Luther over het Engelenlied
In Luthers preken komt men vele opmerkelijke en soms zelfs zeer treffende stukken tegen. Stukken die getuigen van zijn diep geloofsinzicht.
Luthers Kerstpreken maken hierop geen uitzondering. Integendeel, men mag wel zeggen dat Luther met veel inzicht over het Kerstgebeuren gepreekt heeft. Verschillende passages uit zijn Kerstpreken hebben in het Lutheronderzoek herhaaldelijk de aandacht getrokken.
Tot Luthers Kerstpreken die bewaard zijn gebleven behoren ook die preken die hij eigenhandig geschreven heeft in zijn Kirchenpostille.
In een van deze preken komen wij zijn uitleg van het Engelenlied tegen. Zoals bekend is luidt de inhoud daarvan: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen' (Lukas 2 : 14).
Eerst bieden wij in het kort een weergave van hetgeen door Luther in deze preek over het Engelenlied gezegd is; daarna voorzien wij het door Luther gezegde van enkele opmerkingen onzerzijds.
Ere zij God
Luther heeft er iets bijzonders in gezien dat de engelen hun lied begonnen zijn met de woorden: Ere zij God! Gelijk de engelen hun lied daarmee begonnen zijn, zo zullen ook wij alle dingen moeten beginnen met de lofprijzing van God. Hém moet in alles de lof en eer worden toegebracht. Immers Hij is het die alles doet, die alles geeft en die alles heeft. Niemand onder de mensen zal ooit iets aan zichzelf mogen toeschrijven. Aan niemand anders dan alleen aan God komt alle eer toe. God wil deze eer met niemand delen.
Luther zegt dit alles nadat hij in het voor afgaande uitvoerig gesproken heeft over de genade die ons ten deel is gevallen in de geboorte van Christus in Bethlehem. Gods werk daarin heeft hij benadrukt, en nu stelt hij dus dat dan ook Hem alleen alle eer toekomt.
Een tweede gedachte die hier naar voren komt is dat Adam, opgestookt door de duivel, een God van Zijn eer beroofd heeft. De eer die God alleen toekomt heeft Adam zichzelf toegeëigend. Ziehier de oorzaak, zegt Luther, van het feit dat sindsdien alle mensen in onmin met God leven. Het is een kwaad dat in ieder mens terug te vinden is. De eerzucht. Het zit dieper in ons dan welk ander kwaad ook. Er is niemand die begeert niets te zijn en niets te weten en niets te kunnen. Ieder heeft zo veel behagen in zichzelf. Vandaar alle ellende, alle onvrede en alle strijd op aarde.
Nu is het echter Christus, en dat is dan Luthers derde gedachte, die aan God Zijn eer teruggegeven heeft.
Christus heeft ons daarmee geleerd hoe al het onze niet anders is dan voorwerp van de toorn en ongenade Gods. Opdat wij op geen enkele wijze meer ons op het onze zouden beroemen of er behagen in zouden hebben. Opdat wij ons voor het onze met vrezen en beven zouden schamen. Al onze roem, al ons zelfbehagen wordt dan met de grond gelijk gemaakt, er blijft niets van over. Wij gaan er ons zelfs over verheugen dat wij ervan verlost zijn; en dat wij in Christus gevonden zijn, in Hem behouden worden.
Vrede op aarde
Er kan niet anders dan onvrede zijn, zegt Luther, waar niet de ere Gods is. Omgekeerd, waar de ere Gods is, daar is vrede.
Er is dan gewoon geen reden meer om nog te twisten. Als je weet dat niets van jezelf is, dat alles wat je hebt en alles wat je kunt van God is, dan heb je vanzelf ook geen aanleiding meer om nog twist of strijd te veroorzaken. Je hebt er dan volkomen genoeg aan dat je een genadig God hebt. Wie weet dat al het zijne voor God niemendal waard is, zal het ook zelf niet meer hoog taxeren; zijn gedachten zullen uitgaan naar wat anders, naar iets dat voor God wél waarde heeft, en dat is Christus.
Hieruit volgt vanzelf dat onder ware christenen geen onvrede, twist en strijd kan zijn. Luther verwijst hierbij naar Jesaja 11 : 9, waar wij lezen: Men zal nergens leed doen noch verderven op de ganse berg Mijner heiligheid'. Met andere woorden: er zal vrede zijn. Maar, zegt Luther, Jesaja zegt ook nadrukkelijk waar die vrede op teruggaat, want het vervolg van de zojuist aangehaalde woorden luidt: want de aarde zal vol van de kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken'. Is er de kennis des HEEREN dan volgt de vrede.
