De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

En waarom, Elia?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

En waarom, Elia?

7 minuten leestijd

En ziet, het Woord des Heeren geschiedde tot hem en zei tot hem: Wat maakt gij hier, Elia ?  (1 Koningen 19 vs. 9b)

Elia eet en drinkt. Zijn vermoeidheid is zo groot, dat hij van uitputting weer in slaap valt. Dan is er weer die stem; die hem wekt: Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn. De weg. Die zag Elia niet voor zich. Genoeg, zei hij en nu! Maar daar gaat de Heere niet op in. De Heere druppelt troost in zijn ogen, in zijn hart. Menigeen is door dit woord verkwikt en versterkt. Brood en water. Leeftocht, teerkost op de weg. Ik ben dat levende water, het brood des levens dat uit de hemel nederdaalde. De Heere onderhield Israël tijdens de woestijnreis met brood uit de hemel en water uit de rots. Maar veel heerlijker onderhoudt Hij Zijn volk van trekkers bij Woord en sacrament. Brood en wijn, dat is levensonderhoud. Die worden bediend, dat is uitgedeeld, in het midden der gemeente. En, inderdaad, de weg zou ons te veel geweest zijn, als Christus zich niet telkens weggeschonken had. We hebben nog met de God van Elia te doen, de God die wonderen werkt.

De weg. Waar moet hij dan heen ? Naar de berg Gods, de Horeb. Was hij dat aanvankelijk van plan, maar had hij het onderweg van pure vermoeidheid opgegeven ? Waarschijnlijk wel. Hij zit zo in de knoop met zijn overwegingen en voornemens, dat de Heere de knoop doorhakt. En Elia gaat op pad, veertig dagen en veertig nachten. In Gods kracht. Lichamelijk en geestelijk. Veertig. Lezen we dat getal, dan vonkt het aan alle kanten. Mozes was veertig jaar bij Jethro; hij was hier veertig dagen op de Sinaï. Elia, de tweede Mozes. Israël zwierf veertig jaar hier in de buurt! De Heere Jezus werd in de woestijn geleid, en veertig dagen verzocht. Veertig dagen en veertig nachten. Mozes, Elia, Jezus! Ze zullen eens, op de berg der verheerlijking met elkaar spreken.

De berg Gods ligt in de woestijn. De weg daarheen is een weg van beproeving, van loutering, en heiliging. Hier zag Mozes de braambos, die brandde en niet verteerd werd. Hier ontving Israël de Wet uit de mond des Heeren door de hand van Mozes. De heugenis aan Gods woorden en daden hangt om de Horeb. De berg Gods is de berg des verbonds. En hier ook maakte de Heere Zijn naam bekend. Barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid (Ex. 34 vs. 6). Hij kwam aldaar. Elia haalde het! Wat een verademing, dwars door de woestijn heen de berg Gods te bereiken. Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden, dat ze mij brengen tot de berg van Uw heiligheid. En ze brengen er ons.

Elia kruipt weg in een spelonk. Het gebergte was vol holen en grotten. Wordt met deze spelonk de kloof bedoeld, waar Mozes eens verbleef en waar de Heere aan hem voorbij ging ? Best mogelijk en betekenisvol. Elia overnacht daar. Wat gaat de Heere geduldig en genadig te werk. Wie is een zielszorger zoals Hij. Eerst gaan slapen. En dan roept de Heere hem opnieuw. Met een vraag: Wat maakt gij hier, Elia ? Waarom is hij hier ? Een eigenaardige vraag. De Heere wist het toch wel ? Gij hebt mijn omzwerven geteld, dag voor dag, uur na uur. Het is een ontdekkende vraag. Elia had hier niets te maken, zijn taak lag in Israël. Het is tegelijk een uitlokkende vraag Elia mag het zeggen. Hij mag zijn hart uitstorten; niets verzwijgen van wat hem beweegt en benauwt.

Hier, bij de berg Gods opent de Heere het gesprek: Wat ? Kwam hij hier verslag uitbrengen ? Zijn beklag doen ? Zijn ontslag indienen ? Ik denk dat die drie dingen door elkaar heen liggen. Ze komen in ieder geval aan de orde. Hij kwam imrriers om zich met de Heere in verbinding te stellen. Wat in hem kolkte krijgt klank, wat in hem stormde krijgt stem. Eindelijk kan hij het aan iemand kwijt en nog wel aan de Heere. Alles wat hem zo dodelijk vermoeid en ontmoedigd had. Daartoe nodigt de Heere hem uit. Milde handen, vriendelijke ogen zijn bij Hem, van eeuwigheid. Nooit ervaren ?

