De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

Heinrich Bullinger

In 1575 stierf Heinrich Bullinger, opvolger van Zwingli in Zurich en één van de groten uit de geschiedenis van het Gereformeerd Protestantisme. Eind september werd naar aanleiding van de herdenking van zijn sterfdag 4 eeuwen geleden, een Bullingerconferentie georganiseerd in Zurich waartoe ook Nederlandse kerkhistorici waren uitgenodig. Bullinger is minder bekend dan Calvijn en Zwingli. Toch is het de moiete waard van zijn persoon en werk kennis te nemen. Wie was Heinrich Bullinger?

Hij werd in 1504 in Bremgarten geboren, bezocht de latijnse school van de broeders des gemenen levens te Emmerich en werd in 1519 student in Keulen, waar hij zeer geboeid werd door Erasmus. Op zeventienjarige leeftijd brak hij met de r.k. kerk. Aan deze beslissing is een grondig en diepgaand onderzoek van de Heilige Schrift voorafgegaan. De omgang met het Woord — een reformatorisch grondgegeven!

Sinds 1523 is Bullinger docent aan de kloosterschool in Kappel. Inmiddels is hij ook predikant geworden. Dr. W. Balke schrijft in het orgaan van de vriendenkring van Kohlbrugge, het 'Kerkblaadje' van 21 november:

Bullinger is inmiddels predikant geworden te Bremgarten. Zijn vader was er dekaan en had zich dapper voor de Reformatie ingezet. Hij verloor zijn plaats erdoor, maar baande de weg naar de Reformatie. Zijn opvolger werd de hervormde predikant Gervasius Schuier. Bullinger kreeg de tweede predikantsplaats. Hij trouwde 17 aug. 1529 in Birmensdorf in het huis van zijn oudere broer. Ds. Johannes Bullinger. De bruid was Anna Adlischwyler. Zij kregen zes zonen en vijf dochters, waarvan Anna en Margeretha te Bremgarten geboren werden. Bullingers werkzaamheid te Bremgarten duurde krap tweeënhalf jaar. In deze korte tijd heeft hij zijn gemeente bijna het gehele Nieuwe Testament uitgelegd. Hij voerde in Januari 1531 een grote disputatie (twistgesprek) met de Dopers en schreef enkele boeken, waaronder een fundamentele weerlegging van de Dopers 'Ven dem unverschamten Frevel der Wiedertaufer' (Over de onbeschaamde boosheid van de Wederdopers).

Dan breken de donkere dagen van de oorlog aan. In augustus 1531 vertoeft Zwingli voor de laatste maal in het huis van zijn jonge vriend. Hij onderhandelt er met twee afgezanten uit Bern. Wanneer Zwingli vóór het aanbreken van het morgenlicht Bremgarten verlaat, begeleidt Bullinger hem tot voorbij het dorp Zufikon. Dan nemen zij op aangrijpende wijze afscheid. Voor Bullinger was het een onvergetelijk moment. Hij zegt: 'Toen nam Zwingli voor de derde maal onder tranen afscheid. Hij zei: mijn geliefde Heinrich, God moge jou bewaren, en blijf trouw aan de Heere Christus en Zijn kerk'. 11 oktober sterft Zwingli op het slagveld te Kappel. De dood kwam voor hem niet onverwacht. Vervuld van voorgevoelens had hij als zijn opvolgers aanbevolen Oecolampadius te Bazel, Leo Judae of Bullinger. Intussen leefde Bullinger als vluchteling om des geloofs wil van huis en haard verdreven in Zurich, want door de nederlaag bij Kappel moesten de beide predikanten van Bremgarten, Schuier en Bullinger, en ook BuUingers vader de stad verlaten. Zij gingen naar Zurich. In Bremgarten werd het rooms-katholicisme spoedig weer ingevoerd.

Toen Oecolampadius en Leo Judae weigerden, werd Bullinger eenstemmig door de Raad van Zurich tot opvolger van Zwingli gekozen en werd hij Antistes van de kerk te Zurich. Hij bedankte voor beroepen naar Bazel en Bern. Hier kwam hij op de plaats, waar hij zijn eigenlijke levenswerk zou verrichten. Van 1531 tot 1575 heeft hij hier gewerkt en een zeldzame productiviteit aan de dag gelegd. Hij was eerst 27 jaar toen hij de leiding van de kerk te Zürich op zich nam.

