Spreekt God Zichzelf niet tegen?
Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten. Amos 9 : 11.
Het is net of Amos er niet genoeg van kan krijgen om het tienstammenrijk te vertellen, dat het heel niet goed zal gaan. Het ene oordeel na het andere wordt dit volk aangekondigd. Maar het is nog sterker. Het heeft er alle schijn van, dat God zelf van geen ophouden weet, want het ene visioen na het andere wordt Amos getoond. En in die visioenen vallen alleen maar klappen. Geen bemoedigend woord is er meer bij. Het einde is gekomen, Ik zal Mijn volk Israël niet meer voorbijgaan. God de Heere gaat afrekenen. Het paslood wordt uitgeworpen, gemeten wordt in Israël of zijn muren wel loodrecht opgetrokken zijn. Of hun doen en laten wel overeenkomstig Gods normen is. Of hun leven wel klopt met het beeld, dat God bij zich heeft van een Godvruchtig bestaan. Hij zal niets meer over het hoofd zien, aan geen zonde meer voorbijgaan. Verdragen heeft de Heere dit volk in het verleden. Het was Zijn volk, een uitverkoren volk, waar Hij zich in bijzondere zin mee heeft bemoeid. Wat was Hij goed voor hen. Profeten heeft Hij hun gegeven, die spraken naar Zijn hart. Zijn verbondsgeheimen heeft Hij Israël verklaard. Zo wou Hij met geen volken handelen, die moesten dit alles missen. Nagelopen heeft de Heere Israël bij al hun afwijkingen, als zij achter andere goden aangingen, wanneer zij er duidelijk blijk van gaven geen lust te hebben om in Zijn inzettingen te wandelen. Nazireeërs heeft Hij dit volk gegeven, die hen voorgingen in een Godzalige levenswandel. Wat een gunstbewijzen zijn dit volk ten deel gevallen. Als een troetelkind, zo lezen we het ergens in het Oude Testament, heeft de Heere dit volk behandeld. Maar nu is de maat vol. Nu zijn zij rijp voor het oordeel. God zal hun daden niet langer vergeten, ja in der eeuwigheid niet. Donkerheid zal over hen komen, een volslagen verlaten worden zal nu deel worden. Midden op de dag zullen zij geen hand voor hun ogen kunnen zien. Verstoten worden ze en als zij dan geen raad meer weten, zal God niet naar hen omkijken. Al zullen ze roepen, dat heuvels hen moeten bedekken om nog enige bescherming en veiligheid te vinden, zal er geen antwoord komen. Ze zullen vallen en niet meer opstaan.
En nog houdt de Heere niet op, want opnieuw ziet Amos schrikkelijke dingen gebeuren, waar de profeet machteloos te genover staat. Hij wordt er niet eens meer in betrokken, laat staan, dat hij met zijn voorbede het hart van God zal bewegen, dat het Hem berouwen zal, zoals eerder gebeurd is. Hij aanschouwt het nu alleen maar en ziet hoe God Zijn voornemen afwikkelt, hoe oordelen voortwentelen zonder dat iemand kan stuiten. Boven het altaar staat God. Het altaar was het laatste redmiddel. Wie de hoornen van het altaar te pakken kon krijgen, was vrij. Hem mochten geen slagen worden toegebracht. Het altaar was een plek apart. Daar werd voor Gods aangezicht gewerkt aan verzoening door de offeranden. Op het altaar wordt de allerlaatste hoop van mensen in nood en verlorenheid gericht. Een toevlucht is het altaar. Maar Gods hand gaat omhoog met het bevel erbij, slaat dit altaar in stukken, want behoud zal er voor niemand meer zijn. Het einde schijnt nu inderdaad voluit gekomen te zijn. Gods oordelen zijn onherroepelijk. Alle onderscheid in behandelen van de volkeren en dat ene volk uit Abraham gesproten, lijkt nu volslagen voorbij te zijn. Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israels ? spreekt de Heere. Ziet, de ogen van de Heere Heere zijn tegen dit zondige koninkrijk, dat Ik het van de aardbodem verdelge.
Duidelijker kan het niet onder woorden gebracht worden, dat God ermee ophoudt dit volk nog langer genadig te zijn. Het oordeel zal worden voltrokken, het einde is gekomen. Volk en koningshuis zullen van de aardbodem verdwijnen. Dan is het hele verhaal uit. Het verhaal van Gods verbond. Van al Zijn beloften van oude tijden af aan gedaan. Het verhaal van het vrouwenzaad, dat de kop van de slang zou vermorzelen. Van de toezegging aan David, dat Hij het koninkrijk van zijn zaad zou bevestigen. Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid. Maar wat kan hiervan vervuld worden ? Weggevoerd zullen zij worden, paleis en tempel tot een ruïne gemaakt worden, de kroon zal ter aarde neergesmeten worden en de boom van het koningshuis omgehakt, de afgehouwen tronk van Isaï. Loopt het zo met Gods verbond af ? Zullen Zijn beloftenissen voortaan haar vervulling missen ? Spreekt de Heere, de trouwe verbonds-God zich dan volkomen tegen ? Kan dit dan, dat God Zijn genade vergeet en nooit meer van ontferming weet ? Neen, dit kan niet. In Zijn toorn gedenkt de Heere aan Zijn ontfermen. Op de puinhopen van de uitwerking van Zijn oordeel bouwt de Heere een nieuw Rijk. Want er zal een rijsje voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï en een scheut uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen. Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weer oprichten. God de Heere gaat zélf een nieuw begin maken. We lezen in de Bijbel van dat onverklaarbare, waar wij met ons verstand niet bij kunnen. Het wordt het best aangeduid met het woord berouw. God komt erop terug. Brengt een correctie aan, als ik dit woord in dit verband gebruiken mag, op wat Hij aan oordelen heeft laten verkondigen, die terecht zijn, die Israël verdiend heeft, die wij ons allemaal waardig maken door wat we doen aan kwaad en ongerechtigheid. Genade roemt tegen een welverdiend oordeel ! De dichter zei al, dit kan niet, dit krenkt mij 't leven. Maar de Allerhoogste zal verandering geven !
