De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De plaats van de Gereformeerde Bond in de Ned. Hervormde Kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De plaats van de Gereformeerde Bond in de Ned. Hervormde Kerk

17 minuten leestijd

Beste Van der Graaf,

wat wil de Gereformeerde Bond? Wanneer ik dat, als buitenstaander, onder woorden moet brengen, dan zeg ik: de bond wil met een diep ontzag voor God leven, en de bond hoopt, dat de hele Nederlandse Hervormde Kerk dit ontzag zal leren kennen. Wanneer God bij de Sinaï de Tien Geboden geeft, en zijn verbond met Israël sluit, vertelt de Bijbel, dat het volk beeft — want wie is de mens, dat God Zich met hem in zou laten? Dat beven meen ik in de bond te herkennen, en dat bedoel ik met het diepe ontzag voor God, waarmee hij wil leven.

Duidelijker gezegd: enkele jaren geleden verscheen er een boekje over de Tien Geboden onder de titel 'Zo moet het kunnen!' Alsof Israël bij de Sinaï zijn pientere vingertje opgestoken, en na het aanhoren van de geboden gezegd zou hebben: 'God, daar brengt U ons op een voortreffelijk idee!' De bond vindt dat je zo in ieder geval niét over de geboden kunt spreken. Want wanneer de geboden gelezen worden, en een mens verstaat wat hij hoort, dan weet hij, dat hij óók aangeklaagd wordt, en dat hij voor God niet kan bestaan. En tegelijk weet hij, dat het gebod, ook als aanklacht, onafscheidelijk hoort bij het verbond, waarin God de mens trouw is en blijft. Want wanneer God ons aanklaagt leert Hij ons heil.buiten onszelf te zoeken, en om alleen te leven van de gerechtigheid, die Hij ons in Jezus Christus geeft. Wie deze gerechtigheid aanvaardt, en wie dus, zoals de catechismus zegt, 'Christus door een waarachtig geloof ingeplant is', brengt 'vruchten der dankbaarheid' voort, en leert de geboden nog op een heel andere manier verstaan, namelijk als richtlijn voor zijn leven: dan geven de geboden een licht, waarover de 119de psalm niet uitgejubeld raakt.

Kort gezegd: de bond wil in de vrees Gods leven, en hoopt, dat de hele kerk dat zal doen. Karakteristiek lijken mij de volgende regels uit de oude psalmberijming:

’maar neen, daar is vergeving, bij U altijd geweest, dies wordt Gij heer met beving, recht kinderlijk gevreesd'.

Voeg daar dan nog aan toe, dat de bond vindt, dat een mens van binnen weet van deze dingen mag hebben, en dat het eigenlijk ook niet anders kan, of hij heeft er weet van, en overpeinst ze 'dag en nacht' dan meen ik hiermee gezegd te hebben wat de Gereformeerde Bond in De Nederlandse Hervormde Kerk voorstaat.

Als ik het goed zie — en ik hoop er niet zo ver naast te zijn, dat ik de nu volgende vraag niet kan stellen — waarom maken jullie het de andere Hervormden dan zo bitter, bitter moeilijk om te begrijpen wat de bond wil? Want de bond maakt op buitenstaanders vaak een verbijsterende indruk. Ik noem een paar dingen:

1. De vrouw in het ambt. Hier in Amsterdam-Noord zie ik vrouwelijke ouderlingen aan het werk, voor wier ambtsbediening ik veel respect heb: bij hun huisbebezoeken dienen ze de gemeente met het Woord, in de kerkeraad helpen ze om lastige knopen te ontwarren, en ze doen in alle opzichten wat van een ouderling verwacht mag worden. Nu is het natuurlijk zo, dat we het er in de Nederlandse Hervormde Kerk drie en een halve eeuw hartstochtelijk over eens zijn geweest, dat de vrouw geen ambt mocht dragen, en mensen zoals ik, die zo'n twintig jaar geleden tot andere gedachten gekomen zijn, moeten geen hoog woord hebben, tegen de bond, die het oude standpunt handhaaft. Maar is het te ontkennen, dat de praktijk de voorstanders van de vrouw in het ambt gelijk gegeven heeft, m.a.w. dat de Heilige Geest zijn goedkeuring aan de vrouw in het ambt gegeven heeft? Haar ambtswerk draagt toch vrucht? Er kunnen natuurlijk wel ontsporingen in de ambtsbediening van een vrouw zijn, maar die komen bij mannelijke ambtsdragers ook voor.