Bullinger heeft door zijn grote gaven een enorme invloed gehad, niet alleen in de plaatselijke kerk van Zurich, maar voor het gehele gereformeerde Protestantisme. Talrijke geschriften heeft hij 't licht doen zien. Daarnaast voerde hij een uitgebreide correspondentie. Meer dan 12.000 brieven zijn van hem bewaard gebleven. Terecht noemt prof. dr. W. v. 't Spijker deze correspondentie een eerste klas bron voor de kennis van de geschiedenis van de Reformatie. Van 't Spijker noemt als kenmerkende trekken van de theoloog Bullinger het schriftuurlijk, het pastoraal en het verbondsmatig karakter van zijn theologie. De zielzorger Bullinger heeft in feite alleen maar het Woord aan het woord willen laten komen in zijn geschriften. God is voor Bullinger de God van de geschiedenis, de levende en handelende God. Dit aspect noemt Van 't Spijker in een artikel in De Wekker van 24 oktober een van de diepste beseffen van zijn Verbondstheologie.

Bullinger, verdediger van de Reformatie

In dit verband willen we ook graag doorgeven wat Van 't Spijker schrijft over het boekje van Bullinger over het oude geloof. Daarin verdedigt Bullinger de Reformatie tegen het verwijt dat zij kwam met iets geheel nieuws. Kenmerk van de waarheid was immers volgens Rome de oudheid van de traditie, die altijd en overal onderwezen was. Afwijking daarvan werd beschouwd als nieuwlichterij. Bullinger laat zien hoe de Reformatie terugkeer naar de Schrift betekende en daarom zuivering van het oude geloof. Wat verstaan we eigenlijk onder die term: het oude geloof? We citeren Van 't Spijker in zijn artikel in het nummer van 31 oktober:

De titel van Bullingers geschrift zegt dit reeds duidelijk: Het oude geloof. Klaar betoog dat het christelijk geloof van den beginne der wereld bestaan heeft en dat het alzo het rechte, waarachtige, oude en ongetwijfelde geloof is.

De bedoeling die Bullinger met zijn boekje had omschrijft hij zelf op de volgende manier: Ik heb, tot eer en bevordering van ons geloof, ook ten dienste en ten goede van vele eenvoudige en niet welonderwezen mensen en tot uw ernstige aanmoediging deze korte verklaring van ons heilig geloof aan u willen schrijven, opdat daardoor de kleinmoedigen moed en vertrouwen zouden gewinnen en gesterkt worden, wanneer wij zien, dat het met ons heilig geloof zo heerlijk gesteld is, dat het zo wel gegrond is, en dat alle oude, wijze, geleerde vrome en heilige lieden vanaf het begin van de wereld reeds dit geloof gehad hebben; eindelijk, opdat ook die (indien zij het tenminste willen) een vriendelijke waarschuwing zouden hebben, die ons niet slechts oude, maar overoude, ware, gegronde en ongetwijfelde, heilige en onbevlekte geloof, voor nieuw en sectarisch uitkrijten en vervolgen.

Bullinger gaat terug tot in het paradijs, en hij schrijft over Adam en Eva als over de eerste Christgelovigen. Zij waren door de zonde verloren, maar hebben hun geloof gevestigd op de belofte van God. 'Dewijl Adam en Eva alzo het geloof in God deelachtig geweest zijn, en mitsdien zó tegenover God gestaan hebben, dat zij erkend hebben zondaars te zijn, en vertrouwd hebben alleen door het gezegende zaad zalig te worden, zich ook gewillig onder de tucht en straf van arbeid, kommer en ellende dezes levens gebogen hebben, zo volgt onwedersprekelijk, dat onze eerste ouders ware Christenen geweest zijn'.

