De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een geruis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een geruis

7 minuten leestijd

Want er is een geruis van een overvloedige regen. (1 Koningen 18 vs. 41b)

Eindelijk is de ban gebroken die heel het leven gevangen hield in droogte en dood. Het had immers een onwaarschijnlijk lange tijd niet geregend. Daarover zat het volk in de war. Maar Elia stelde wat anders aan de orde: De Heere, of Baal! Hun zonden deden hen dit onheil aan. Klinkt het: de Heere is God, dan is de ban gebroken. De ban van de onbekeerlijkheid. Zoeven nog een loodzwaar zwijgen — maar het volk antwoordde hem niet één woord (vs. 21) — en nu die belijdenis. De ban van het woord, dat klonk als een vloek: Dauw noch regen. Hoor maar: een geruis van regen, van een overvloedige regen nog wel. Een stortregen, die zich aankondigt. Ontketend door het Woord des Heeren.

Achab kan nu de maaltijd gaan gebruiken aan de avond van deze vastendag; hij verdwijnt in de tent, die zijn dienaren voor hem hebben opgeslagen, de koninklijke tent. Hij kijkt wat schuw, hij ziet erg bleek. Geen wonder: hij was getuige geweest van een bloedbad, dat hij niet kon verhinderen, maar dat hem niet onberoerd liet.

De profeten. De hofprofeten. De profeten van Baal, van die afgod, die het af liet weten, die god-af werd, toen de Heere zich als God openbaarde. Dat die hen maken — het is mensenmaaksel — hun gelijk worden en al wie op hen vertrouwt. Deze profeten hebben het volk niet straffeloos tot de afval van de Heere verleid. Ze krijgen hun verdiende loon; ze vinden de dood aan de voet van de Karmel, bij de beek Kison. Dat is bittere, bloedige ernst. Hadden ze hun nek te ver uitgestoken en was het blinde volkswoede die hen vermoordde? Nee, de Heere voltrekt Zijn oordeel aan hen, Elia voert Zijn bevelen uit. Zij brachten land en luiden onder de vloek van de God Israels, nu worden zij zelf daardoor getroffen aan lijf en ziel. De Heere is een Wreker, en zeer grimmig. Wij vormen ons een beeld van Hem, wij misvormen Hem tot een God, die geen kwaad kan en geen wraak kent, hoewel de wet het ons anders leert. Houdt het u voor gezegd: de dienaren van Baal overleven de dood van Baal niet; het vonnis over hem geveld, is Gods oordeel over hen. De zondaren zullen van de aarde verdelgd worden en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof de Heere, mijn ziel. Wat een dag. In het late licht van de avond vallen er schaduwen over de hellingen. Achab eet en drinkt, Elia niet, nog niet. Hij klimt wat verder de berg op, dan werpt hij zich languit tegen de grond. Daarmee betuigt de dienaar zijn eerbied voor zijn Heere en brengt Hem hulde. Dank ook, voor alles wat Hij deed. Hij brak de ban, bij het altaar. Het vuur dat uit de hemel viel, verteerde het volk niet, al was dat dubbel en dwars verdiend, het verteerde die var.

Het offer werd aanvaard, daarom bleef het volk gespaard. En daarom vangt Elia die ruisende stem van de regen op, als de stem des Heeren. Hij hoort van milde zegen. Hij wordt ervan verzekerd, dat de Heere regen geven zal. De vloek werd weggenomen, nu is er ruim baan voor de zegen! Hoe predikt ook deze geschiedenis ons Christus, die aan het kruis — het altaar — de vloek wegdroeg om de zegen te doen neerdalen.

Dan neemt Elia plaats op een steen, het hoofd tussen de handen. Nee, dieper nog buigt hij, het hoofd tussen de knieën. Hij verbergt zijn gelaat; hij ziet niets, hij hoort niets, hij is voor niemand te spreken. Hij is in gesprek met de Heere. Nu niet ten overstaan van heel het volk, maar onder vier ogen. Stil, Elia bidt een gebed. Het is, tot onze bevreemding geen bidstond met en van het volk geworden. De meesten van hen keerden reeds huiswaarts. Achab is er ook niet bij, al had dat voor de hand gelegen. Elia doet voorbede, daar waar vorst en volk, ook na hun belijden, niet aan het bidden slaan. Eigenlijk een veeg teken.

