De rede van mr. W. Aantjes
Op 23 augustus l.l. hield mr. W. Aantjes, fractievoorzitter van de A.R.P., zijn befaamde rede op het C.D.A.-congres, een rede waarop voor het eerst na jaren weer een intensieve discussie losbarstte over het hoe en waarom van de christelijke politiek en over de confessionele basis daarvan. Alleen al daarom mag de rede van mr. Aantjes belangwekkend heten. De inhoud van de rede was er ook naar, dat er een discussie op moest volgen. De A.R.fractieleider hield een pleidooi voor herkenbare christelijke politiek en voor bewuste betrokkenheid vanuit het evangelie bij allen, die aan die christelijke politiek gestalte hebben te geven.
Het A.R.P.-secretariaat stuurde ons de tekst van de rede toe. Daarom willen we er in kort bestek ook op ingaan, al is er door velen al veel over gezegd.
Evangelie
Mr. Aantjes begint met op te merken dat wat A.R.P. aan K.V.P. en C.H.U. bindt en wat links-rechts schema's te boven gaat niet is de kracht van C.H.U., K.V.P. of A.R.P. maar van het evangelie: 'niet wat wij met het evangelie kunnen doen maar wat het evangelie met ons kan doen'.
In de grondslag van het C.D.A. is dat ook vastgelegd. Het aanvaarden van het evangelie als richtsnoer kan en mag geen vrijblijvende zaak zijn. Ik citeer nu:
'Waar het wel om gaat, is dat het aanvaarden van het Evangelie als richtsnoer geen vrijblijvende zaak kan en mag zijn. Daar is het Evangelie te kostbaar en te uniek voor. Zwaarder referentiekader dan het Evangelie is er niet. De vraag is niet: hoe goedchristen iemand is, maar hoe serieus hij het principiële uitgangspunt van de door hem vertegenwoordigde politieke richting neemt voor zijn politieke aktiviteiten; in hoeverre het beginsel niet alleen op papier geldt, maar ook in het praktisch beleid als maatstaf en zelfs als voornaamste en laatste maatstaf zal functioneren, en waar je in die zin ook elkaar op tot de orde mag roepen.
Niet als een last, maar als een bevrijding. Niet omdat je je aan het Evangelie moet houden, maar omdat je ook (en zelfs) in de politiek mag wandelen aan de hand van Gods geboden en beloften'.
Richtsnoer
Vervolgens stelt mr. Aantjes dan aan de orde de kwestie van de open partij. Hij pleit ervoor dat duidelijk wordt gezegd dat C.D.A.-leden, die zich beschikbaar stellen voor een vertegenwoordigende politieke functie 'geacht worden voor de uitoefening daarvan in te stemmen met het door het C.D.A. voor het politieke handelen aanvaarde richtsnoer en het met inachtneming daarvan opgestelde politieke program'.
Aantjes wil een C.D.A. als politieke bedding van de 'eigen hoofdstroming naast de drie andere: het liberalisme, het democratisch socialisme en het marxisme'. Het C.D.A. nl. als drager en uitdrager van een politiek, waarin het evangelie zowel 'in zijn bewogen wervende als in zijn ergernis oproepende kracht herkenbaar is. 'Het evangelie geeft geen rechtstreekse richtlijnen voor het praktische politieke handelen. Dat is waar, maar het ademt wel een geest die richting geeft aan het politieke handelen. Er is niet minder dan ooit maar meer dan ooit beginselpolitiek nodig met de boodschap van verantwoordelijkheid, solidariteit, verzoening, dienend gezag, vrede door recht. Een boodschap die niet naar de mens is, wel een boodschap die mens en medemens dient.' En dan komen een aantal concrete punten: niet heersen maar dienen, niet Nederland centraal maar de wereld, de verhouding tot Israël een zaak om van wakker te liggen, niet de vraag hoe mijn groep er beter van wordt maar wat is beter voor mens en samenleving.
Aantjes laat dit politieke handelen tenslotte bepaald worden door Mattheus 25: hongerigen voeden, dorstigen te drinken geven, vreeemdelingen huisvesten, naakten kleden, zieken en gevangenen bezoeken.