Bullinger hanteert hier een gedachte, die zij het niet in deze vorm, maar dan toch naar de inhoud volkomen beantwoordt aan datgene wat in de Reformatie weer opnieuw met grote kracht werd beleefd: ons geloof, als mensen buiten het paradijs is altijd en overal geloof in de belofte van God. Aan de belofte wordt de kracht ontleend om verder te gaan. En in die belofte komt het gehele heil tot ons in al zijn rijkdom.

Daarom wordt ook Abraham een Christen genoemd, en heeft Abraham uit hetzelfde geloof geleerd als waaruit ieder christenmens heeft te leven: 'In één woord: er is geen goede, dappere christelijke daad, die gij niet in 't leven van Abraham vindt. Waarom hij ook in het Nieuwe Testament overal, door onze Heere zelf en door zijn apostelen, ons als het voorbeeld voor ons geloof en leven wordt voorgehouden'.

Adam en Eva waren christenen.

Abraham was een christen.

De ouden, die geleefd hebben onder de ceremoniën van de wet, maar die geloofd hebben in de belofte, waren christenen.

En het is dit oude geloof, dat ook in de tijd van de Reformatie weer opnieuw is gepredikt. Daarom is die Reformatie ook niet iets nieuws, maar het is de nieuwe prediking geweest van het oude geloof in de belofte van God.

Dat alles is ook voor de situatie van vandaag bijzonder belangrijk. Immers ook nu is er, in geheel andere omstandigheden, toch de vraag naar de grond en de zekerheid van het geloof? Kan men spreken van een vast fundament? Of verschuift alles in de stroom der historie? Van 't Spijker schrijft i.v.m. Bullingers nadruk op de belofte:

Het is goed dit element uit de verdediging van de Reformatie uit de mond van een man als Bullinger vandaag in herinnering te brengen.

In de eerste plaats omdat op geen krachtiger manier de prediking van de belofte kan worden onderstreept. Luther heeft door het begrip testament weer opnieuw te verstaan als belofte-woord de grond gelegd voor de zekerheid van het geloof. De rechtvaardiging door het geloof alleen heeft hij als geen ander gepredikt. Wij kunnen daarvoor vandaag niet dankbaar genoeg zijn. Het is de centrale bijbelse boodschap geweest, die de harten heeft gewonnen, de ketenen heeft verbroken en de mensen weer heeft gesteld in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Wij zullen vandaag de herdenking van de reformatie niet beter kunnen eren dan door een onvoorwaardelijke prediking van die belofte, dat is: van het geloof alleen, dat is: van de genade alleen. Maar wij zullen daarbij niet mogen vergeten, dat de gereformeerde reformatie sterker dan Luther de oudheid van die belofte heeft benadrukt. En daarbij valt op die prediking van de belofte een ander accent bij Luther dan bij Bullinger en ook dan bij Calvijn. Wanneer wij als calvinisten de reformatie herdenken zullen wij op dit punt niet Luthers willen zijn.

Dat brengt in de tweede plaats met zich mee een sterker poneren van de betekenis van de geschiedenis van het heil, of wil men anders: van de verbondsgedachte. Daarin heeft de gereformeerde reformatie de Lutherse overtroffen. Bullinger is een van de grondleggers geweest van de verbondstheologie. Deze laatste zou men heel compact kunnen omschrijven als de historische vorm van de leer van de rechtvaardiging door het geloof. Het heil maakt geschiedenis. Het kent voortgang. Waar dit ontkend, of voorbijgezien wordt mist men een belangrijk aspect van de genade van God. Het oude geloof was er al bij Adam en Eva, het was er al bij Abraham. Het was er, omdat het verbond met zijn belofte er reeds was. Niet dan tot grote schade voor het eigen geloofsleven, ook voor het kerkelijke leven in engere en in bredere zin kan men dit ontkennen.

Naar mijn overtuiging ligt hier één van de belangrijkste verschillen in de benadering van het gereformeerde protestantisme van het doperse gevaar uit de dagen van de reformatie. Luther bleef min of meer bij de rechtvaardiging staan. De gereformeerden spraken over het verbond, als teken en vorm van de belofte, zij stonden zodoende sterker tegenover de anabaptisten.