Ik zal. Wanneer we onder het oordeel doorgaan, goedkeuren alles wat God ons zegt, dat we verdiend hebben te ondergaan, de klappen aanvaarden, waar wij door ons zondig optreden om vragen, wanneer we zo voor de Heere in de schuld vallen, mogen we uit Zijn mond de blijde boodschap van advent beluisteren, van wat Hij komt doen om nog een rest te behouden. Wie zich handhaaft, zal het weten. Wie er vast op blijft staan, het kwaad zal tot ons niet genaken noch ons overkomen, zal omkomen in zijn zelfhandhaving. Hij ziet van verre aan de ijdle waan der trotse zielen. Maar behoud is er voor verloren zondaren, die hun vonnis ondertekenen. Want Amos mag verkondigen wat de Heere gaat doen. Dat Hij het onmogelijke gaat doen. Dat Hij ervoor zorgt, dat verloren mensen behouden worden. Nergens kunnen we heen. Nergens zullen we een schuilplaats vinden tegen de storm van het oordeel, tegen de vloed van Gods straffende gerechtigheid. Op de puinhopen kunnen wij alleen maar treuren en wenen zonder dat wij materiaal voor opbouw kunnen fabriceren. Wij kunnen alleen maar beamen wat Amos al eerder verkondigde, dat het einde gekomen is. En daar maakt God Zijn nieuwe begin. Ik zal. De Heere gaat doen wat wij mensen niet kunnen. Hij doet het uit Zichzelf. Uit vrije gunst, die eeuwig Hem bewogen heeft. Hij zal maken, dat we ons verwonderen moeten. Nergens staat de Heere voor. De vervallen hut gaat Hij oprichten. Het koninkrijk van David oprichten. Nieuw leven blazen in wat ten dode opgeschreven stond. Een nieuwe tijd doet Hij aanbreken, waarin de zonde wordt opgeruimd, de vloek tegen de zonde begraven, verzoening wordt gewrocht, vergeving aangebracht, een eeuwige verlossing teweeggebracht. De Heere neemt het Zelf ter hand. Daarom komt het tot stand. Daarom staat het stevig. Daarom krijgt geen vijand het meer ondersteboven. Daarom zal geen duivel dit Rijk van de Heere, van Vorst Messias, meer kunnen overweldigen. Toekomst is er op de puinhopen van ons in elkaar gestorte koninkrijkje. Leven wordt gewerkt midden in de dood. Zaligheid wordt geschonken midden in de ellende. Eeuwig leven gaat zich openbaren door Gods daden vol van genade en barmhartigheden. Hier wordt openbaar het heil, dat d'aard in 't rond verheugt. En alles zal juichen van de daden des Heeren !
Te dien dage zal Ik oprichten. Wanneer is dat ? In het uur van Gods welbehagen. Wanneer Zijn tijd vol is. Zijn uur is gekomen. En tijd is het geworden, toen alles er zo donker uitzag in tempel en koningshuis, in het godsdienstig leven van het volk, waar de Heere zulke bijzondere dingen mee voor had. Geboren werd de grote Davidszoon. Vervuld werd Gods belofte in Bethlehems stal. Daar komt de Knecht des Heeren om puin te ruimen en voor herbouw te zorgen. Om alle gerechtigheid te vervullen. Voor al de zonde te boeten, waarover Amos het oordeel van God heeft verkondigd. Zijn troon wordt het kruis, waar Hij hangt midden in het vuur van Gods gramschap, waarmee de Heere zou twisten. En alle gerechtigheid wordt vervuld. Het altaar staat levensgroot overeind, het vloekhout op Golgotha. Hier is toevlucht. Hier is behoud en veiligheid. Genade spreidt haar morgenrood. Het nieuwe Jeruzalem ziet Johannes uit de hemel nederdalen. De vervallen hut van David is opgericht, omgebouwd tot een heerlijk Koninkrijk. Te dien dage zal er geen vervloeking meer tegen iemand zijn; en de troon van God en van het Lam zal daarin zijn. En Zijn dienstknechten zullen Hem dienen. Wat een heerlijk Koninkrijk ! Uw Koninkrijk is eindloos uitgebreid ! Zo heeft de Heere toch woord gehouden en al Zijn beloften vervuld. Te dien dage zullen al deze beloften ja en amen zijn in Vorst Messias, in Christus Jezus, Sions Koning !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's