Kunnen wij er iets tegen inbrengen?
Is dit niet alzo, gij kinderen Israels? spreekt de Heere. Amos 2 : 11b.
Dat was geen kleinigheid voor Amos om zijn bedrijf te verlaten en de lange reis naar het Noorderland te ondernemen. Het liep allemaal zo lekker, toen Uzzia koning in Juda was en Jerobeam de tweede over het tienstammen-rijk regeerde. De grootmachten in die tijd hadden zoveel te stellen met elkaar, dat de kleine volkeren met rust gelaten werden. Zij konden zich wijden aan hun eigen belangen, de opbouw van het economische leven. De oude rijksgrenzen werden zelfs hersteld zonder dat er een leger van één van de volkeren, die naar de wereldheerschappij streefden, er aan te pas kwam om dit te verhinderen. Zo bekeken was het een bijzonder mooie tijd, waarin goed verdiend werd. Het land bracht veel op aan vruchten, zodat er heel wat geëxporteerd kon worden. En dit bracht veel geld in het laadje. Het was dan ook goed te zien aan het leefpatroon van de inwoners van het Noorderland, dat de economische situatie er bijzonder rooskleurig uitzag. Ieder was aan het verbouwen, huizen werden verfraaid, nieuwe meubels in grote getale gekocht. Voor het bouwen van feesten was blijkbaar geld genoeg aanwezig, want er werd veel gegeten en nog meer gedronken. Niet dat de gewone man hier erg in deelde. Daar viel genoeg over te klagen. Arme mensen waren niet in tel, maar de rijken zorgden er voor goed aan, hun trekken te komen. Ook in de Kerk, in de heiligdommen, was het te merken, dat er veel geld door de vingers ging, want ze brachten heel wat offeranden naar de priesters, die handen tekort kwamen om de dieren te slachten ten brandoffer aan de Heere. De dienst des Heeren mocht ook mee profiteren van de gestegen welvaart. Ze waren er van overtuigd, dat God aan hun kant stond. Hiervoor dienden zij de Heere te belonen met hun gaven. Ze hielden de godsdienst in ere. Geweldig zoveel mensen als de bijzondere godsdienstige feesten in Bethel en Dan en Berseba bijwoonden. Begeleid door de muziekinstrumenten zongen zij het hoogste lied, waarmee zij dachten hun God de nodige eerbewijzen te brengen. Het leek allemaal heel fijn, ze hadden er schik in en genoten van hun fijne bestaan, dat op geen enkele manier verstoord werd. Ze konden met een gerust hart de dag tegemoet leven, de dag des Heeren, de dag aan het eind van alle tijden, de dag, waarop God gericht zou hou den over de volkeren der aarde. Dan zou het duidelijk worden, dat de Heere God aan hun kant stond. Ze zouden er van langs krijgen, de heidenen. Maar voor Israël zou het licht zijn, vreugde en blijdschap, want zij gingen een zalige toekomst tegemoet bij God. Tot deze rust voor hun besef op een wrede manier verstoord werd door die man, die helemaal vanuit het Zuiderland, vanuit Thekoa, dat nog onder Jeruzalem lag, kwam met een onheilspellende boodschap.
Geen gemakkelijke beslissing was het voor deze veehouder geweest, die ook nog uitgebreide plantages bezat. Hij moest dit alles verlaten, aan zijn personeel overgeven en zelf met een boodschap van God naar het tienstammen-rijk gaan. Geen plezierige boodschap. Hij moest gaan vertellen, dat God geen genoegen nam met hun godsdienst en zeer ernstige bezwaren had tegen hun leefwijze. Daar verschijnt zomaar ineens die vreemdeling op het gezellige feest van Israël in Bethel. Een vuur zal Ik, zo spreekt de Heere, in Juda zenden en oordelen brengen over Israël, waar het kraken zal, zoals wagens zwaar beladen mqt de oogst krakend over de wegen gaan. Je zou kunnen denken aan een aardbeving, waardoor het hele bestaan op losse schroeven gezet wordt en niemand door menselijke kracht of snelheid zal ontkomen. Om drie overtredingen van Israël en om vier zal Ik dat niet afwenden. Daar spreekt God hen aan over hun zonden, hun overtredingen van Gods geboden. De Heere heeft het goed bijgehouden, hun zonden geteld, die machtig vele zijn. Hun goddeloos en redeloos leven roept weerstanden op bij de Heilige in de hemel. Heeft Hij niet iets heel anders van hen mogen verwachten? Juist het tegendeel van hun zondig bestaan, waardoor zij Gods wetten vertreden en Zijn Naam ontheiligen. Had God de Heere niet een Godvruchtig leven mogen verwachten, vol van liefde voor Zijn dienst en vol van ijver om Zijn inzetttingen te bewaren en te onderhouden? Zijn de weldaden des Heeren niet zo groot geweest, dat het volk met diepe genegenheid in Zijn wegen had behoren te wandelen? Heeft de Heere hier geen recht op? Was Israël dit niet ten volle aan Zijn Weldoener verplicht? Hebben zij niet alles aan Gods goedheid te danken? Hun hele bestaan? Hun mooie leven, htm voorspoed en rijkdom? Met dit ontdekkende woord komt Amos in de Naam des Heeren naar Israël toe om hen wakker te schudden, tot inkeer te brengen, een ommekeer te verkrijgen. Zeg het maar, o Israël, als het anders is!
