De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gij hier, Elia?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gij hier, Elia?

6 minuten leestijd

En ziet, het Woord des Heeren geschiedde tot hem en zei tot hem: Wat maakt gij hier, Elia. (1 Koningen 19 vs. 9b)

Elia ! Een felle getuige; zijn woord, een brandende, laaiende fakkel. Hoe is hij nu met lamheid geslagen, hoe werd die fakkel gedoofd ? U herkent hem nauwelijks, de man die het voor de Heere opnam tegenover vorst en volk. De man die voor Achabs wagen uit rende, terwijl de regen viel. Herinnert u zich die worsteling nog om Israël terug te winnen voor de Heere, de God van Israël ? Mij dunkt, Elia kan tevreden zijn; uit duizenden kelen klonk een geestdriftig: de Heere is God. Hij heeft het pleit gewonnen.

En toen ? Wist Izebel al wat er gebeurd was, vóórdat Achab het haar vertelde ? Ze is in alle staten ! Haar goden zijn gehoond, haar profeten werden afgemaakt, haar politiek werd doorkruist. Door wie ? Door Elia: al wat Elia gedaan had. Izebel schrikt niet, zij zet zich schrap. Met Achab is voorlopig niets te beginnen, hij is wat uit zijn evenwicht, begrijpelijk. Dan zal zij haar maatregelen nemen en heel Israël zal bemerken, dat Izebel er ook nog is. Zij ruimt het veld niet voor Elia, zij gaat tot de aanval over.

Izebel stuurt een boodschap haar Elia, onder ede bedreigt zij hem met de dood. Bij de goden. U weet wel, die goden, die op de Karmel ontmaskerd werden. Izebel zweert nog bij hen ! Het lot dat haar profeten trof, zal Elia niet ontgaan. Waarom die waarschuwing. Waarom slaat ze niet meteen toe. Vreest ze het volk dat op de hand van Elia is ? Houdt Achab er haar van terug ? Is het niet meer dan een stille wenk het land ten spoedigste te verlaten, biedt ze hem daartoe de kans ? Hoe dat ook zij, bij Elia komt het hard aan, hij verkeert in levensgevaar, dat meent hij stellig.

Hij gaat weg, om zijns levenswil. Vroeger had de Heere hem tot tweemaal toe bevolen: Ga weg. Nu gaat hij eigener beweging. Niet de Heere, maar Izebel deelt blijkbaar de lakens uit. Elia gaat, hij verlaat zijn post, hij verzaakt zijn roeping. Dat klinkt wat scherp, toch is het waar. Als hem gevraagd wordt: wat maakt gij. hier, Elia, betekent dat: wat doe je hier, wat bedoel je hiermee. Hij moet rekenschap afleggen van een tocht, die een vlucht was en waarvoor hij de Heere niet geraadpleegd had. Elia was kennelijk buiten de weg, hij was verdwaald.

Elia is geen held, niet eens een voor­beeld. Hij is een mens van gelijke beweging als wij, niets menselijks is hem daarom vreemd. Kwetsbaar is hij naar lichaam en ziel, nu hij zich zo blootgegeven heeft vooral. Plotseling slaat de stemming om: hij loopt voor zijn leven als een misdadiger wien de bloedhonden op het spoor zijn. Weet Izebel van geen wijken, Elia neemt de wijk. Zijn jongen vergezelt hem tot Ber-Seba, de rand van de bewoonde wereld, Ber-Seba! Daar hadden de aartsvaders gewoond; ze hadden er putten gegraven en altaren gebouwd. De Heere had er hun Zijn verbond bezworen. Elia, denk daar eens aan. Maar Ber-Seba is zijn reisdoel niet.

Alleen gaat hij verder, de woestijn in, hij sleept zich voort. De woestijn, daar lopen alle wegen dood. Daar komt hij tenminste geen mensen tegen, hij is de mensen hartgrondig moe. Hij is eigenlijk het leven moe; hij is aan het einde van zijn levensweg, van zijn levenstaak; zijn loopbaan loopt dood. Hij kan niet verder, hij kan niet meer. Hij legt zich neer onder de schaduw van een woestijnstruik en wat hem betreft wordt het zijn sterfbed.