Nog één keer citeer ik: 'De hongeringen wórden niet gevoed; zij sterven als ratten langs de wegen van hun uitgedroogde landen. En als wij 1% van ons nationaal inkomen voor ontwikkelingssamenwerking uitgeven hebben wij meer zorg over de vraag of die ene procent wel goed wordt besteed dan over de vraag of de 99% die wij voor onszelf reserveren wel goed wordt besteed.
De dorstigen wórden niet gelaafd. Zij worden aan hun lot overgelaten. En als wij ons aan ons televisietoestel volzuigen met het vergif van de consumptiereclame, dan zit ons de verhoging van de alcoholaccijns meer dwars dan de ellende van de dorstigen in de wereld.
En de vreemdelingen wórden niet gehuisvest. Zij worden gediscrimineerd en uitgewezen. En wij laten ze uitwijzen, tenzij wij ze nodig hebben om het werk te doen waaraan geen Nederlander ondanks honderdduizenden werklozen zijn handen wenst vuil te maken ...'
De vraag 'Adam waar ben je' — zo besluit Aantjes — is de roep, die vandaag tot de mens blijft klinken. Dan gaat het er niet om hoe goed we verdiend hebben maar hoe goed we gediend hebben. Zo moet christelijke politiek herkenbaar zijn en moet men elkaar tot de orde roepen en elkaar aanspreken op de opdracht vanuit het evangelie.
Reacties
Een stroom van reacties is op deze rede losgekomen. Aantjes is bezig de A.R.P. op te splitsen. Aantjes gaat op de toer van principiënreiterei. Aantjes' standpunt past alleen in een tijd, waarin het gezin, de bijzondere school en de kerk nog een centrale plaats innamen, zei mr. Hilterman in de Telegraaf. Dat heeft Hilterman dan goed begrepen, zei Aantjes. Zo waren de reacties aan de éne kant.
Anderen zeiden: Aantjes wil een C.D.A. radicaler dan de C.D.A. wil zijn, (prof. G. Th. Rothuizen). En ook ds. R. Zuurmond (zie ons artikel van vorige week) hoort zijn visie bij Aantjes. Aantjes is dus om zo te zeggen van de ene naar de andere hoek gegooid. Maar zo gaat dat nu eenmaal als het publiek zich van een toespraak meester maakt. Wat de openheid van de partij betreft, de C.H.U. meende dat men elkaar binnen het C.D.A. vinden moest op de basis van de Savornin Lohman, wat zou inhouden, dat ieder zich bij het C.D.A. kan voegen, 'mits hij zijn verplichting erkent zich op publiek terrein te onderwerpen aan de ordinatiën Gods'. Aantjes heeft daarop geantwoord, dat hij daartegen geen bezwaar zou hebben.
Nog één ding tenslotte uit het verweer van Aantjes op de reacties. Als Aantjes pleit voor aanvaarding door de politici binnen het C.D.A. van het evangelie als basis merkt hij op niet zo optimistisch over de mens te denken, omdat de mens niet gewillig maar weerbarstig is als het om het evangelie gaat. Het evangelie is niet naar de mens maar gaat tegen de mens in. Hij zegt dat in verband niet een eerder door hem gemaakte opmerking, dat hij met zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus wèl zeggen kan, dat de mens geneigd is tot alle kwaad maar niet, dat de mens onbekwaam is tot enig goed. Een opmerking waarvan prof. dr. K. Runia en oud-senator H. Algra gezegd hadden, dat dat bij hem op een misverstand moest berusten.
Commentaar
Na deze summiere weergave van de dingen, die Aantjes met zijn rede heeft opgeroepen, wil ik puntsgewijs enkele opmerkingen maken.
1. Het is duidelijk dat mr. Aantjes zeer essentiële dingen aan de orde heeft gesteld en daarmee de discussie over christelijke politiek een duidelijke stimulans heeft gegeven. Het is daarbij van uitermate groot belang, dat hij naar een eigen door het Woord gegeven plaats zoekt voor de christelijke politiek tussen liberalisme en socialisme. Met de gedachte, dat christelijke politiek dienen is en niet het behartigen van groepsbelangen grendelt hij bijvoorbeeld naar deze beide kanten af (niet alleen het proletariaat of de bezittende klasse dienen, maar mens en samenleving) .