Ziehier ook de reden, zo vervolgt Luther, waarom onze Heere Christus een 'Koning des vredes' wordt genoemd. Hij is het die de vrede geeft. Innerlijk en uiterlijk. Innerlijke vrede met God, vrede in het geweten, door het geloof dat rust in Hem; uiterlijke vrede met de mensen, in een levenswandel door de liefde. Zo hangen dus de eer van God en de vrede op aarde ten nauwste samen.
In mensen een welbehagen
Soms vertaalt Luther: in mensen van (of met) goede wil. Hij zegt dan: de goede wil der mensen is hier bedoeld. Luther bleef hiermee staan in de traditie; evenwel — zoals zo vaak — geeft hij er toch een beslissende wending aan, door er aan toe te voegen: Hier is niet bedoeld de goede wil die goede werken doet. Welke 'goede wil' er dan volgens Luther in de tekst wel bedoeld is? Hij haalt er het woord 'welbehagen' bij. En 'welbehagen' interpreteert hij als: alles zich laten welgevallen. Hij grijpt hiervoor naar het in de middeleeuwen zo bekende woord 'gelatenheid'. Maar ook dat woord geeft hij weer een eigen vulling, zodat het ongeveer de betekenis van 'geloof' krijgt.
Men zal moeten bedenken dat bij Luther het geloof vooral een passieve houding is. Men berust in het niets zijn, het niets hebben en het niets weten coram Deo (voor het aangezicht Gods). Men geeft God alle eer. Men laat zich ook alles welgevallen wat God doet. Zo is er tegelijk ook de vrede.
Aldus heeft Luther alle drie de delen van het Engelenlied nauw op elkaar betrokken, ze gezien als uitdrukking van een en hetzelfde. Waar God geëerd wordt is vrede, en God wordt geëerd als wij in geloof alles van Hem verwachten, rusten in hetgeen Hij gedaan heeft en doet en zo vol zijn van Zijn heil.
De vrede is er dan ook alleen, zegt Luther, onder degenen die oprecht in Christus geloven. Verder strekt zij zich niet.
Wij moeten haar niet zoeken in de wereld. Daar is zij niet. Ook de duivel kent geen vrede. Zij beide, duivel en wereld, laten ook anderen niet met vrede. Zij vervolgen degenen die vrede hebben. Zij vervolgen ze ter dood toe.
De gelovigen hebben vrede doordat zij in alles wat hen overkomt een 'welbehagen' hebben. Hoe God ook met hen handelt, zij loven en prijzen Hem. Gods wil is hun wil. Zij roemen in verdrukkingen. Zelfs het allerergste wat hen in het leven overkomt houden zij nog voor goed, ja voor het aller beste. Zo'n overvloed aan genade en innerlijke blijdschap in Christus genieten zij dat zij alle leed dat hen overkomt licht achten.
Waar deze vrede gemist wordt is het net andersom. Daar maakt men alles veel erger dan het is. Daar maakt men van één ongeluk twéé ongelukken. Daar is men nooit tevreden met wat God doet.
Alleen als Gods Woord op het spel staat, dan zullen wij niet gelaten mogen zijn, maar overigens: Houd alles wat u overkomt voor goed! Zo zal er vrede zijn.
Opmerkingen
1. Het Engelenlied heeft onder de naam Gloria in excelsis vanouds in de misliturgie een vaste rubriek gevormd. Aan het begin van de preek heeft Luther daaraan herinnerd. Hij heeft zich daar in zijn preek niet tégen gekeerd, maar wel heeft hij wat anders gedaan: hij heeft het Engelenlied zeer nadrukkelijk een plaats gegeven in de verkondiging van het Evangelie. En daarin is het toen tot nieuw leven gekomen! God geve dat het ook heden nog in de prediking levend mag zijn.
2. Luthers prediking over het Engelenlied is geweest een prediking ad hominem, d.w.z. gericht op de hoorders. Hij verliest zich niet in allerlei bespiegelingen over de engelen maar richt zich onmiddellijk tot hen die deze preek horen (of lezen). Men zou hem het verwijt kunnen maken dat hij net iets te gauw aan de toepassing toe is. Maar daar staat dan toch ook weer, tegenover dat het geheel toch wel degelijk over komt als een stuk Schriftuitlegging. Ook in de toepassing dwaalt Luther niet weg. In zijn exegese dwaalt Luther niet weg van de hoorders en in zijn toepassing dwaalt hij niet weg van de tekst.
3. Men heeft vaak gezegd: Bij Luther ging het om het persoonlijke zieleheil en bij Calvijn ging het om de ere Gods. Met dergelijke generaliseringen zal men altijd moeten oppassen. Dat blijkt wel uit hetgeen zojuist allemaal naar voren is gebracht. De ere Gods is de inzet geweest in Luthers preek over het Engelenlied. Beide, het heil van de zondaar en de ere Gods, liggen dermate ineengestrengeld dat zij noch bij Luther noch bij Calvijn als gescheiden thema's voorkomen.
