Het geloof en zijn voorwerp
4
Het is duidelijk, dat het waarachtig geloof, dat betrekking heeft op de levende God niet kan zijn zonder bevinding.
Want, ook al zijn we als kinderen des verbonds groot geworden en voor grote, openbare zonden bewaard, elk mensenhart heeft tenslotte dezelfde slechte uitgangen des levens. De kerkse farizeeër is in Gods oog niet beter dan de zwerver van het Vaderhuis.
Daarom kan het niet anders of het geloof als hernieuwde betrekking tussen God en de zondaar, als inplanting in Christus, laat zijn ook voor onszelf herkenbare sporen in ons innerlijke en uitwendige leven na.
Daarom kan de apostel Paulus de vermaning tot ons richten: onderzoekt uzelf, of gij in het geloof zijt. (2 Cor. 13 : 5). We hebben nooit recht of reden om te twijfelen aan de oprechtheid Gods in hét Woord Zijner beloften. Maar wij hebben reden genoeg om rekening te houden met de arglistigheid van ons eigen hart.
Wat ons dan te doen staat leert ons het voorbeeld van David zowel in Ps. 25 als in Ps. 139; beide malen aan het slot: laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden; en: doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie, of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg. Daaruit blijkt ook, dat dit zelfonderzoek niet bedoeld is als een rem voor 't geloof, zodat we eerst in ons geloof moeten geloven, alvorens in God te geloven. Want de enige weg is, dat de zondaar, met al de kwalen van zijn hart de toevlucht tot God neemt en tot de troon van Zijn genade, komende zoals hij is.
Tegen eenzijdigheden
Tegen het mysticisme, dat te kort doet aan de volheid, de gulheid en de waarachtigheid van het Evangelie, is niet de vraag: mag ik wel geloven? Het ongeloof kan nooit God verheerlijken. Dat de gast zonder bruiloftskleed kwam, was niet verkeerd. Hij was genodigd. Maar dat hij niet recht kwam, zonder zich rekenschap te geven van de heerlijkheid des konings en van eigen bevlekte klederen, bracht zijn verwerping.
Tegenover het intellectualisme hebben we wel de vraag te stellen: geloof ik waarlijk? Is mijn geloof dat geloof, dat waarlijk Christus en Zijn weldaden tot zijn deel heeft.
Tegenover dat intellectualisme zijn piëtisme en methodisme, gezelschappen en revivals misschien wel geneesmiddelen, maar daarom nog niet het aangewezen geneesmiddel.
Tegenover alle eenzijdigheden moeten we winst doen met de eenvoudige, brede en diepe theologische fundering van de Reformatie, in haar behjdenisgeschriften, maar ook in haar formulieren van Doop en Avondmaal, zó dat wij ook laten gelden, wat daar staat.
Door Woord en Geest
De zaliging van de zondaar is een werk Gods. Daartoe behoren zowel de verwerving van de weldaden van het verbond der genade als de toepassing. Ook de toeeigening geschiedt van Godswege. Daarbij zijn prediking en ambt, kerk en genademiddelen niet buiten-maar ingesloten. Het genadeverbond is de bedding, waardoor de stroom van Gods heilsweldaden in de regel tot ons komt.
De mens is wel boos en verkeerd. Maar hij is mens gebleven. En God behandelt hem dienovereenkomstig.
Wat God doet is niet die mens in Zijn Woord een soort schriftelijke verklaring geven, waaruit hij concluderen kan, dat hij in de hemel komt. Dat doet God ook niet in de vorm van een onmiddelijke mededeling. In het geloof gaat het om veel meer. De verloren zoon moet weer tot de vader komen.
Daartoe spreekt God de mens aan, al bedient Hij Zich daarbij van zwakke en onwaardige instrumenten.
Daarbij is onmiskenbaar de werking van God de Heilige Geest. Anders geeft het hart zich ondanks alles niet werkelijk gewonnen.
Wij belijden dan ook, dat het geloof komt van de Heilige Geest. Die het in onze harten werkt door het gepredikte Woord, speciaal door de verkondiging van het heilig Evangelie (Heid. Cat. vs. 65).
En dan is het diezelfde God, Die in dat Woord komt. De Heilige Geest is zowel de Werkmeester des geloofs, als Voorwerp des geloofs.
God de Heere pakt de zondaar a.h.w. met twee handen beet. De éne hand komt van voren op ons af. De andere hand komt van achteren in de verborgen, onweerstaanbare werking van den Heiligen Geest. Die hand van achteren bedoelt niet anders dan te bewerken, dat de mens zich aan die tot hem uitgestrekte hand van Gods benevolentia (welwillendheid) toevertrouwd. De Heilige Geest is de Grote Leermeester der Kerk. Maar hij gebruikt het Leerboek, dat heilige mensen Gods door Hemzelf gedreven geschreven hebben. Hij gaat achter ons staan. Zijn hand wijst het ons aan in dat Boek, waaraan Zijn eigen Naam verbonden is, en Hij zegt: kijk, hier staat het; roep Mij aan in de dag der benauwdheid en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
De Geest getuigt daarin, dat de Geest de waarheid is.
De vrucht daarvan is een zekere en vaste overtuiging (Calvijn).
Niet een overtuiging, die de mens zichzelf vormt. Maar het is God, Die hem overtuigt.
Dat wil zeggen, dat de kracht van die overtuiging ligt in het Voorwerp des geloofs. De bekende J. A. Wormser heeft in zijn boekje 'de kinderdoop' gezegd (en Groen van Prinsterer haalt het in de tweede druk ervan met instemming aan): alleen het Voorwerp des geloofs heeft levendmakende kracht'. Want dat is God Zelf Wiens Woord getrouw en aller aanneming waardig is. (1 Tim. 1 : 15)
In het geloof geeft de mens, met verstand en hart, met gevoel en geweten der waarheid getuigenis en verzegelt dat God waarachtig is. (Joh. 3 : 33).