Hoor, hij fluistert: het is genoeg. Alles vergeefs. Voor niets zijn vlammend protest, zijn vurig optreden. Het is bij hét oude gebleven. Izebel is aan het bewind. En Israël ? Die volksbekering ? Een schijnvertoning! De droogte bracht hen niet tot inkeer, de regen bracht hen niet tot omkeer. Alles breekt de profeet bij de handen af. Genoeg ! Punt erachter, streep erdoor, stop ermee. Heere. Hij bidt. Weer een gebed, maar van heel andere aard. Neem nu mijn ziel. Nu. Wat is mijn leven mij nog waard, waartoe dient het nog ? Ik ben niet beter, niet sterker, niet taaier dan mijn vaderen. Ook zij bezweken in de woestijn.

Zo stort hij zijn hart uit voor de Heere. Dat wel, dat nog net wel. Er valt van alles op dit gebed aan te merken, maar voor u dat doet, bedenk dat de Heere het hem niet kwalijk neemt. En, dat een mens, die aan het eind is, de naam mag noemen, waaraan hij zich, haast wanhopig, vastklampt: Heere! Doe dat ook maar, in de meest ontmoedigende omstandigheden. Soms is het een stamelen: genoeg — nu. Daarover fronsen mensen, vrome mensen met een sterk vertrouwen, de wenkbrauwen. Zij keuren het af. Zij kraken het af. De Heere geeft gehoor. De snaren waren zo strak gespannen, nu knappen ze. Het ligt vaak zo vlak bij elkaar en er is zo weinig voor nodig: Izebel zond een bode om te zeggen. Dat was voldoende. Wie kent het niet ? Wie overkomt het nooit, als hij in het werk des Heeren bezig is ? Wij zijn zwak van moed en klein van kracht. Wij dragen de schat in aarden vaten. Die vaten vertonen ineens scheuren, ze vallen in scherven. Vertwijfeld geeft de weerbare profeet zich gewonnen. Geen toorts die licht ver­spreidt; een vlaspit die uitgetrapt werd en nog even nasmeult. Wat rook, geen vuur. De rokende vlaswiqk zal Hij niet..! Wij lopen gevaar ons te zeer in de zieletoestand van Elia te verdiepen. Letten wij er liever op, dat de Heere hem niet wegwerpt maar opvangt. Dat heeft de profeet nodig, dat hij opgevangen wordt. De Heere doet dat onopvallend: Elia valt in slaap. In plaats van de dood, de slaap. De Heere neemt zijn ziel niet. Hij gunt hem rust. Een rustkuur !

Dreigt het gevaar niet, dat hij inslaapt, zonder weer wakker te worden, dat hij ontslaapt ? Nee. Een engel, een gedienstige geest, roert hem aan. Hij schudt hem niet hardhandig door elkaar, hij raakt hem aan als met de vingertoppen en wekt hem op uit de slaap, die kleine dood. Hij maakt hem geen verwijt, hij spreekt hem niet toe. Hij volstaat met een kort bevel: Sta op, eet. Is er wat te eten ? Een broodkoek. En te drinken ? Zo waar, water.

Zo gewoon, en toch als een wonder, bemoeit de Heere zich met een mens. Levensmoeheid ? Welnu, gebruik levensmiddelen. Een gezonde slaap, een gezond maal. Er is een wisselwerking tussen lichaam en ziel, en de Heere weet wat maaksel wij zijn. Elia ontvangt slaap en maal kennelijk uit de hand des Heeren. Mijn God is de Heere ! Zo kende hij Hem niet eerder; als zo'n verzorgend God. Die in alle nooddruft van lichaam en ziel voorziet. Is zijn ziel geheel bedroefd, tot de dood toe, de Heere heeft medelijden met hem en de Heere weet wat het lichaam nodig heeft. Daarom heffen wij de lof des Heeren aan: ik mocht slapen, eten, drinken. De Heere ving mij zo vaderlijk op en hielp mij zo vriendelijk verder: Neem van de spijs — drink van de drank — eet voor de reis — want de weg is lang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Gij hier, Elia?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's