Het zou goed zijn dit belangrijke element in deze tijden van herlevend doperdom te bedenken en te gebruiken. Het kan theologische en kerkelijke winst opleveren die wij vandaag zo hard nodig hebben.

Strijd om de jeugd in Rusland

De Oost-Europa-afdeling van het Interuniversitair Instituut voor Missiologie en Oecumenica te Utrecht heeft een documentatiemap uitgegeven met het doel informatie te verschaffen over de christenen in Oost-Europa. In de uitgegeven map komt de positie van de Russische jongeren ter sprake. In het blad Kerknieuws (red. Scheps) van 24 oktober wordt uit de inleiding van de informatiemap, — een inleiding van de hand van dr. J. ter Vrugt-Lentz — het een en ander weergegeven. We geven enkele gedeelten uit dit artikel door. Over de bestrijding door het atheïsme wordt gezegd:

Noemde Lenin het godsgeloof ten slotte tóch nog een privé-zaak, de huidige partij stelt zich op als vormer van de gewetens ten gunste van het atheïsme en de staat doet daaraan mee. Het 'Wetboek over Huwelijk en Gezin' van 1969 vergt opvoeding van de kinderen in atheïstische zin. Vaders en moeders die hier niet aan willen meedoen, kunnen uit de ouderlijke macht gezet worden. Dan gaan de kinderen naar opvoedingsinstituten. De staatsscholen, die ieder kind moet bezoeken, vormen de jeugd in atheïstische zin, de communistische jeugdverenigingen werken in dezelfde lijn, studenten zijn verplicht een leergang in 'wetenschappelijk atheïsme' te volgen: doop, huwelijksbevestiging, begrafenis worden door 'socialistische riten' vervangen, 'n Sovjetburger die anders kiest, loopt kans in zijn werk en sociale status gedegradeerd te worden, zo er al geen erger maatregelen tegen hem getroffen worden, niet zozeer op grond van officiële wetten maar eerder van allengs opgekomen 'sociale' gewoonte.

De theoretici van het atheïsme namen in 1971 de herleving van de godsdienst onder de loep op een 'wetenschappelijk - methodische conferentie voor heel Rusland, over problemen van de atheïstische opvoeding van de jeugd in de nationale scholen'. Er werden ongev. 80 voordrachten gehouden en een nieuwe wetenschap ingevoerd, de 'marxistische godsdienstwetenschap'. Met behulp daarvan onderzoekt men sindsdien de tekorten van de atheïstische scholing en de interne processen die plaatshebben in het leven van godsdienstige groeperingen, processen die blijkbaar zovelen tot geloofsovertuiging brengen. Dit onderzoek heeft reeds het een en ander aan het licht gebracht, b.v. het negatief-uitdagend karakter van de Sovjet-wetten tegen de eredienst. Vooral de secten tonen een onbuigzame weerstand tegen maatregelen die in tegenspraak zijn met de grondwet en de UNO-verklaring betreffende de rechten van de mens.

Ook werd er geconstateerd dat in de secten de mannen doorgaans de meerderheid vormen, en dat onder de 'sectariërs' het aantal jeugdigen met een hogere opleiding, dat in het arbeidsproces staat of in de staatsbedrijven werkt, relatief hoog is. Verklaringen voor deze verschijnselen heeft men niet.

De atheïstische propaganda wordt vandaag heel wat genuanceerder gevoerd dan eertijds het geval was. Het 'Instituut voor Wetenschappelijk Atheïsme' en de 'Afdeling Propaganda en Agitatie' zetten sociologische studies op om te achterhalen waar de overredingskracht van geestelijken en andere overtuigde gelovigen precies in zit.

Het is nodig dat we in het Westen kennis nemen, voorzover dat mogelijk is van de geraffineerde wijze waarop de atheïstische propaganda gevoerd wordt, opdat we de situatie goed onderkennen.

De christenen achter het ijzeren gordijn die in een atheïstische staat leven, hebben onze voorbede nodig. Het is immers geen gemakkelijke zaak weerstand te bieden. Toch gebeurt het.

