Uit de pers
Joden en christenen in de schaduw van de ondergang
Met het woord 'Ondergang' is bedoeld de moord op de millioenen joden in de concentratiekampen van het Naziregiem. Het woord is de titel van het bekende boek van Presser over de jodenvervolgingen. En ds. S. Gerssen gebruikte het ter vertaling van het woord 'Holocaust' in een artikel van Uriel Tal over het antisemitisme. Dit artikel bevat de tekst van een lezing gehouden tijdens het Israëlseminaar in Jeruzalem in januari van dit jaar. De vertaling van de daar gehouden lezingen zijn opgenomen in het november-nummer van Ter Herdenking.
Het is een zeer belangrijk artikel inzake de achtergronden van het antisemitisme, waaruit we graag wat aan u doorgeven. Uriel Tal, hoogleraar in de moderne joodse geschiedenis in Tel Aviv, stelt in zijn artikel allereerst de vraag: Moet de Ondergang verstaan worden als het resultaat van de christelijk anti-joodse erfenis, zoals die al eeuwen door met name in Duitsland vorm gekregen had? Op het eerste gezicht zou men deze vraag bevestigend kunnen antwoorden en geneigd kunnen zijn een lijn te trekken van de middeleeuwse pogroms naar Himmler en zijn trawanten. Iemand als Himmler — en hij is geen uitzondering — is immers groot geworden in een katholiek-christelijke traditie. En we weten voorts dat het Nazisme gebruik maakte van, lievergezegd, misbruik maakte van bepaalde bijbelteksten en de middeleeuwse anti-joodse traditie.
Toch moeten we bedenken. Tal wijst daar nadrukkelijk op, dat het Nazisme ook anti christelijk was. De bronnen wijzen uit dat het Nazisme zich van meet af aan antichristelijk opstelde. Tal verstaat het antisemitisme dan ook als de verwerping van het monotheïsme als zodanig. We zouden er bovendien nog op kunnen wijzen dat het Nazisme wel anti-christelijk moet zijn, omdat de christelijke kerk immers met Israël het Oude Testament gemeenschappelijk heeft en omdat de christelijke kerk Jezus Christus belijdt als de vervulling van de aan Israël gedane beloften. Het heil is uit de Joden.
Hoe dienen we dan het Nazisme te verstaan? Tal spreekt van een 'Ersatzreligion'.' Religieuze, met name christelijke opvattingen werden niet simpelweg terzijde geschoven of verworpen, integendeel het Nazisme behield verscheidene christelijke opvattingen, maar deed ze functioneren binnen het kader van eigen rassentheorie. Op die manier werden ze omgesmeed tot wapenen en politieke middelen in de strijd tegen de menselijkheid, tegen het jodendom en tegen het christendom. We citeren uit Tals artikel het volgende:
De nationaal-socialistische 'Studentenbund' sprak in 1934 over het 'koninkrijk' van priesters, en het heilige volk (Mamlechet kohanim wegoj kadosj), maar legde dat zo uit, dat de mens werd verheerlijkt (de oude Adam, die zij noemden 'das Urmenschliche') als een geestelijk wezen, als de zoon van God, in wie de Duitser wordt veranderd tot een 'nieuwe schepping' (Gal. 6:15; 2 Kor. 5 : 17). Deze menskomt de dood te boven, en dat betekende nu: hij komt het christendom te boven, de westerse beschaving en de oorsprong daarvan, de Jood. Als voorbeeld wijs ik op een kenmerkend document, een lezing van prof. Alfred Baümler. Deze was voor de opkomst van het Nazisme een groot geleerde en behoorde tot de eerste wijsgeren en pedagogen, die zich bij het Nazisme aansloten. Hij werd medewerker van Alfred Rosenberg en was verantwoordeMjk voor wat men noemde 'die Uberwachung der Wissenschaftier', het toezicht houden op geleerden, kunstenaars, schrijvers en geestelijken. Uit Duitsland, uit New York en ook uit dit land hebben wij het hele archief van dit bureau bijeengebracht en het bevat vaak erg belangrijk materiaal. Zo kan men daarin b.v. vinden dat een protestants geestelijke Karl Wahl reeds in 1931 zei: wij zijn op weg naar een politiek messianisme, een misvormd messianisme.
