Waarin niet
Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad. 1 Johannes 4 vers 10
Waarop zou Johannes anders de nadruk leggen dan op de liefde. Hij wordt wel de apostel van de liefde genoemd. Eigenlijk heeft hij zijn eigen naam aan de liefde verloren: De discipel die Jezus liefhad, heet hij dan. Hij geeft de liefde het volle pond; zij heeft zijn hart veroverd en een stempel op zijn leven gezet. Het zal ons nauwelijks verwonderen, dat het Kerstfeest voor hem het feest van Gods liefde is. Dat wil hij ons duidelijk maken, nu wij dit, eeuwen later, lezen. Het is zijn innige overtuiging, daarom getuigd hij er zo vrijmoedig en indringend van. Niemand kan, als buitenstaander, getuigenis van deze liefde afleggen. De apostel is deelgenoot, het geheim werd hem onthuld, zodat hij er in gaat roemen tot eer van God.
In de buurt van de tekst luiden alle klokken het feest in, het feest van de liefde: Geliefden, laat ons elkaar liefhebben, want de liefde is uit God. Indien God ons zo liefgehad heeft. Johannes is klokkenist; hij weet de klepel te hangen. Het is niet slechts een enkele klok, met een dun en schraal geluid, nee het is het is een klokkenspel dat zijn tintelende klanken door de lucht strooit, over de daken, tot in de harten. Door alles heen hoort u de grote klok: Want God is liefde. De andere klokken zijn daarop afgestemd: Indien wij elkaar liefhebben...
Hoor ik dan geen enkele wanklank? Onze tekst valt uit de toon: Niet, dat wij God liefgehad hebben. Had dat nu maar verzwegen, het stemt allemaal zo mooi overeen, een harmonie die zo weldadig aandoet in een verscheurde wereld. Als u goed leest, meeleest, zult u merken, dat deze zogenaamde wanklank niet gemist kan worden.
Hierin is de liefde. De liefde! Een veel gebruikt woord, vaak misbruikt. Er wordt mee gedweept en er wordt op gespuwd. Een woord dat mensen tussen vinger en duim nemen om het te bevuilen. De liefde. Er wordt om geglimlacht, en om gegrimlacht. De liefde is koopwaar en afval. Zo zou ik nog even door kunnen gaan, maar dat zou de zaak alleen maar de mist doen ingaan.
De liefde. Ik kan er u geen omschrijving van geven; zij wordt alleen in een onderlinge verhouding gekend. Het is — om toch een poging te wagen — echt geven om de ander, het tegendeel van zichzelf zoeken. Het is een zich geven aan de ander, zonder zichzelf daarin te bedoelen. En dit 'geven om' en 'zich geven aan' vindt veel wegen en vormen; de liefde is immers vindingrijk.
Hierin is de liefde. Zoeken we haar in haar oorspronkelijke gaafheid en volheid, zoeken we de fontein dan zoeken we die bij de zeer overvloedige fontein van alle goeden, bij God. Want God is liefde. Dat staat alleen van de liefde geschreven: God is. Zijn leven is geven; geven om en zich geven aan. Dat geldt niet alleen van Gods wezen: Vader, Zoon en Heilige Geest hebben elkaar lief. Het is ook de openbaring. God maakt zijn liefde bekend: zij strekt zich naar en over ons uit. We mogen ons warmen bij de gloed van dit vuur. Spreken wij van liefde, dan doen we onwillekeurig navraag bij de mensen. Hoe vaak tevergeefs. En waarom? Hierin. Dat is uitsluitend. Het sluit, om te beginnen, ons uit. De liefde, komt van één kant. Ieder misverstand moet worden weggenomen. Daarom valt Johannes zichzelf in de rede: niet, dat wij God liefgehad hebben. Er is nog wel het een en ander dat wij liefde mogen noemen en dat met deze liefde samenhangt. Gelukkig wel. En dank zij de Heere. Onverkort handhaaft hij het 'niet'. Hierin, daar schijnt de zon in haar volle kracht. Verder schemert het licht nog hier en daar; het is avondlucht, de nacht valt. Hierin, dat is de dag!
