, de mens zal ook eenmaal uit de wereld moeten gaan, en zie, daar denken zij niet aan.

Is het met de oude mensen misschien beter dan met de jonge? Ach neen! 'De werelt begint haer (= hen) te ontgeven (= begeven), maer sy jagen se al vluchtende na. Zij lopen jankend en huilend achter de wereld aan, gelijk Palthiël deed achter Michal, toen zij aan David teruggegeven werd.

En dan moet je horen waar zij over praten. Altijd over vroeger, nooit over het koninkrijk de hemelen. Wil je een ouwe knecht aan het praten krijgen, begin over vroeger, hij kan uren vertellen. Het raakt hem, het gaat hem aan, dat kun je aan hem zien, de zever (het speeksel) loopt hem in zijn grijze baard. Maar probeer eens een wending te geven aan het gesprek, ga eens praten over de 'toekomstige werelt', immers ook deze man moet sterven en het zal voor hem niet lang meer duren, afgelopen is het gesprek. Hij houdt taai vast aan het leven, wil van scheiden van deze wereld niet weten. Met geweld zal de dood hem uit deze wereld moeten wegsleuren, zoals de engel des Heeren met Lot uit Sodom gedaan heeft.

Gansen die vet zijn kunnen niet opstijgen, zij kunnen niet vliegen. Velen liggen als vette gansen op deze aarde.

Gods penningen

Simonides heeft het niet gelaten bij alleen maar een klaagzang. Er zit in zijn boek ook een krachtig appèl. Vooral aan het eind komt hij met 'krachtige beweegredenen'. Ieder krijgt een beurt. Allereerst de groten en de aanzienlijken; zij worden opgeroepen 'n goed voorbeeld te geven. Maar ook de armen en de geringen worden vermaand; al woont ge onder een laag rieten dakje, zegt Simonides, laat er een 'hoge geest' in u zijn. Vaders, moeders, kinderen, gaat allen de weg naar de hemel! Ach, wij zijn zo log en zo traag.

Mens, bedenk hoe God u geschapen heeft. Gij zijt onder al Zijn schepselen het edelste; gij zijt een meesterstuk. De ziel is u van Boven gegeven; geef gij haar dan aan de hemel. De afdrukken van Gods beeld staan er in. Gelijk op een penning de afbeelding van de overheid. De zielen der mensen zijn Gods penningen, zij dragen het beeld van de Koning die zij toebehoren.

Christenen, gedenkt Gods trouw in uw jeugd. Door uw doop zijt gij in de armen van de Heere Jezus gebracht. Ge behoort Hem toe.

Gij draagt door Gods genade het beeld van de hemelse Christus, ge zijt een hemelse roeping deelachtig. De hemel is uw vaderland, ook uw erfdeel.

God ziet van de hemel op ons neer, en zouden wij dan niet van de aarde opzien tot Hem? Daar zijn ook uw vrienden.

Weet ge niet, hoe ijdel, niettig en vergankelijk deze wereld is? Wat kunnen de mensen toch dwaas zijn. Neem de gierigaard, hij is al begraven vóór hij gestorven is, zijn hart ligt begraven in zijn buidel en in zijn kassa.

Enkele jaren geleden was er in ons land een tulpen-rage, ieder wou tulpen hebben. Er waren bloemen-gekken, die een tulp kochten voor enkele honderden guldens. Bemerkt ge niet, hoe de wereld u misleidt en bedriegt? Zij doet hetzelfde met u als wat Laban gedaan heeft met Jacob.

Een mens heeft niet zo veel nodig, hij kan met weinig volstaan. Wereldse schatten bieden geen heil; zij kunnen de dood niet weren; zij maken het sterven alleen maar moeilijker, want hoe meer men heeft des te moeilijker kan men het loslaten. Zij geven bovendien menigmaal aanleiding tot kwaaddoen.

Neen, dan de dingen die boven zijn. Simonides kan er niet genoeg van zeggen. Hij stamelt. De hemel is heerlijk! Wie er maar een glimp je van heeft opgevangen is al in verrukking geraakt. Hier is de Bruiloft. Alle mogelijke beelden worden aangevoerd om de heerlijkheid van de hemel tot uitdrukking te brengen. En ook de weg er naar toe.

Schuw deze weg toch niet, roept Simonides uit. Hij is een goede weg, hij is een heilzame weg, hij is een heerlijke weg, hij is ook een veilige weg.

Op deze weg gaat de Heere Zelf vóór, en leidt Hij de Zijnen. Ga toch de weg naar de hemel. Alleen een 'verhemelde ziele' zal in de hemel komen.

Zo schreef, en preekte, Simonides. Hij stond met het 'eeuwig Evangelie' boven de tijd, en toch ook er midden in.

Zijn de tijden niet veranderd? Ten dele. De weg naar de hemel bleef dezelfde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Simon Simonides en zijn Verhemelde Ziele (1658)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's