De Heere roept het alles nog eens in herinnering wat Hij allemaal voor dit volk gedaan heeft. Ik heb u opgezocht, toen gij zwart van ellende waart onder de tyrannic van de farao. Ik heb u door woestijnen heengeleid. Ik heb u gebracht in Kanaan, het land overvloeiende van melk en honig. Ik heb de Amoriet verdreven, die zo sterk was, dat gij dit zelf nooit voor elkaar had kunnen krijgen. Maar Ik heb nog meer gedaan. Ik heb ook gezorgd voor profeten, voor verkondigers van Mijn boodschap, van het heil, dat Ik aan arme zondaren weg wil schenken. Gezorgd voor profeten, die u Mijn Verbond gepredikt hebben. Mijn beloften en Mijn warme genegenheid. Mijn trouw in vergevende liefde en verzorgenden goedheid en bewarende ontfermingen. Nazireërs heb Ik u gegeven, die Mijn dienst waarnamen en de Godsvrucht behartigden u ten voorbeeld. Zo heb Ik u omringd met Mijn weldaden. Zeg het maar, o Israël, als het niet waar is. Maar gij, wat hebt gij met dit alles gedaan? De profeten hebt gij weggejaagd, naar hen hebt gij niet willen luisteren. Mijn dienst hebt gij opzij gezet en andere wegen zijt gij ingeslagen. Nazireërs hebt gij verleid, want gij hebt u opgesteld als vijanden van Mij en van Mijn dienst. Zo hebt gij Mijn Verbond verbroken. Mijn inzettingen verlaten. Mijn geboden overtreden. Israël toch, hoe hebt gij dit kunnen doen? Mij aan kunnen doen? Mij zo kunnen versmaden?
Waarom moet Amos dit alles zeggen? Waarom hot op deze wijze zeggen? Waarom zo indringend en tegelijk zo vriendelijk op hun hart inwerken? Opdat zij breken zullen onder Gods bemoeienissen. Wat een diepe liefde van de Heere. Hij had hen zo weg kunnen jagen, los kunnen laten, aan het verderf prijs kunnen geven. Zij hebben het ernaar gemaakt! Maar nog geeft de Heere het niet op. Nog blijft Hij achter hen aanlopen. Nog zoekt de Heere hen tot wederkeer te brengen door hen bewogen toe te spreken, waarin Zijn diepe genegenheid jegens hen uitkomt en Zijn bedoelingen van te willen behouden duidelijk kenbaar gemaakt worden. Is de Heere dan zo goed? Zo lankmoedig? Wil Hij dan zo graag het behoud van zo'n afkerig zondig volk?
Wat een God is deze God, wat een liefde is er in het hart van de hemelse Ontfermer! Ook vandaag nog. Want zo worden ook wij aangesproken, die onder het profetisch Woord mogen verkeren, die voorbeelden van Godsvrucht van de Heere verkregen hebben, die getuigen zijn van Gods bemoeienissen in Zijn reddende en verlossende daden. Wat erg, wij zijn niet beter dan Israël, maar net zo afkerig in en van onszelf. We verkeren met het teken van Gods Verbond aan onze voorhoofden onder de prediking van Zijn genade, in de Heere Jezus betoond, in Wie al Gods beloften ja en amen zijn. We worden gewaarschuwd en geroepen, gelokt en nagelopen door de Heere. Wat een zegeningen ontvangen we niet uit Zijn milde handen. Zijn goedertierenheden zijn elke morgen nieuw. Is het anders? Is het niet alzo? , vraagt de Heere! Kunnen we het tegenspreken, dat we in het heden der genade onder het aanbod van Gods gunst mogen verkeren? Waarom dan zo onwillig? Waarom dan zo ongelovig? Waarom willen we dan niet opgeven ons eigen leven, ons zondige bestaan? Waarom niet sterven aan onze verdorven natuur? Waarom komen we dan niet met smeking en geween tot Hem, die Gods Verbond verwerkelijkt, tot de Borg en Middelaar van het Nieuwe Verbond? Heeft de Heere, om het eens een beetje vreemd te zeggen, dit niet aan ons verdiend, dat we voor Hem in de schuld vallen en Hem als een arme zondaar aanroepen uit de diepten van onze ellende? Heeft de Heere het dan niet bijzonder goed met ons voor? Is Hij dan niet een alles-vervullend God, die al Zijn beloften waar maakt? Als het anders is, laten we het dan zeggen!
Is dit niet alzo, gij kinderen Israels? , spreekt de Heere!
E.-Bi.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 november 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's