Het geheim van de gemeente
Bespreking van een synodale handreiking
3
Na een korte uiteenzetting over de inhoud van het geschrift 'Het geheim van de gemeente' volgt in het onderstaande tenslotte een kritische beschouwing van deze synodale handreiking. Ik wil dat graag puntsgewijs doen onder het hoofd: Wezen en gestalte van de gemeente van Christus.
Wezen en gestalte van de gemeente van Christus
In de eerste plaats wordt in het geschrift van onze synode over de gemeente naar mijn inzicht beneden de maat en de toonhoogte van het bijbels getuigenis gesproken, als het gaat over het wezen van de kerk. Wel gaat het telkens over het geestelijk karakter van de kerk. Zij is bruid van Christus. Kruis en opstanding zijn de centrale dingen, van waaruit het kerkzijn alleen mogelijk wordt. Toch staan al die dingen onophoudelijk in het kader van de betekenis van het kerk-zijn voor de wereld. En dat dat laatste niet buiten het gezichtsveld blijft, dat het bruid-zijn van de gemeente onmiddellijk verbonden is met het stad-op-de-berg-zijn, dat is een goede zaak. Maar is er ook niet de eigen gestalte van de verborgen omgang met God, waarin Gods kind het wonder mag doorleven van de rechtvaardiging van de goddeloze ? Dat is het diepste geheim van de gemeente. Gemeente-zijn is ten diepste een zaak van gerechtvaardigd worden door God en gemeenschap met die God in en door het bloed van het Lam.
Dat zijn geen zaken, die slechts erkend moeten worden als een algemeen aanvaard uitgangspunt, óf als oriëntatiepunt, óf als inspiratiebron. Hier ligt het geheim van de gemeente. Wij moeten eerst gered worden van de wereld en het oordeel, waarin de wereld omkomt, willen wij voor die wereld wat kunnen zijn. En om gered te worden, is het nodig, dat wij leren afsterven aan al het onze, aan onze ik-zucht, aan onze vervloekte hoogmoed, aan onze eigengerechtigheid. Dat is een innerlijke omzetting, een revolutie, die onze levenshang en -gang radicaal verandert. En dat is een zaak van aanhoudende worsteling en van een verkondiging als in de onmiddellijke tegenwoordigheid van God: 'Laat u met God verzoenen'.
Een objectivistische visie
We kunnen ons niet ontworstelen aan de indruk, dat het synodale geschrift van een objectivistische instelling uitgaat — waarbij de prediking niet meer is, dan aanzegging van de grote daden Gods — zonder dat ernstig rekening wordt gehouden met de mogelijkheid, dat ieijiand lid is van de christelijke gemeente, misschien ook wel van een veelbetekenende politieke pressiegroep, terwijl hij het diepst van het geheim, nl. een doorleving van de rechtvaardiging van de goddeloze in het gericht van God over zijn leven mist.
Dit laatste, het hart van de zaak, is tenslotte een kwestie van vrije genade. Het gaat in de kerk centraal en vooral om de doorleving daarvan. En het gaat er in de prediking om, dat de gemeente meer en meer verdiept wordt in de geloofskennis van Christus, opdat het wonder van de begenadiging, de gloed van een verinnigde gemeenschap met de Christus der Schriften zich meer en meer zou openbaren. Zo alleen kan die gemeente bewaard worden voor het valse dobbelspel van dwaalleraars, waardoor zij als een kind verleid wordt, en wereldgelijkvormig gemaakt wordt. Een vraag, waarmee wij tot ons zelf inkeren: Kennen wij deze levende gemeenschapsoefening met de drieënige God ? Waarom breekt het geloofsleven in onze gemeenten niet meer zo uit, zoals dat gebeurde in de eerste christengemeente?
Concluderend zeg ik dus, dat het synodale geschrift over de gemeente het hart van het geheim niet geraakt heeft. Er is al te weinig de spanning in van het oordeel, het gericht Gods, dat door ons leven heenslaat en waardoor de ganse wereld voor God verdoemelijk ligt, zodat zij straks ook door vuur zal vergaan. In plaats daarvan wordt gesproken over de aanneming der wereld, waarvan de gemeente getuigt (blz. 54 onderaan).
Onze belijdenis over de kerk
Op een andere wijze spreekt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis over de kerk. 'Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest' (art. 27). Daarmee wordt het wezen van de kerk ook betrokken op het ware geloof. Het gemeente-zijn is niet alleen een zaak van Woordverkondiging, sacramenten, ambten, enz., maar ook van uitverkiezing, van door wedergeboorte getrokken zijn uit de wereld. Als we dat recht zien, durven we ook te spreken over 'hypocrieten', 'die in de kerk onder de goeden vermengd zijn en intussen niet van de kerk zijn' (art. 29 N.G.B.). Als het tot een herleving van het gemeentelijk leven komen wil, zal het op deze punten moeten geschieden.