De prediking is in dat licht niet een stuk theologie; ook niet een stuk bevinding; ook geen beschrijving van de Koning, die niets aanbiedt. Maar in haar klinkt het Woord des Konings door tot opstandige onderdanen, die geroepen worden hun schuld te belijden, zich aan Hem te onderwerpen. Zich met Hem te laten verzoenen en zich weer onder Zijn heerschappij te voegen. Tegenover onze begeerte om te zien en te tasten, stelt Christus het sterke woord: zalig zijn zij, die niet zullen gezien en nochtans zullen geloofd hebben. In dat nochtans komt God aan Zijn eer.
Kennen en vertrouwen
Zondag 7 heeft het geloof beschreven als kennen en vertrouwen. Bij beide — kennen en vertrouwen — is er een subject en een object. Er is een kennend subject en een gekend object.
Er is iemand, die vertrouwt; en Iemand, op Wien dat vertrouwen zich richt. In het geloof smelten die beide: kennen en vertrouwen samen tot één. Dat spreekt ook vanzelf. De mens kan niet in stukken gedeeld worden. En het geloof is zo centraal, dat het niet verdeeld kan worden over verschillende faculteiten van de menselijke geest. Het geloof vat ze samen.
Het kort begrip heeft dit mooi geformuleerd in vraag 19: wat is een waar geloof? Het antwoord luidt: het is een stellige kennis van God en van Zijn beloften, ons in het Evangelie geopenbaard, en een vertrouwen, dat mij al mijn zonden om Christus' wil vergeven zijn.
Kort geformuleerd: geloven is iemand zo kennen, dat we ons van harte aan hem toevertrouwen. Het huwelijk is er een beeld van. Alleen — wat we daaromtrent schrijven met kleine letters, krijgt hier hoofdletters. Vermaningen tot het geloof als in Hebr. 4 krijgen zodoende niet het karakter van een wettische zweepslag, maar van het apostolisch 'bewegen tot het geloof'. Maar dan krijgt ook de waarschu-. wing dubbele kracht: ie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 : 36). De Heilige Geest gebruikt het Woord als het zwaard des Geestes. Het is door Hem Zelf gesmeed. Het is levend en krachtig, scherpsnijdender dan een tweesnijdend scherp zwaard. Het oordeelt de gedachten in de overleggingen des harten. Die Geest gaat niet op in dat Woord. Maar Hij hanteert het wel. Maar wat de zondaar door de kracht des Geestes zo diep raakt en treft is dat Woord met zijn ontdekkend en vertroostend licht.
Zekerheid des geloofs
Deze zekerheid ligt ook al weer in het voorwerp des geloofs.
Brakel en Comrie, Groenewegen en Comrie hadden hierover verschillende gedachten. De vraag was, of de zekerheid behoor-
Vervojg op pagina 577
Vervolg van pagina 572
de tot het wezen des geloofs. Sommigen meenden met het oog op de 'kleinen' dit te moeten ontkennen. Anderen konden zich geen geloof denken zonder zekerheid. Zo formuleerde het ook de tijd van de Reformatie.
Ik meen, dat de laatsten gelijk hadden, hoezeer de kleingelovigen bemoedigd en vertroost mogen worden. We kunnen het kort zo zeggen: in het geloof is geen twijfel, maar in de gelovige is vaak nog zeer veel twijfel.
In het geloof is geen twijfel, omdat het betrekking heeft op hetgeen God in Christus teweeggebracht en in Zijn Woord gezegd heeft. De weg, waarop God Zijn kerk leidt is een vaste weg. Maar het kleine kind leert daarop lopen met kruipen, vallen en opstaan. En dat herhaalt zich. Opgewassen betreedt het die weg met meer vaste schreden. Maar ook voor het kleine kind is de grond vast en onbeweeglijk. Het onzekere zit in zijn lopen. Niet in de bodem, waarop hij loopt. Naarmate de oprecht verslagen zondaar daarop ziet, groeien de zekerheid omtrent Gods waarheid en die betreffende het deelgenootschap aan Zijn heil naar elkander toe.
Hoe sterker de uitgaande daad des geloofs is, des te sterker zal ook de wederkerende daad zijn, omdat het betreft een uitgaan tot God, Die het Voorwerp des geloofs is. D.w.z. met hoe rneer overtuiging het hart leert vertrouwen dat God waarachtig is, met des te meer vrijmoedigheid mag iemand van zichzelf verzekerd worden een oprecht gelovige te zijn.
Zo sterk als de onheilige vrijpostigheid moet worden afgewezen, zo krachtig zal tot een heilige vrijmoedigheid moeten worden opgewekt (Hebr. 4 : 14).
Tegen de intellectualistische ontaarding van het geloof moet worden staande gehouden, dat bevinding, droefheid naar God en bekering geen overbodige zaken zijn. Het gaat om werkelijkheden. Tegen de mysticistische richting moet worden gesteld, dat de bevinding het geloof in God niet kan vervangen.
Kleingelovigen zullen daarbij moeten worden vermaand niet altijd zichzelf te onderzoeken, of zij wel genade ontvangen hebben. Liever zullen zij met al wat hun ontbreekt steeds weer de toevlucht hebte nemen tot de God aller genade.
Calvijn heeft het alles voortreffelijk zo samengevat: 'het geloof is een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, die op de waarheid van Zijn genadige beloften in Christus gegrond, door de Heilige Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart verzegeld wordt'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's