Het reformatorisch denken over de vrijheid
1
De bedoeling van dit en enkele volgende artikelen is om met elkaar na te gaan, in welke zin met name Calvijn heeft gesproken over de menselijke vrijheid.
Beperking
Een stukje informatie dus over wat één der Reformatoren geleerd heeft. Maar omdat dat deel van de christelijke kerk, waarin wij leven en werken, zich in de calvinistische traditie beweegt, zal deze historische informatie tegelijk ook een actuele betekenis hebben voor de wijze, waarop er nu over de vrijheid wordt gedacht. Uitteraard ligt er tussen Calvijn en het heden een lange en op het punt van de vrijheid zelfs een bewogen geschiedenis. Maar de hoofdlijnen van zijn denken oefenen ook nu grote invloed uit, zij het bij de één meer dan bij de-ander. Nu is het begrip vrijheid wel zo veel omvattend, dat we er heel wat kanten mee uitkunnen. Maar als wij voornamelijk ons willen richten op Calvijn, worden wij van meet af aan in een bepaalde richting gestuurd. Want als Calvijn over de vrijheid spreekt, bedoelt hij daarmee de vrijheid van de mens, en dan weer in het bijzonder van de individuele mens. Deze individuele mens blijkt dan de individuele christen te zijn. Als wij Calvijn ondervragen op het punt van de vrijheid, dan weet hij alleen over de christelijke vrijheid te spreken. Hij spreekt daar dan vooral over in zijn Institutie in het derde boek, na het geloof en na de wedergeboorte en na de rechtvaardiging. Dat geeft natuurlijk aan de benadering van dit begrip een duidelijke beperking, die echter tegelijkertijd ook een duidelijke toespitsing blijkt te zijn.
Calvijns visie op de mens
Dat Calvijn slechts op deze wijze over de vrijheid weet te spreken, heeft natuurlijk zijn reden. Die reden ligt min of meer voor de hand. Omdat hij blijkbaar van de veronderstelling uitgaat, dat er buiten het geloof om van geen echte vrijheid sprake is. Vrijheid is geen eigenschap, die de mens als zodanig bezit, maar die ons alleen ten deel valt, wanneer wij geleid worden door de Geest van Christus. Want waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid.
Uiteraard brengt ons dit tot de vraag, hoe Calvijn de mens als zodanig dan beschouwt. Op die vraag in deze vorm valt moeilijk te antwoorden, omdat het eigenlijk onmogelijk is om over de mens als zodanig te spreken.
Over de mens kan alleen gesproken wor den als schepsel van God, als beelddrager van God, en als mens, die gevallen is in de zonde en het beeld van God heeft verloren.
Deze onderscheidingen zijn in zoverre zinvol, dat Calvijn een duidelijk onderscheid maakt tussen de mens als schepsel van God en de mens als beelddrager van God. Die beide vallen volgens hem niet helemaal samen. Het beeld van God is niet concreata, mede deel uitmakend van het schepsel-zijn van de mens, maar het is een gave, bijkomende gave, van de Heilige Geest. Concreet betekent dit, dat de natuur van de mens schepselmatig is toegerust met verslaand en wil. Die horen dus tot het mens-zijn als zodanig, zij zijn de eigenschappen van de ziel van de mens. Maar het beeld van God bestaat niet daaruit, dat de mens toegerust is met verstand en wil zonder meer, maar daaruit, dat het verstand en de wil van de mens gezond zijn, op de juiste wijze functioneren. De geschapen mens is beelddrager van God, omdat, en dat wil tegelijkertijd zeggen, zolang God door de gave van de Heilige Geest zijn verstand en wil op de rechte wijze in stand houdt.
Wij zouden hier dus kunnen spreken van een dynamische beschouwing van het beeld Gods in onderscheid van een statische beschouwing, die het beeld van God wel ziet als een eigenschap van de geschapen mens als zodanig.
Tot deze statische beschouwing is het later in de gereformeerde orthodoxie wel gekomen, hoewel het altijd een punt van discussie en meningsverschil is gebleven. Wij vinden deze problematiek b.v. weer terug bij A. Comrie, die in zijn 'Examen van Tolerantie' een uitvoerige bespreking wijdt aan deze zaak en dan weer bij Calvijn uitkomt door deze zelfde onderscheiding te maken. Bij hem hangt dit dan samen met een andere vraag, namelijk of het werkverbond, dat God met de mens gesloten heeft, gelijk staat met het scheppingsverbond.
