Een dissonant met een bemoedigend appèl
Want zo zegt de Heere tot het huis van Israël: zoekt mij en leeft. Amos 5 : 4
Hij is er weer, Amos, in Bethel op het feest. Ze hebben hem zien komen. Zouden ze nooit meer van deze man afkomen? Van deze zwartkijker? Zou hij nu ook weer wat te zeggen hebben? Het was zo fijn, dat ze in de heiligdommen weer bijeen waren. De wegen hebben zwart gezien van al de feestgangers in hun 'zondagse' kleren. Het was duidelijk aan het volk te zien, dat er iets bijzonders gaande was, iets feestelijks. Ze vierden hun vierdagen en wilden hun God lof en dank toebrengen. Daarom waren ze gekomen met hun offeranden en zongen de lof van de Heere uit die duidelijk blijken gaf van Zijn genegenheid voor het volk Israël. God stond aan hun kant. Wat een zegeningen ontvingen ze niet in deze welvaartstijd! Daar kon toch alleen maar ieder zich in verheugen, dat het tien-stammenrijk zo 'kerks' bleef, zijn godsdienstplichten zo getrouw nakwam en zo zijn vroomheid bewaarde. Hoort hen zingen het hoogste lied onder begeleiding van de muziekinstrumenten. Wat kan deze man, die zich opwerpt tot profeet en zich uitgeeft voor een dienstknecht van de Allerhoogste hiertegen inbrengen? Zal hij dan nu zijn mond nog niet houden?
Neen, de profeet kan niet zwijgen. Hij heeft zichzelf niet opgeworpen tot dit hoge ambt, hij weet zich geroepen en daarom mag hij niet zwijgen. Ook nu heeft hij een boodschap aan dit feest-vierende volk, dat er van uitgaat, dat alles tussen God en hen goed zit en een schone toekomst hen wacht en het licht van de dag des Heeren hen al tegenstraalt, zodat ze nergens geen zorg over hebben, maar gerust hun hoofd er op neer kunnen leggen, dat God met hen is en zij daarom een heerlijke, een zalige toekomst tegemoet gaan. Wat heeft Amos hierop te zeggen?
Zijn preek wordt een dissonant in de feestvreugde, die zich van de aanwezigen heeft meester gemaakt onder leiding van de priesters en hun eigen profeten. Amos houdt een toespraak, geheel tegen de draad in. Niet een opgewekt getuigenis laat hij horen over hun geestelijk leven. Zijn woorden passen zich niet aan bij het levensgevoel, het godsdienstig levensgevoel van het feestvierende volk. Een dissonant laat hij horen, het lijkt wel een kras op een stuk ijzer in plaats van de zoete tonen op een fluit. De profeet begint aan een begrafenis-toespraak, aan een lijk rede. Wie is er dan wel gestorven, wie wordt er begraven? Israël is overleden, het tienstammenrijk! De jonkvrouw Israël is gevallen, zij zal niet weer opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand die haar opricht. Een jonkvrouw was het, een maagd, springlevend zou je zeggen. Maar ondanks al haar kracht, ondanks al de levensverwachting, die zij had, is haar einde gekomen, ze is dood.
Is dat geen vreemde taal, gespeend aan alle werkelijkheid? Alles leeft aan dit volk. Zij blaken van welstand, van gezondheid en van kracht. Ook in geestelijk opzicht, want met overgave vieren zij de dienst des Heeren en brengen Hem alle hulde. Wat een zotternij om met zulk een boodschap te komen naar een volk, dat in zeer goede toestand verkeert.
Dood en leven zijn meer dan biologische begrippen. Je kunt er springlevend uitzien, de naam hebben, dat je in een uitstekende gezondheid verkeert, dat je leeft en toch dood bent. Want de woorden dood en leven duiden in de Bijbel ook een geestelijke toestand aan. Dood is afgescheiden zijn van God, zonder God door het leven gaan, dood-zijn-in-zonden-en-misdaden. Afgesneden van God, zodat er met Hem geen gemeenschap is, geen werkelijke omgang, geen innige verhouding, geen ziele-band. Je kunt de naam hebben dat je leeft, godsdienstig leeft, alles doet wat er geestelijk van je gevraagd wordt, zodat je alle vormen van vroomheid in ere houdt, al je godsdienstplichten opgewekt nakomt en toch dood bent, geen levendige gemeenschap met God hebt. En dit nu was het geval met Israël. Het was alleen maar een schijn van God-zaligheid. En dit nu juist is zo levensgevaarlijk voor ons. We doen mee, het lijkt soms heel wat, we kennen de woorden en we houden ons aan de Bijbel, doen onze gebeden en dankzeggingen, brengen onze gaven en offeranden. Maar waar is ons hart? Waar is de verborgen omgang met de Heere van zielen, waar Zijn vrees in woont? Waar is de warme verbondenheid met de Heere als de bron van alle leven, waar de innige verbondenheid aan Hem, aan Zijn Woord en aan Zijn dienst. Wat beleven we van de Heere, van Zijn vertroosting en verzorging, van de bediening uit de volheid van de Heere Jezus? Is ook op ons niet van toepassing wat Amos dit volk voorhoudt? Wat een dodigheid in veler godsdienstig leven, vormendienst, verplichtingen nakomen, allerlei gepraat over godsdienstige zaken met een wettisch leven er nog al eens bij en zo menen; dat we heel wat zijn in het oog van God. Maar Amos zegt, wat een dodigheid, zodat een lijkrede heel best van toepassing is. Hoe nodig voor ons hieraan ontdekt te worden, opdat we kennis van zaken opdoen, onszelf niet misleiden en iets gaan beseffen van de nood en ellendigheid waarin we verkeren. Want kan het erger met ons dan van God afgesneden te zijn, voor God en Goddelijke zaken dood te zijn, te missen een werkelijke omgang met de Heere en daarom overal buiten te staan, verloren te liggen en zo eenmaal weg te sterven en verstoken te blijven van het eeuwige zalige leven in Gods hemel en op Gods nieuwe aarde?