2. De nieuwe psalmberijming en het nieuwe liedboek. Kunnen jullie volhouden, dat de oude psalmberijming bijbels is, en de nieuwe niet, en zijn er niet heel wat nieuwe gezangen, die je juist in de gemeenschap met de belijdenis van de vaderen van harte mee kunt zingen? Op dit punt lijkt de bond mij minder onverzettelijk dan op het vorige, maar in de praktijk blijken er dan toch nog steeds de grootst mogelijke moeilijkheden te zijn. Als niet hondse dominees, die in bondsgemeenten voorgaan, nu eens, uit respect voor de plaatselijke gemeente, alleen oude psalmen opgaven, en als bondsdominees, die in een niet-bondsgemeente voorgaan, nu eens, vanuit datzelfde respect, psalmen en gezangen uit het Nieuwe liedboek opgaven? Dan zou er althans in deze impasse een (kleine) doorbraak zijn.

3. Politiek. Jarenlang heb ik de bond als een onderontwikkeld gebied beschouwd, zodra het over de politiek ging. Ik zeg dat nu wat minder hard dan vroeger, want zodra het over de staat Israël gaat is de bond in ieder geval op zijn post. Maar hoe moet ik die liefde voor het joodse volk nu rijmen met de manier, waarop b.v. ds. C. den Boer in zijn 'Op de grens van kerk en wereld' over de verklaring van de rechten van de mens spreekt? Den Boer ziet die verklaring als het product van een denken, waarin de mens zichzelf in het middelpunt stelt, en hij heeft alleen vertrouwen in een strijd voor sociale gerechtigheid, die uit het geloof geboren wordt. Dat wil ik dan nog wel een keer met hem mee zeggen ook, maar hoe is het dan te verklaren, dat de wereld, met zo'n prachtige verklaring, als die van de rechten van de mens, voor den dag is gekomen, en de kerk, die eeuw in eeuw uit 't evangelie heeft gehoord niet? Is dat niet beschamend? Moeten wij Christenen, in plaats van de rechten van de mens in de pruUemand gooien, ons niet ootmoedig aansluiten bij hen, die al lang voor deze rechten streden, toen wij nog nauwelijks wisten, dat ze bestonden? Want ga eens na wat het voor de Joden in Irak en Syrië, voor de Christenen in de Sovjet-Unie, voor de Baptisten in de Tsjaad, en voor andere minderheden over de hele wereld zou betekenen, wanneer de mensen die het voor het zeggen hebben, zich wat meer aan de rechten van hun onderdanen gelegen zouden laten liggen! We zullen het er gauw met elkaar over eens zijn, dat mensen het Koninkrijk Gods niet kunnen bouwen, maar mensen kunnen wel veel leed van andere mensen voorkomen, zoals Amnesty International dat op een voorbeeldige manier doet.

4. Kerk. Toen ik enkele jaren geleden ds. Tukker voor dit blad interviewde, zei hij mij, dat de bond zijn werk zag als 'steigerwerk', voor de wederopbouw van de héle Nederlandse Hervormde Kerk. Ik geloof van harte dat de bond het zo bedoelt, maar is het niet een aparte kerk in de Nederlandse Hervormde Kerk, die onder jullie handen is ontstaan? De bond heeft zijn eigen organen voor de zending in binnen-en buitenland, zijn eigen beroepingscommissie, en de verhalen over de 'buitengewone wijkgemeente in wording', die in zoveel bondsgemeenten gesticht zijn, zijn voor wie de héle kerk op het oog heeft, niet met droge ogen te lezen. Wij, niet-bonders, zeggen wel eens tegen elkaar: 'Als de bond ergens terrein gewonnen heeft, geeft hij dat nooit, nooit, en nooit meer prijs'; hebben we daar gelijk in, of vergissen we ons daarin?

Ik ga deze brief besluiten, en vat wat ik te zeggen heb samen: wat de bond wil, en wat ik hem in zijn beste vertegenwoordigers ook zie doen, lijkt mij wezenlijk christelijk; maar kan de bond de kerk hiermee dienen zolang hij zo star op al zijn stukken blijft staan, en zolang hij de schijn wekt, dat het hem om de macht te doen is?

A. A. Spijkerboer

Beste Spijkerboer,

Wie een discussie opent heeft het voordeel dat hij de lijnen voor de discussie uitzet. Het kost me echter weinig moeite me in die lijnen te vinden. Ik volg ze dus maar op de voet.

Wat wil de Bond?