In september 1935 sprak prof. Baümler tot een congres van jonge Nazistudentenleiders als volgt. Hij gaf niet de verwijzingen naar de Heilige Schrift, ik voeg er deze zelf aan toe om bloot te leggen wat hier achter steekt. 'Eens heeft het God behaagd om het ras van Israël te kiezen als zijn eigen volk. Hij sloot er een verbond mee. Hij deed dit echter bij wijze van voorbereiding (een gedachte waar een flink stuk anti-joodse traditie door is gevoed), als teken van een nieuw verbond, dat zou worden opgericht in Christus, zoals de christenen plegen te zeggen. Zie de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat ik een nieuw verbond sluiten zal Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven (Jer. 31 : 31-34). Christus stelde dit nieuwe verbond in in zijn bloed (1 Kor. 11 : 25) door een volk bijeen te roepen uit Joden en niet-Joden en ze een te maken niet naar het vlees, maar in de Geest (Efeze 2 : 11-22). De tijd is nu aangebroken om dit verlossingsproces tot een afsluiting te brengen door een dialectische omkering. Het bloed is nu ons bloed, rein en van onbedorven ras; het volk, eens vleselijk, dan uit een verbinding van water en Geest (vgl. Joh. 3 : 5-6), is nu het nieuwe uitverkoren ras, een koninklijk priesterdom, geroepen om te heersen over de wereld. U, die in de tijd van Joden en christenen geroepen werd om een heilig volk te zijn, maar toch geketend bleef aan uw oudtestamentische onreinheid u bent niet langer het volk van God (vgl. 1 Petr. 2 : 9-10), maar het Ras.
Het Rijk is ons leven (vgl. Kol. 3:4 — in plaats van: Christus is ons leven) en onze bodem en ons bloed (in plaats van de 'schepping zelf') zullen verlost worden van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid, dat wil zeggen van hun onreinheid, van hun jodendom, tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen van onze Führer (in plaats van de kinderen Gods, vgl. Rom. 8 : 21). Wij zijn de verlossing van de wereld, uitgezonden in de wereld, als het licht der wereld en het zout der aarde (vgl. Matth. 5 : 13-16).
De uniciteit van het Arische ras is de manifestatie van de Volksgeest. Omdat deze Geest uit het Volk is en voor het Volk, kan deze vanwege zijn uitzonderlijk wezen 'niet allen tot welzijn gegeven worden' (vgl. 1 Kor. 12 : 7).
Deze genadegaven zijn uitsluitend Arisch en men behoeft alleen maar naar de Jood te kijken — naar de lijdensgeschiedenis van de Joden, 'naar de Jood als belichaming van moreel verval, van fysische ontaarding, van geestelijke verstarring en van ethische degeneratie — om zich ervan bewust te worden, dat alleen de tegen-Jood, de anti-Jood degene is aan wie het charisma van 't leiderschap over de wereld, van het leven, de kracht en de lotsbestemming zijn geschonken.
Zoals gezegd de tekstverwijzingen en toevoegingen tussen haakjes zijn van Uriel Tal. Men zou de weergave van Baümlers toespraak tweemaal moeten lezen, eenmaal zonder de teksten na te slaan, en eenmaal met de teksten erbij, om te zien hoe hier het bijbels getuigenis in zijn tegendeel wordt verkeerd en het evangelie misvormd wordt tot een Nazi-ideologie. Dat gevaar van ideologisering blijft in elke tijd aanwezig. Er zijn ook in onze tijd voorbeelden te over. Het is nodig dat we oog hebben voor dit levensgrote gevaar. De door Tal aangegeven achtergronden van het antisemitisme, dat leidde tot de gruwelijke vernietigingscampagnes, geven een duidelijk inzicht in wat er in het jongste verleden geschied is. In dat opzicht is het gesprek tussen joden en christenen uitermate zinvol, en niet alleen in dit opzicht. In het artikel waaruit we een deel citeerden, stelt Tal ook aan de christelijke gemeente van nu indringende vragen. Dan blijkt dat de kern van het gesprek tussen joden en christenen toch gaat om de vraag naar de Messianiteit van Jezus, de verhouding tussen Oude en - Nieuwe Testament. Maar wil dit gesprek zin hebben dan is het zaak dat misverstanden en misvattingen uit de weg geruimd worden. Ook misverstanden inzake de achtergronden van het antisemitisme. Voor de christelijke gemeente blijft natuurlijk reden voor de vraag: Hebben we in de dertiger jaren genoegzaam onderkend wat er gaande was en genoegzaam tegenspel geboden tegen de gruwelijke verminking van de bijbelse boodschap door de nazi's? Het anti-christelijk karakter van het antisemitisme plaatst ons juist voor deze vragen. En dat temeer nu ook in onze tijd geluiden opgeld doen, die een aantasting betekenen van allerlei bijbelse begrippen. Mij viel op dat in het geciteerde artikel ook het woord 'politiek messianisme' viel. In de dertiger jaren reeds werd dat bespeurd. Vandaag zien we dit zelfde in andere vormen. Ook nu is binnen de kerken de vraag naar de rechte belijdenis en verkoridiging inzake Jezus Christus de kernvraag.