De gelovigen die jaar in jaar uit de atheïstische propaganda om zich heen ervaren, voelen de noodzaak zich, zo goed en zo kwaad als het kan, te verdedigen. Van de jonge orthodoxen kan men zeggen dat de liturgie, die tevens een groot stuk catechese betekent, meestal van het prille begin af diepe indruk op het kind maakt. Maar ook atheïstische jongeren die uit pure nieuwsgierigheid een orthodoxe liturgie bijwoonden, werden soms zo gegrepen, dat zij deze kerk niet meer los konden laten en zich op den duur erbij aansloten. Het onderricht in de H. Schrift zou in de Orthodoxe Kerk zeker uitbreiding en verdieping mogen krijgen. Dit komt op gang. Vele jonge orthodoxen verdiepen zich ernstig in de inhoud van hun geloof en velen komen ook tot een oecumenische levenshouding. Het aantal gegadigden voor de theologische opleiding aan het seminarie en de academie van de Orthodoxe Kerk in Moskou was vorig jaar zeven maal zo groot als het aantal beschikbare plaatsen. Anatoli Levitin-Krasnov noemt dit 'een feit zonder precedent in de geschiedenis van de theologische opleiding van de revolutie'.

De Baptisten stellen strengere eisen aan hun doopkandidaten. Er wordt gestreefd naar een zekere wereldmijding, die men in 't westen genuanceerd kan bekijken. Een zeker isolement kan het enige middel zijn om niet ten onder te gaan. Men behoeft daarmee nog niet onmaatschappelijk te worden.

De Russische autoriteiten en ook het niet-gelovige volk staat over het algemeen toleranter tegenover de Orthodoxe Kerk dan tegenover de reformatorische groeperingen, die vaak van Baptistische huize en zeer dynamisch zijn. Het meest bekend om hun moed en zelfstandig handelen zijn de Initsiativniki. Zij hebben zich in 1961 buiten de Unie van Evangeliechristenen/Baptisten geplaatst omdat zij van mening waren dat de Unie te veel staatsinmenging in interne aangelegenheden toeliet. De meeste Initsiativniki zijn niet erkend door de staat, hetzij omdat ze dit zelf niet wensen, hetzij doordat de staat registratie stelselmatig opschort.

In het nummer van 31 oktober schrijft de auteur van deze artikelen (F. H.) een en ander over een herderlijke brief van enkele Initsiativniki.

De Initsiativniki G. Kroetkov, G. Vins e.a., van wie de laatstgenoemde dit jaar nog in grote moeilijkheden is geweest, richtten zoals we in het vorige artikel hebben meegedeeld, in 1974 een z.g. herderlijk schrijven tot de jeugd. Wat de inhoud betreft, tamelijk congruent aan de geloofsopvattingen van de orthodoxe kerk, spreken de baptisten toch een andere geloofstaal, die blijkbaar vele Russen aantrekt. Hier volgen enkele pastorale wenken uit het schrijven: Je hebt verklaard dat je in je leven geen ander doel had dan te geloven in Christus, Hem lief te hebben. Hem te kennen en Hem over heel de wereld te belijden, wat het ook van jou zou vergen. Beste vriend, kom je je beloften na? Zo niet, wat staat je daartoe dan in de weg? Je moet de Heer vragen of Hij je helpt jezelf en je geestelijke gesteldheid te begrijpen, en de oorzaken van je gebrek aan trouw, waardoor je verhinderd wordt over te vloeien van genade, te leren kennen. Je zult toph niet ontkennen dat alle ellende en verval bij een christen uitsluitend afhangen van zijn geestelijke gesteldheid, van zijn relatie tot God (Openb. 3 : 17-20). De pastorale brief gaat voort met het geven van vermaningen aan ongetrouwde en getrouwde jonge mannen: ver reinheid, het krijgen van kinderen 'naar het aantal dat de Heer heeft bepaald' zonder daar op af te dingen, over de opvoeding, over de vreugde van het geloof, over de huiskerk die het gezin moet zijn, over de omgang met de buren en nog veel meer. De gelovigen worden aangemaand de samenkomsten geregeld te bezoeken tot hun persoonlijk heil en dat van anderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's