Hij brengt verslag uit. Ik heb zeer geijverd voor de Heere, de God der heirscharen. In dat ene woord vat hij zijn leven en streven samen: ijveren. Het is een werkwoord. Hij zette zich helemaal in voor de Heere. Het ging hem om de eer des Heeren, de naam des Heeren. Die werd zo schandalig door de modder gesleurd. Elia kan het niet verkroppen! In hem brandt heilig vuur, een verterende ijver. Daar gaat hij niet prat op, de Heere weet het. Ach, wij maken ons druk om onze eigen zaken, ook onze kerkelijke zaken. Ieder is in de weer voor zijn eigen huis en het huis des Heeren is verwoest.

De Heere verwekte Elia tot die ijver. Het is Zijn eigen ijver die zich van Zijn knecht meester maakte. Het is een ijver des Heeren, Zijn Geest is erin. Het laat ons dan niet onverschillig, hoe men over de Heere denkt en spreekt. Dat Zijn Woord en Zijn dienst stelselmatig worden uitgeschakeld in het volksleven. IJveren voor de Heere, is een ijver des verbonds. Hier, bij de berg Gods is die ijver vereist. Het volk wederbrengen, onder de band van het verbond. Wat zijn wij lauw en flauw ! Elia steekt ons de loef af ! Het verslag over zijn werkzaamheden kan kort zijn: Ik heb zeer geijverd.

En zij ? De kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten. Ze zijn uit de band gesprongen. Dat veroordeelt Israël als volk des verbonds. Het verbond, dat Hij hier met hen sloot, verlaten. Dat is de oorzaak van het verval. Zij hebben van hun kant, de verbinding, de verbintenis met de Heere verbroken. Altaren werden verwaarloosd en vielen in puin. Priesters des Heeren had men niet meer nodig. Mannen, die voor het volk tot God naderden in de dienst der verzoening. Profeten, die hen het Woord Gods overbrachten, werden door hen gedood. Israël stelde geen prijs meer op het verkeer met de Heere. Vandaar! En dat is geen verleden tijd, ze gaan er nog mee door.

Zo komt hij zijn beklag doen. Zijn klacht is een aanklacht. En wee het volk, waarover zo geklaagd moet worden; het wordt aangeklaagd voor de rechterstoel. Het spitst zich hier persoonlijk toe: Ik alleen ben overgebleven en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen. Is dat niet wat overdreven ? Stellig! Hij ziet Obadja zelfs over het hoofd, hij rekent voor heel Israël niets. Dat zal de Heere hem straks wel anders leren. Voor Elia krimpt alles in elkaar: ik alleen. Mislukt is zijn roeping en zending. Al zijn pogingen leden schipbreuk op hun hardnekkige onbekeerlijkheid. Die kinderen Israels ! Izebel kiezen ze. Elia zoeken ze. Ontsla mij maar. Laat hen mijn ziel niet wegnemen. Neem nu, Heere mijn ziel. Het zit er terdege in, dat ontslag, dat overigens niet verleend wordt.

Elia is Jezus niet. De ijver van Uw huis heeft Mij verteerd. De ijver voor de Heere en voor Israël. Klaagde Hij nooit ? Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, maar... (Lucas 13 vs. 34). Jeruzalem, gij die de profeten doodt. Hem zochten zij. Hoe diep is Zijn smart, de psalmen zijn er vol van. En hoe fel was de haat. Toch geen spoor van zelfbeklag. Meer dan Elia is hier. Van ontslag is geen sprake, nooit geweest trouwens. In de hof niet en aan het hout niet. Het hout, het altaar, het offer. Zo ver ging Hij. Als de verschoppeling van Zijn volk, volbracht Hij Zijn werk aan het kruis. Wij mogen Hem bewonde­ren, die de zaken zo uit elkaar wist te houden, dat geen korrel eigenliefde in de wierook van Zijn offer gevonden werd. Gezegende Heere Jezus, ik zie Mozes bezig, en Elia bezig. Uiteindelijk zie ik niemand dan U alleen.

Dankzij Hem behoeven wij niet te versagen in de dienst van het Woord en van de gebeden. Het is niet alleen: ik heb en ik ben; zij hebben en zij zullen. Ik heb, zegt de Heere in het vervolg en Ik ben en Ik zal. Daarom moed gehouden. Het laatste woord is niet aan Izebel, niet aan Israël, niet aan Elia. Het laatste woord is aan Hem, en wij horen het waar wij de nederlaag lijden: Ik heb de wereld overwonnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

En waarom, Elia?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 november 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's