Vanuit dat geheim van de rechtvaardiging van de goddeloze kan de gemeente eerst recht wat voor de wereld betekenen. De dienst aan de wereld moge een wezenskenmerk van de gemeente zijn (verticaal-horizontaal leven zijn, in de gemeente als schering en inslag), de kerk moge niet alleen met haar getuigenis in het Woord, maar ook door in te gaan op maatschappelijke noden in de wereld, middenin deze wereld staan, niettemin is het niet mogelijk het heil van God geheel door te vertalen in politieke en sociale gestalten van het leven. De boodschap van de Bijbel gaat daar bovenuit. Het is ten diepste een zaak van herstelde gemeenschap met God. Een mens is nog geen christenmens, als hij na zijn maaltijd dankt: Heere, dank U voor deze spijze, amen. En een maatschappij is nog niet christelijk, ook al is iedereen daar aan zijn trekken gekomen (Wat men noemt: gerechtigheid) en daarbij de naam van God noemt. De kerk van God is ook pelgrim, vreemdeling en bijwoner hierin, dat zij weet: de gedaante dezer wereld gaat voorbij, ook al zou het een wereld worden, waarin alle volkeren vrede en gerechtigheid hebben. Het leven is preparatio aetemae vitae — voorbereiding op het eeuwige leven.
De tucht
Met dit alles is in feite ons belangrijkste bezwaar tegen dit synodale boekje aangegeven. Ik voeg daar nog een tweede punt aan toe. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis noemt als derde kenmerk van de kerk de tucht. Dat dit geheel ontbreekt in de opsomming van de herkenningspunten van het gemeente-zijn, in de handreiking over het geheim van de gemeente, is tekenend. Het is er een bewijs van, dat hieir op een generaliserende wijze over de gemeente gesproken wordt. Christus' gemeente is congregatio — een vergaderd-zijn — door Christus, maar ook een coetus (een geiovig bijeenkomen van Gods volk rondom Woord en sacrament).'Daarbij kan de tucht niet ontbreken, leer-, levenstucht. Jezus heeft ons de weg gewezen, wat er gebeuren moet als een broeder in de gemeente zondigt. Paulus roept ons op om degenen, die binnen zijn te oordelen en bij volharding in de zonde te veroordelen. In bijna alle brieven van het N.T. wordt de gemeente uitdrukkelijk gewaarschuwd tegen de vele vormen van de dwaalleer. Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 27 noemt als merkteken van de christen ook, dat hij de zonde haat, vliedt en de gerechtigheid najaagt, de ware God en zijn naaste liefheeft, niet afwijkt noch ter rechter-noch ter linkerzijde en zijn vlees kruisigt met zijn werken. In het christenleven en ook in een levende gemeente kan de tucht niet ontbreken. Ik hoef niet te zeggen, hoe droevig het op dit punt gesteld is met onze kerk. De deuren blijven in haast alle opzichten openstaan voor alle wind van leer. Een God-is-dood-en dood-is-dood theologie, die onuitgesproken vaak mee speelt op de achtergrond van vele sociaal en politiek geëngageerde preken, wordt helaas alleen langs medische weg benaderd. De dwaalleer tegenspreken en de dwaalleraars de vrijheid laten om mensen met hun prediking te misleiden, dat kan moeilijk samengaan. Dat is gezichts- en functieverlies van de kerk in de wereld eerste klas. En zolang dat zo blijft, blijft het geheim van de gemeente verduisterd.
Ik weet wel, dat het kenmerk van de tucht ook op de spits gedreven kan worden. Dat heeft de Reformatie niet gedaan. Zij heeft geweten, dat de kerk op aarde nimmer de gestalte van een kerk van heiligen krijgt (dopersen). De kerk moet levenslang leven van de vergeving der zonden (het geloofsartikel over de kerk en dat over de zondenvergeving staan in het apostolicum vlak naast elkaar). Maar dat betekent toch niet, dat het waar is, wat we lezen over de tucht op blz. 22 van de brochure: De verantwoordelijkheid, die de leden van de gemeente voor elkaar hebben, zal in onze tijd niet de vorm aannemen van tuchtoefening over elkaar, zoals in vroeger tijd wel het geval is geweest. Vandaar dan, dat de kerk ook laboratorium heten kan, waarin experimenten plaats kunnen vinden met minder goede afloop. Maar nogmaals, dat is verduistering van het geheim van de gemeente. In een levende gemeente wordt op elkaar toegezien. Daar oordeelt de liefde soms heel scherp, ja juist omdat het gaat om het heil van die ander en om de eer van God. Op blz. 48 van de brochure wordt gezegd, dat de reformatorische belijdenissen de ware kerk niet vanuit de grenzen van haar ledenbestand gedefinieerd hebben. Dat is maar ten dele waar. Art. 27 (N.G.B.) spreekt ook over het ledenbestand van de kerk. En het geeft de grens aan: een waar geloof, de vruchten van dat geloof althans. Over het hart oordeelt de kerk niet. Dat laatste betekent inderdaad, dat we niet haastig iemand hebben af te schrijven. Reden, waarom ook wij ons kaartsysteem met zijn vele rand- en onkerkelijken niet meteen besnoeien willen, door alle niet meelevenden in de prullebak te werpen. Toch gaat het mij te ver, als op blz. 49 van de handreiking te lezen staat: 'Er is een breed niemandsland tussen de kerk en de wereld, waarvan niemand kan zeggen, wie binnen of buiten staat. En zelfs daar, waar naar ons besef het niemandsland is gepasseerd, ligt het domein, dat toebehoort aan de Heer, wiens liefde zonder grenzen is'. Dat riekt naar algemene verzoening. Daar hoor ik in dit geval niet meer de taal van de Bijbel in, de oproep tot bekering en geloof, om daardoor een levend lid van Christus' gemeente te zijn.