Voor ons gevoel lijkt dit veel op een puur scholastische sofisterij, maar als wij dieper daarop in zouden gaan, zou het blijken, dat dit een bijzondere actuele spits heeft voor onze hedendaagse discussie. Het doet me namelijk onmiddellijk denken aan de manier, waarop Barth over de schepping spreekt. Hij legt namelijk tussen de schepping en het verbond een onlosmakelijk verband. Het is zelfs een heet hangijzer op dit ogenblik, of Barth hier niet zo ver gaat, dat we van een identificatie kunnen spreken. Als dat zo is, en de moderne Barth-interpretatie doet dit, dan blijken daar enorme consequenties aan vast te zitten. Want dan ligt, en nu trek ik het maar even in een paar sleutelwoorden samen, het heil in het geschapen-zijn als zodanig opgesloten. Dan kan dit heil ook niet meer aan het geschapen-zijn onttrokken worden. Dan is het één met het ander gegeven. Of het één is met het ander verdwenen.
Toegespitst op de mens betekent dit, dat de mens als schepsel van God meteen ook beelddrager van God is. En dat betekent dan ook hier, dat het één met het ander gegeven is, of dat het één met het ander verdwenen is. Deze identificatie tussen schepping en verbond, tussen mens als schepsel en mens als beelddrager van God kan Barth poneren, omdat hij zijn hele scheppingsleer christologisch vult en fundeert.
De gevallen mens
Nu is het bij Calvijn duidelijk, dat hij hier niet van een identificatie wil spreken,
vervolg op pagina 565
vervolg van pagina 560
maar dat hij een distantie ziet tussen de mens als schepsel en de mens als beelddrager van God. Dat kan hij dan doen door het schepsel-zijn van de mens waarin zijn vermogens van kennen en willen liggen opgesloten te onderscheiden van de functionering, de oriëntatie van dit kennen en willen. Dat laatste ligt niet in het geschapen-zijn als zodanig opgesloten maar is bijkomende gave van de Heilige Geest.
Inhoudelijk betekent dit, dat de mens als beelddrager van God in zijn verstand verlicht wordt tot de kennis van God en zijn wil en dat hij in zijn willen door de Geest gebracht wordt tot gehoorzaamheid. Het beeld Gods-zijn van de mens is dus geen statische toestand, maar een vita spiritualis, een door de Geest gewerkte conformiteit met God door Hem te kennen en te gehoorzamen. Het is een leven in gemeenschap met God.
Maar als dit beeld van God bij het schepsel-zijn van de mens komt, betekent dit ook, dat deze mens bij zijn vallen in de zonde dit beeld van God verliest, zonder echter het mens-zijn te verliezen.
Dit vraagt echter wel enige verduidelijking, omdat wij bij het eerste aanhoren geneigd zijn enige verwantschap te ontdekken met de klassieke Rooms-katholieke twee naturenleer. In zekere zin is dit ook wel zo. Maar het verschil gaat heel duidelijk worden, wanneer wij erop letten, welke gevolgen dit, verliezen van het beeld van God voor de mens als zodanig heeft. Is het klassieke Rooms-katholieke denken zo, dat na het verlies van de bovennatuur de natuur van de mens behoorlijk intact is gebleven, zodat er altijd nog een ontvankelijkheid voor het bovennatuurlijke is blijven bestaan, bij Calvijn heeft het verliezen van het beeld van God een veel radicalere uitwerking in het menszijn teweeg gebracht. Volgens Calvijn is de gevallen mens, hoewel hij mens is gebleven, als mens toch niet dezelfde gebleven. Niet alleen detailfuncties zijn door de val getroffen, maar de mens in zijn hele bestaan. Telkens spreekt Calvijn in dit verband over de hele mens, over de mens helemaal. Zijn hart, zijn daden, zijn verstand, zijn wil, zijn geheel en al in de zonde ondergedompeld. Het verstand is blind en de wil is geperverteeerd. En omdat verstand en wil de constitutiva zijn van de menselijke natuur, is met het verdorven worden daarvan ook de menselijke natuur verdorven.
Toegespitst op de wil van de mens betekent dit, dat de wil de blindheid van het verstand volgt. In de mensleer van Calvijn staat namelijk het kennen nummer één en volgt de wil. Niet echter automatisch, maar evenzeer door de werking van de Geest. Dat de naar Gods beeld geschapen mens datgene wat hij als Gods wil kent ook kan willen, is evenzeer een gave van de Geest als dit kunnen-kennen zelf. Er bestond een door God gegeven harmonie tussen de kennis en de wil van de mens.
Maar juist deze harmonie is bij de zondeval verbroken. Op hetzelfde ogenblik dat Adam op zijn eigen benen wilde staan, is deze harmonie beëindigd. Toen is de wil 'vrij' geworden, maar dan in deze zin, dat zij zich vrijgemaakt heeft van de gerechtigheid (emancipatio a justitia). In werkelijkheid heeft de mens zich, door onafhankelijk te willen zijn, door niet meer door de Geest geleid te willen worden, zich vrijwillig onderworpen aan de tyrannie van de duivel. Dat is de werkelijkheid van de natuurlijke mens: hij is met zijn wil een slaaf van de Satan geworden, In feite is deze z.g. vrije wil dus een verslaafde wil. Want de leiding van de Geest is er niet meer. En nogmaals: waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid.
Gouda
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's