4. Vanuit zijn spreken over de ere Gods is Luther gekomen tot het aanwijzen van een der ergste zonden. In Adam hebben wij God van Zijn eer beroofd. En nog zijn wij daar steeds op uit. De mens wil wat wezen, hij wil wat kunnen. Dat zit heel diep in ons. Daar kan alleen de genade ons van genezen.
Wanneer Luther deze begeerte om wat te zijn, te weten en te kunnen 's mensen hoofdzonde noemt staat hem voor ogen hoe de mens daarmee de genade Gods weerstaat. Hij heeft genoeg aan zichzelf, heeft Christus niet nodig.
5. Luther heeft getracht vanuit Christus zijn hoorders daaraan te ontdekken. In Christus hebben wij een spiegel vóór ons. Men bedenke dat in Christus volgens Luther Wet en Evangelie zijn, de ontdekkende Wet en het vertroostende Evangelie. Wat wij God hebben afgenomen heeft Hij God weer teruggegeven en in dat teruggeven van Christus kunnen wij ontdekken wat wij God afgenomen hebben.' De eer die wij van God geroofd hebben heeft Hij Hem toegebracht.
Christus heeft daarmee tevens aangetoond dat al het onze, waar wij zo prat op plegen te gaan, niets is, waardeloos is. In hetgeen Christus voor ons gedaan heeft is aan het licht gekomen de waardeloosheid van al het onze.
De Wetsprediking is bij menigeen soms zo grof, bij Luther is er een ragfijne verhouding, tot in de figuur van Christus toe, van de prediking van de Wet en die van het Evangelie.
6. Aan het begin van zijn preek heeft Luther gezegd: Het thema is Evangelie en geloof. In wat hij gezegd heeft over het Engelenlied beluisteren wij ook de prediking van het geloof. Wat Luther hier over het geloof wil zeggen klinkt door in hetgeen hij zegt over het 'welbehagen', in de zin van gelatenheid.
Reeds hebben wij opgemerkt dat het woord: gelatenheid, in de middeleeuwen eer bekend is geweest. Men vindt het v^ooral bij mystieken als Tauler. Bij Luther die het omgesmolten heeft heeft het de betekenis van geloof, of beter: de betekenis van een bepaald facet van het geloof. Het geloof is bij Luther sterk passief gekleurd. In de weg van niets hebben, liets weten en niets kunnen; in de weg van een algeheel afzien van al het mijne mag ik zien dat alles in Christus is en dat k in Hem alles heb. Dat is voor Luther zelf een levende ervaring geweest.
Hij heeft er elders in de preek een fraai beeld van gegeven. In een rivier die onstuimig is, waarvan het water draait en kolkt kan de zon zich niet goed weerspiegelen; de zon kan het water van die rivier ook niet verwarmen. Wie verlicht wil worden, wie warm wil worden, wie goddelijke genade en wonderen wil zien, met andere woorden: wie profijt wil hebben van het Kerstevangelie, zal gelijk moeten zijn aan een stille en gladde waterspiegel. Laat uw hart stil zijn onder het horen van het Kerstevangelie! Het beeld van de geboren Christus zal u dan diep worden ingeprent en het zal u intens verheugen.
7. Waar dit geloof is daar is ook liefde en daar is ook vrede. De vrede zal men nergens elders mogen zoeken dan bij de ware gelovigen. De haard van het twistvuur is in hen uitgedoofd. Er is bij hen zo'n overvloed van het genieten van de volheid die in Christus is dat zij niet meer staan op wat van henzelf is, en zo dus ook verlost zijn van hun eerzucht, zodat zij geen lust meer hebben om te twisten. Door het geloof is er ook ruimte gekomen voor de liefde.
En wat verder het levensleed betreft, zij ontvangen alles als uit de goede hand Gods. Alle achterdocht ten aanzien van wat God doet is weggevallen. Zelfs het allerergste leed dat hen overkomt ontvangen zij nog met blijdschap, wetende dat God het beste met hen voor heeft.
Tot dat levensleed behoort niet voor het minst de vervolging van duivel en wereld, die beide haters zijn van God en van de vrede.
In dit laatste punt hebben wij een paar grondlijnen van Luthers' ethiek. Een ethiek waar men in onze tijd niet veel weet meer van heeft. Onze revolutionair gezinde eeuw wil er niet meer aan, rebelleert en fulmineert er tegen. Maar wat wij voor ons daarin vooral beluisteren is een stuk machteloosheid. Deze ethiek is van zulk een adel, is zo hoog dat een platvloerse generatie als de onze gewoon het vermogen mist ze zelfs maar te begrijpen. Geen wonder dat terwijl er almaar over vrede gesproken wordt die vrede in werkelijkheid steeds verder wegwijkt. Zij horen alle drie bij elkaar: de ere Gods, het geloof én de vrede. Terug naar deze hemelse trias!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's