Dat wij God liefgehad hebben. Het lag zo voor de hand. God had ons geschapen; er is liefde in dat scheppen. Wij hadden kennis van God en God kennen is Hem beminnen. De verhouding tot Hem was er een van onderlinge liefde: God heb ik lief. In die liefde van en tot God leefde de mens. Maar dat lied van de liefde is al lang verstomd. Wij. Wij mensen. Nee, veel persoonlijker, veel aangrijpender: u en ik. Wij — God. Hij was die liefde waardig. Dat wij ons aan Hem zouden geven en zo doende voor Hem zouden leven. Wat een goed leven. Wie God niet liefheeft heeft eigenlijk geen leven. We hebben het leven vergooid, toen de liefde stierf.
Niet, dat wij . .. Wij onttrokken ons moedwillig aan de omgang met Hem. We kregen een afkeer van Hem. Onze onverschilligheid was maar schijn; we mochten Hem niet. Hij kon bij ons geen goed doen, al deed Hij veel goeds aan ons. Niets bewoog ons om Hem te dienen en te eren. Wij wijden onze aandacht aan anderen, aan de wereld, aan de duivel. Kinderkens hebt de wereld niet lief. En we hebben de wereld zo lief. Wat verschrikkelijk. Van nature hebben wij geen hart voor God. Sommigen misbruiken dat 'van nature' als een verontschuldiging. Maar het beschuldigt ons. Wat schort er toch aan? Niet dat wij God liefgehad hebben. Daarmee is het vonnis over ons leven geveld; het wordt buiten en zonder de liefde tot God geleefd. Een harde waarheid. Wij menen dat er nog wel wat liefde tot God overblijft. Een vonk, die aangeblazen moet worden, o zeker, maar die dan toch onder de as ligt te smeulen. Wordt die vonk aangeblazen, dan gaat ze gloeien. Och de vlammen slaan er wel niet uit, maar toch... Johannes verstoort deze mooie droom, deze lege waan: Niet! Het kan onze kerstdroom, onze kerstwaan zijn. Kerstfeest is dan het feest van onze liefde tot God en tot de Heere Jezus. Woorden van liefde, die het Kind toegefluisterd worden. Zet er maar een min teken voor: niet. Als algemene waarheid. Algemene waarheden deren niemand. Nee, als 'n belijdenis: niet dat wij. Een ootmoedige belijdenis. Rond de kribbe geschaard worden wij er aan herinnert, er van dpordrongen: niet dat wij God liefgehad hebben. Wat ik er wel eens voor hield, bleek iets anders te zijn. Daaraan ontdekt Gods Geest ons, en wij aanvaarden het faillisement van onze liefde. God heeft alles van ons te vorderen, — de liefde is alles — en wij voldoen die vordering niet. Het hamert door ons heen, zodat het hart er onder breekt: God niet liefgehad. In mijn jeugd niet en ouder geworden niet. In mijn werelddienst en in mijn godsdienst. We zeggen het met schaamte en smart. Want de Heere is het zo waardig.
Niet dat wij. Een wanklank. Misschien is uw kerstuitvoering een schrille wanklank. Dan deugt die uitvoering niet. Want door dat 'niet' wordt kracht en klank gegeven aan dat: hierin. En aan dat volgende: maar dat Hij ons lief heeft gehad. Niet wij Hem. Bevreemdend in hoge mate. Wel Hij ons. Verwonderlijk boven iedere maat. Komt, verwondert u hier mensen, ziet hoe dat u God bemint. De God die Liefde is, heeft liefdelozen lief. Dat is aan de orde van de dag, de Kerstdag: God heeft liefgehad, die Hem niet hebben liefgehad. Nu kan het feest beginnen, het Kerstfeest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 24 december 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's