Een nieuwe priesterk lasse
In de als altijd zeer lezenswaardige kroniek van het tijdschrift Kerk en Theologie (oktober 1975) gaat ds. A. A. Spijkerboer in op een boek van de Duitse hoogleraar Hetmut Schelsky 'Die Arbeit tun die anderen'. Schelsky signaleert daarin de opkomst van een nieuwe priesterklasse n.l. linksgerichte intellectuelen (wetenschapsmensen, journalisten, maatschappelijke werkers, leraren, onderwijzers) die niet alleen leven van wat de werkende bevolking produceren, maar haar ook beheersen en beïnvloeden. Het werk doen de anderen. Hoe hebben deze nieuwe priesters hun machtspositie kunnen krijgen? Ze treden op als producenten van 'zin' en 'heil' in een wereld die naar zingeving en heil snakt. Maar zoals vroeger de kerk het verlangen naar de hemel levend hield, door de aarde af te schilderen als jammerdal, zo praten de nieuwe priesters, aldus Schelsky de mensen eerst hun ellende aan. Ze preken dat in de welvaartsstaat de welvaart maar schijn is en dat in de vrije landen de mensen uitgebuit worden door kapitalisten, klasserechtspraak, willekeur. Normale werk-eisen worden voorgesteld als onmenselijke prestatiedwang. En Zuid-Afrika en Chili worden als bewijzen ten tonele gevoerd. Schelsky meent dat het helemaal niet de bedoeling is van deze nieuwe priesters de mensen in nood in die landen te helpen, maar ze te beheersen.
Eerst treden zij op als propagandisten van de nood en wanneer de mensen die nood voelen propageren zij heil. Dat heil bestaat dan in emancipatie, de vrijheid van de mens het zelfbepaling en zelfbeschikking, de zelfbeschikking van de enthousiaste mens. De nieuwe priesters staan welwillend tegen drugs enz.
Kenmerkend voor deze nieuwe heilsleer is dat het individu wordt opgeofferd aan het algemene. En zo ziet Schelsky een nieuwe massa-religie opkomen die de leegte moet vullen. De traditionele christelijke kerken blijken deze leegte niet te kunnen vullen.
Met Spijkerboer meen ik dat Schelsky een rake tekening gegeven heeft van deze nieuwe priesterklasse, ook al het mogelijk dat een caricatuur de zaak overtrekt. Spijkerboer wijst erop dat Schelsky vooral rake dingen zegt als het gaat over de onmogelijkheid van de mens in de huidige westerse samenleving met zijn schuld, met het lijden en de dood in het reine te komen. Het praktisch materialisme drukt deze vragen weg. De welvaartsstaat is niet geïnteresseerd aan de vragen van de schuld en de zonde, de nood van de enkeling. De moderne beschaving maakt de mens tot een ding. Daarom zijn velen vatbaar voor de nieuwe heilsleer van de nieuwe priesters, maar dez: e heilsleer helpt van de wal in de sloot, omdat deze leer de mens als maatschappelijk bepaald wezen ziet. En verandering van de structuren moet dan de redding brengen. De vragen van de eigen individuele onmacht worden op die manier nog weer eens weggedrukt. Van de nood (het tot ding gemaakt worden) wordt een deugd gemaakt (heil door maatschappelijke veranderingen). Elementaire waarden als medelijden, plichtsbesef, verantwoordelijkheid, dienstbereidheid raken zo in verval.
Waarom we dit hier weergeven? Omdat dit alles bepaalde tijdsverschijnselen goed typeert. Voor wie het boek van Schelsky te specialistisch is of niet binnen bereik is, biedt de kroniek van Spijkerboer een goede weergave. Bovendien maakt Spijkerboer aan het slot nog een aantal belangrijke opmerkingen. Hij zegt o.m.;
Mijn conclusie uit de lectuur van Schelky's boek is, dat de gemeente van Jezus Christus, ook en juist maatschappelijk en politiek, het meest adequaat bezig is, wanneer zij haar oog richt op de enkeling. Wanneer er onder de preek, op de catechisatie, op de zondagschool en in gesprekken mensen geboren worden die zelf antwoord geven op het evangelie en die op die manier persoon worden, dan wordt er tegengif in omloop gebracht, ook al valt er geen woord over de politiek. En laten we ons toch vooral hoeden voor alles wat ook maar zweemt naar indoctrinatie en naar onverwerkte kennis. Een antwoord uit het evangelie dat uit je zelf komt — hoe mis het dogmatisch ook wezen mag — is altijd nog beter dan dogmatisch feilloos geformuleerde inzichten die wel uit je mond komen, maar toch aan je zelf voorbij gaan.
De levende verkondiging van het Woord in gehoorzaamheid aan de opdracht, zie daar de blijvende en primaire opdracht. En dan een bewogen appèl tot geloof en gehoorzaamheid. In het Nieuwe Testament keert elkens de combiantie terug: Horen en doen! Bekering en geloof zijn geen geantiqueerde zaken. Het is tegenover de heilsleuzen van de nieuwe priesterklasse goed zich de bijbelse noties te herinneren. Ik schrijf dit persoverzicht in de Adventstijd. De Advent richt ons oog op Hem Die de Naam Jezus draagt: Want Hij zal zijn volk zaligmaken van hun zonden. Dat is het enig antwoord op de nood van mens en maatschappij. De belijdenis van deze Naam met mond en hart in nood en dood daarvan gaat werfkracht uit onder de ontwortelde massa's van onze tijd. Laten we God bidden om Zijn Geest opdat we trouw mogen zijn in het belijden van deze Naam tot redding gegeven, een doorleefd belijden dat de echo is op het Woord dat niet naar de mens en nochtans voor de mens is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's