2. Van groot belang is ook dat Aantjes vanuit het evangelie pleit voor sociale betrokkenheid in de wereldproblemen, met name ook vanuit Mattheus 25. Welk misbruik anderen daarvan ook maken (bijvoorbeeld de neo-marxisten, die het evangelie op deze punten ombuigen tot louter humaan handelen), we mógen de vragen van sociale gerechtigheid ten enenmale niet aan de socialisten overlaten, alsof die weten wat sociale rechtvaardigheid is. Het evangelie weet het veel beter. En dat is — daarin val ik Aantjes van harte bij — ons richtsnoer in het sociale handelen, waardoor we ons als christenen in de politiek voluit betrokken weten en moeten weten bij de noden in de wereld.
3. De voorwaarde om de basis van een christelijke politieke partij te onderschrijven, wil men op verantwoorde wijze aan de uitvoering van het beginsel kunnen meewerken, is zo 'vanzelfsprekend' dat het mij een raadsel is hoe christenen, die voor een confessionele politiek kiezen, daar anders over kunnen denken. Het alternatief is namelijk, dat de christelijke politieke partij zélf een doorbraak-partij wordt, met mogelijk (zoals in de vroegere PvdA) werkgemeenschappen van protestanten, rooms katholieken en humanisten. Welnu, christelijke politiek, wil deze écht christelijke politiek zijn, kan alleen verantwoord worden gevoerd door bezielde mensen. Een christelijke partij kan niet anders dan beginsel-partij zijn.
4. Het onbevredigende blijft naar mijn smaak evenwel, dat telkens gesproken wordt over het evangelie als basis van het politieke handelen. Zó wordt het in de grondslag van het C.D.A. gezegd. Daarover hebben we ons al eerder kritisch geuit. Het evangelie als basis wordt, gegeven allerlei interpretaties van de laatste tijd, licht verdund tot evangelische inspiratie. Die kant trekt de K.V.P. het dunkt me met name uit. Daarom — maar daarom niet alleen — kan ik het samengaan van de protestants christelijke partijen met de K.V.P. niet meemaken. In dat verband kan ik ook de positieve waardering van Aantjes voor de K.V.P. niet meemaken. Het evangelie als basis is te vaag. Hoewel er geen tegenstelling tussen mag zijn, het Woord Gods is eenduidiger dan het evangelie. Het Woord Gods bevat bovendien wet èn evangelie. In de politiek gaat het ook om de wet, zèg om de ordinantiën. Daarom is de uitspraak van de Savornin Lohman over de ordinantiën méér dan Aantjes in zijn misschien wat te gemakkelijk aanvaarden van wat de Savornin Lohman zegt laat blijken. Me dunkt, dat, als Aantjes over Het Woord Gods en over de ordinantiën had gesproken, reacties van Rothuizen, Zuurmond en anderen minder positief waren uitgevallen. Naar die kant heeft hij zijn visie niet duidelijk afgegrensd.
5. Aantjes heeft, dunkt me, dingen gezegd, die christen-politici op het lijf geschreven zouden moeten zijn. Hij had echter meer moeten zeggen, dunkt me, over de dienst, ook in de politiek, aan God. De dienst aan de mens en de samenleving is ondergeschikt aan de dienst aan God zélf. In het onderhouden van Zijn gebod ligt groot loon. Daarmee wordt dan de dienst aan mens en samenleving niet van ondergeschikt belang in de zin, waarin dit woord Vaak wordt gebezigd, maar daarmee krijgt het juist zijn grootste diepte en glans.
De theocratische lijn van 'alles moet Hem eren' uit Psalm 33 heb ik in de rede van Aantjes niet gevonden. Vandaaruit liggen er echter ook lijnen naar de huidige christelijke politiek, wanneer het namelijk gaat om vragen, waarbij de wet van God direct in het geding is.
6. De kritische opmerkingen aan het slot komen niet in mindering op de waardering, die ik eveneens heb. Ik hoop, dat de bezinning binnen de christelijke politiek, óók op de punten, die Aantjes aan de orde heeft gesteld, doorgaat, terwille van een eigen gezicht van de christelijke politiek tussen liberalisme en socialisme.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's