Kijk, daar gaat het Amos om met heel zijn begrafenis-toespraak, dat we er van opschrikken, tot onszelf komen, ons gemis klaar en duidelijk gaan zien en al onze zorgeloosheid kwijt raken over onze eeuwige toekomst. De profeet spreekt het volk aan in diepe bewogenheid, dat ze in zullen gaan zien hoe gevaarlijk het er met hen voorstaat. Terwijl de weg tot behoud openligt. Want de dood, waarin we verkeren, kan verslonden worden tot overwinning. Leven is er nog te vinden, leven met God, de zalige gemeenschap met de hemelse Ontfermer. Dood is niet het laatste woord, dat de profeet te verkondigen heeft. Helemaal niet! Gode zij dank niet! Uiteindelijk is hij niet een prediker van de dood, maar van het leven, het hemelse leven, het zalige eeuwige leven in Gods liefdevolle gemeenschap. Hoort toch, o Israël, wat de Heere door mijn mond u vertellen wil. Zoekt Mij en leef. Opdat gij tot leven komt. Verlost wordt van uw dood-zijn, van uw verlorenheid. Zoekt Mij toch, de bron van dit leven. In Bethel is het niet te vinden. In uw eigen heiligdom niet te vinden. In uw eigenwillige godsdienst niet. Het leven voor ons, het overgezet worden uit onze dood in het leven, ons verlost worden van zonde en schuld, van vloek en oordeel, verzoening deelachtig worden en vergeving van al het kwaad, dat wij bedreven hebben, ontvangen, zodat we met God in het reine zijn, is niet te vinden bij onszelf, niet in onze eigen vroomheid, niet in onze godsdienstige systemen en manieren van godsdienstig zijn, niet in onze eigen werken van wettische degelijkheid en vrome gevoelens maar in de Heere.
Even verder lezen we bij Amos in dit appèl. Zoekt Bethel niet en komt niet te Gilgal en gaat niet over Berseba, allemaal plaatsen van eigenwillige godsdienst. Maar zoekt de Heere. Met de waarschuwing er bij, voordat het te laat is. Opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat alles verteert en wat niemand zal kunnen blussen in Bethel. Want wij brengen geen verzoening aan met onze werken, met onze vroomheid, wij bedekken onze zonden niet met ons godsdienstig leven van trouw en wettische inspanningen. Hiermee blussen we het vuur van Gods gramschap niet. Alleen in de Heere, in Zijn gemeenschap, in Zijn werk, in Zijn offer, ligt ons behoud, zodat we de dood ontrukt worden en verlicht adem zullen halen in Gods liefdevolle gemeenschap. En daarom ook voor ons deze oproep van de profeet, gedaan in de Naam des Heeren, zoekt toch de Heere, opdat gij tot leven zult komen!
De Naam Heere wordt gebruikt, de Naam die God Zichzelf gegeven heeft om tot uitdrukking te brengen de inhoud van Zijn Verbond, van Zijn genegenheid voor een zondig volk, van Zijn hemelse gaven aan mensen die verkommeren in hun toestand en zo ten dode opgeschreven zijn. Hij is de zijnde, die Zichzelf gelijk blijft en al Zijn beloften houdt. Hij wil gemeenschap met ons mensen. Ik wil uw God zijn. Zo komt de Heere in de prediking naar ons toe. Alles wil Hij er aan doen om zo tot gemeenschap te komen. Alles opruimen wat de weg naar Hem, naar het leven met Hem en bij Hem en in Hem, verspert. Daarvan spreken al Zijn beloften. Hiervoor is de Knecht des Heeren geboren in Bethlehems stal. Hiervoor heeft deze Knecht Zich opgeofferd als het-Lam van God voor de zonde. Hiervoor heeft de Messias, die de diepste inhoud van Gods Verbond is, de schuld op Zich genomen, alle klappen aanvaard en zo de vloek weggedragen, waardoor de scheiding werd opgeheven. De voorhang scheurde, de toegang tot het Vaderhart van God ligt open! De lijkrede verandert in een appèl, die als een klaroenstoot uitgestoten wordt om het met klem ons te zeggen in hartelijke bewogenheid, met levendig intens aandringen, zoekt Mij toch! 't Wordt alle arme zondaren aangezegd, zelfs de einden der aarde, wendt u toch naar Mij toe. Zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is! En Hij is te vinden. In Zijn Verbond te vinden. In het teken van dit Verbond aan onze voorhoofden. In al Zijn beloften. Onder de prediking van Zijn Woord. In Bethlehem. Op Golgotha aan de voet van het kruis. Bij het open graf. Te vinden op de knieën, waar het antwoord door de overwinnende kracht van Gods Geest gegeven wordt op dit profetisch appèl in de Naam des Heeren.
Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek de zegen Alleen bij U, o bron van troost en licht!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 november 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's