Vele vormen van gemeente-zijn ?
Nog enkele dingen resten me. Ik stip ze slechts aan. Er wordt voortdurend gesproken over de vele vormen van het gemeente-zijn. Ook in het N.T. zouden reeds vele vormen voorkomen. Op blz. 45 worden enkele voorbeelden van die vele vormen van gemeente-zijn gegeven, en dan vallen er woorden als parochie, klooster, conventikel, toogdag, ambtelijke vergadering, werkgroep. Nu, zo mag zich dan de één meer thuis voelen in het leerhuis, terwijl de ander in een actiegroep het Evangelie meer beleeft. Maar zo wordt dan toch wel weersproken, wat eerder werd gezegd, nl. dat het gemeente-zijn centraal een zaak is van samen-zijn rondom het Woord en sacrament. Allerlei andere dingen kunnen op zijn best de uitwaaiering zijn van het gemeente-zijn. Ze kunnen er niet voor in de plaats komen. Ik kan me dan ook niet voorstellen, dat de gemeente in haar totaliteit als lichaam van Christus actie-en pressiegroep wordt. Waar blijkt dat in het N.T.? De tijd van het N.T. was toch wel een tijd van sociaal en politiek onrecht. Wanneer is de gemeente, volgens de nieuwtestamentische gegevens een pressie-of actiegroep geworden om b.v. het instituut van de slavernij te lijf te gkan ? Waar vinden we in het N.T. b.v. de oproep om de structuren van de maatschappij geweldloos of desnoods met alle geweld omver te werpen, hoewel het verkeerd beheer van de rijkdom aan alle kanten gehekeld wordt ? Ik vrees daarom, dat het zg. leerhuis en niet minder het instituut van het vormingscentrum in de praktijk een diensthuis (slavenhuis) en misvormingscentrum dreigt te worden, wanneer niet alles op de kaart van het sociale en politieke komt te staan en via de zg. doorvertaling van het Evangelie zelfs op de kaart van het neo-marxisme. Ten aanzien hiervan hebben wij te waken tegen een vals profetisme, waardoor ons zand in de ogen wordt gestrooid en de gemeente verlaagd en vernietigd wordt. In dit verband is het tekenend, dat op blz. 11 van de handreiking gezegd wordt, dat de kerk steeds het gesprek met de synagoge zoeken moet en ook het joodse denken in haar theologie moet betrekken.
Het ambt en de oecumene
Nog een tweetal punten wil ik noemen. Ik kan ze onder één noemer brengen. Er blijkt nl. uit, dat de dingen in het synodale geschrift over het geheim van de gemeente naar alle kanten open blijven. De wijze, waarop over het ambt gesproken wordt, is het eerste punt. Er is volgens de handreiking in de apostolische geschriften een grote variatie in ambten en bedieningen. Men kan niet zeggen, dat één bepaalde vorm van kerkinrichting in het N.T. wordt voorgeschreven. Wij herinneren ons het ambtsrapport van prof. Berkhof. We brengen het hier verder niet ter sprake. Maar we proeven er dan toch de geest van dit ambtsrapport in. En we stellen ertegenover, dat de wijze, waarop de kerkinrichting in het gereformeerde kerkrecht is geregeld, naar onze mening, de beste weergave heten mag van wat we in het N.T. daarover vinden. En dan is er verschil in ambten en gaven des Geestes. Zo is er ook geen plaats voor een bisschoppelijke ordening, zoals in andere kerken. Dat de dingen open blijven naar alle kanten, wordt ook duidelijk over wat in de handreiking gezegd wordt over de oecumene. Driemaal drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied. Maar al onderkennen wij het gevaar van de verabsolutering van ons eigen inzicht, de waarheid is niettemin toch vervat in de leer van de heilige Schrift. En die is duidelijk. Daarbij speelt ons inzicht geen rol meer. Daar hebben wij allemaal voor te vallen. En dan heeft de oecumene zijn grenzen, gelijk de kerk die heeft. Wie niet naar het Woord van God spreekt, heeft geen dageraad.
De gemeente van Christus is een pilaar en vastigheid van Gods Waarheid, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten. En wij hebben ons af te vragen, of wij uit deze waarheid geboren zijn, wedergeboren. Waar dat het geval mag zijn, daar straalt iets van het geheim der gemeente de wereld in. Zoals Mozes' gelaat blonk als de zon, toen hij van de Sinaï kwam, zo straalt een christenmens en een gemeente het licht uit van God, wiens grootste weldaad hierin bestaat, dat Hij een goddeloze entree geeft tot Zijn eeuwig en heerlijk Vaderhart.
Wageningen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's