Er is geen eenzamer werk dan voorbede doen. Vaak bidt hij, wien het geldt, niet eens mee; soms zegt een moeder: Ik zal voor je bidden en haar jongen antwoordt: je doet maar, moeder. Voor mij hoeft het niet. De voorbede in gezin en gemeente. Voor kerk en volk. Hoe eenzaam is Elia hier. Maar met de Heere gemeenzaam. Hij bad wederom — Jac. 5 vs. 17. Toen bad hij: geen regen. Nu bidt hij: regen. In beide gevallen ging het hem om de eer des Heeren en het heil van Israël. In zijn hart is het suizen van de stilte, in zijn oren het ruisen van de regen. Zo vast gelooft hij Gods belofte: Ik zal regen geven op de aarde — vs. 1. Gods beloften falen niet. Elia looft de Heere. Hij zei het immers; Hij zond hem immers. Er is een geruis. Mijn Woord zal niet ledig wederkeren. In geen geval.

Het geloof sluit het gebed niet uit, integendeel. Het is een prikkel om de Heere aan te roepen, aan te lopen. Geen gebed, zonder geloof. Het vindt een plêitgrond in het Woord, in de naam des Heeren. Nog eens vraagt hij: dat heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt. Antwoord mij Heere, antwoord mij. En weer zie ik de middelaar bezig. Zoals Mozes. Zoals ook Jezus. Hij is de grote Voorbidder, die Gods hart weet te raken. Die smeekt om de zegen van het verbond, voor een volk. dat het verbond brak. En wie denkt: voor mij bidt niemand, omdat ik het zo verbruid en verbeurd heb, die denke aan Hem!

Helemaal alleen is Elia niet. Zijn jongen, een jeugdige leerling, is bij hem. Met hem pleegt hij telkens overleg. Deze jongen wordt zijn loopjongen. Loop eens naar boven, tot waar je de zee kunt zien. Daar wordt de regenwolk geboren, boven het spiegelgladde oppervlak, waarin de ondergaande zon een rijkdom aan kleuren ten toon spreidt. Een prachtig schouwspel, die Middellandse zee, als de avond over haar daalt. Maar niet om van dat schouwspel te genieten stuurt hij die knaap naar de kam van het gebergte. Kijk naar de zeekant; kijk uit naar een wolk, een voorteken van de regen.

Elia zit en luistert. Er is een geruis ! Vergist hij zich niet ? Verbeeldt hij het zich ? Laat die jongen het zeggen: Er is niets. Dat is een grote teleurstelling. Zal Elia zelf gaan kijken? Nee, hij blijft met de Heere in gesprek, als het ware blind en doof voor de werkelijkheid. Die werkelijkheid is overigens niet moedgevend. Kort en hard, keihard: niets. Tevergeefs tuurt zijn jongen tot laings de verre einder waar lucht en water wat blauwig en vaag in elkaar overgaan. Een strakke lucht, als een koepel over zee en land gespannen. Een koperen hemel. Het antwoord dat Elia zo vurig verwachtte, kan de jongen niet geven. Het spijt mij, mijn heer, maar er is niets. Hij windt er geen doekjes om.

Eenmaal, ander maal; Elia volhardt in het gebed. Zevenmaal het bevel: ga. Zozeer houdt de verhoring hem bezig. Zesmaal: niets. Zevenmaal dat is herhaaldelijk. Waarom antwoordt de Heere niet meteen ? Wie ben ik, dat ik de Heere zou kunnen narekenen, en Zijn beleid zou kunnen verklaren. Algemene uitspraken zijn hier altijd gevaarlijk. Het waarom en het waartoe zijn allerminst duidelijk; vaak ontvangen we daarover pas later tekst en uitleg. Daaroni volsta ik met twee opmerkingen, wellicht ter zake en ten dienste.

Opdat wij van ons gebed geen afgod zouden maken ! Kan dat ? Wel zeker, even goed als van ons geloof. Wij zouden gaan menen, dat wij door ons gebed de dingen in de hand en bij de hand hebben. Dat wij over de verhoring beschikken, dankzij ons gebed. Daar geven we dan hoog van op, en zodoende, doen we de Heere te kort.

Opdat het geloof geoefend zou worden. Elia laat niet af. Hij houdt het woord vast. Hij klemt zich aan de Heere vast, net als Jacob hing aan de hals van de engel. Ik laat U niet los, tenzij Gij mij zegent. Zo wordt het gebed gelouterd, gezuiverd zevenmaal. Wij nemen er ons gemak niet van. We kijken vol verwachting uit. Want, ondanks dat 'niets' is er het geruis van een overvloedige regen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Een geruis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's