De Bond wil met diep ontzag voor God en voor de wet van God, in de vreze des Heeren dus, leven en vindt dat een mens van binnenuit weet mag hebben van deze dingen. Dat is juist. Maar ik wil er wel een dimensie aan toevoegen, namelijk die van Jesaja 66 : 2: maar op deze zal Ik zien, op de arme verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft'. De eerbied voor het Woord omvat al het andere. Het Sola Scriptura (alléén de Bijbel) van de Reformatie is de bodem , waarop de Bond ook in deze tijd wil staan. En dan de schoenen van de voeten, want die plaats is heilig. Er zijn geen twee kenbronnen voor het heil (de Bijbel èn de menselijke ervaring), niet twee bronnen voor de ethiek en het menselijk handelen (de Schrift èn de situatie), niet twee bronnen voor het kerkelijk beleid en belijden (het Woord èn het eigentijdse levensgevoel), er is alléén het Woord als bron en norm. Vooropgesteld zij, dat ons verstáán van de Schrift altijd weer voor de Schrift zelf geschoven kan worden, maar dit is voor ons vaak het verbijsterende, dat men al te gemakkelijk soms hele delen van de Schrift als tijdgebonden verklaart of aan de Schriftgegevens een zodanige interpretatie geeft, dat de stelregel, dat de Schrift haar eigen vertolkster is, onherkenbaar is geworden. Zeg ik teveel als ik beweer, dat velen er weinig moeite mee hebben te stellen het met Paulus niet eens te zijn (zoals prof. dr. H. M. Kuitert in Trouw een keer reageerde op een exegese van dr. Stern over Rom. 13) of zich ervoor te benaarstigen Paulus dingen te laten zeggen, die hij nooit gezegd of nooit zó gezegd heeft? Die dingen verbijsteren óns. God ziet op wie voor Zijn Woord beeft.

De vrouw in het ambt

Ik stel het op prijs, dat Spijkerboer zijn bewering, dat de Bond het de andere Hervormden vaak moeilijk maakt te begrijpen wat de Bond wil, duidelijk adstrueert, en niet met caricaturen (die we helaas in de kerk maar al te vaak van elkaar maken) werkt met reëele punten. De kwestie van de vrouw in het ambt! Met 24 tegen 22 stemmen besloot de synode destijds om de vrouw tot de ambten toe te laten. Voor wie meent, dat in de kerk over zaken de waarheid van de Schrift betreffende, niet bij meerderheid van stemmen kan worden beslist, laat staan bij zo'n meerderheid van stemmen, kan zulk een beslissing alleen maar een rampzalige heten. De beslissing werd genomen na bewogen gesprekken en debatten. Direct na het besluit richtten de visitatorengeneraal een brief aan, de kerkeraden om toch vooral de gevoelens van de bezwaarden te ontzien, omdat het hier ging om een gewetenszaak. Zo lag het ook. Efeze 5, waarin gezegd wordt dat de man het hoofd van de vrouw is, zoals Christus het Hoofd is van Zijn gemeente (kan dat ooit tijdgebonden zijn) weegt hier zwaar.

Men heeft gedacht dat de tijd de gewetensbezwaren zou slijten. Maar als nu deze kwestie géén gewetenszaak meer zou zijn, zou het dan tijdens de behandeling in de kerk wel een zaak van het geweten zijn geweest? En kan het nu zó zijn — zoals Spijkerboer beweert — dat de praktijk leert, dat de Heilige Geest Zijn goedkeuring aan de vrouw in het ambt heeft gegeven, terwijl het Woord het tegendeel leert? Kijk, dat gaat de, Bond te ver. De praktijk kan het Woord nooit vervangen. Bovendien, als het om de praktijk gaat, waar is het gemeentelijk leven nu écht na de komst van de ambtelijke inzet van de vrouw, gaan opbloeien? Is het niet veeleer zo, dat de vrouw werd ingeschakeld bij gebrek aan mannelijke krachten? Is het niet veeleer een nood-ambt geweest? Dat er intussen aardige en toegewijde vrouwelijke ambtsdragers zijn en onhebbelijke en niet-toegewijde mannelijke ambtsdragers is juist maar niet doorslaggevend. Er is bij gelijkheid van man en vrouw in Christus onderscheid in taak en roeping. Hoezeer vrouwen tijdens het leven van Jezus ook naar voren treden in de héle heilsgeschiedenis, Christus nam uitsluitend mannen als Zijn discipelen en later werden alleen mannen als apostelen uitgezonden. De vrouw in het ambt komt van meet af aan in de gemeente niet voor, terwijl de vrouw toch wel telkens in allerlei verbanden wordt genoemd. Zo wil de Bond naar eer en geweten ook in deze tijd de weg van de Schrift gaan. Kerkelijke plagerijen zijn hier absoluut taboe. Het komt voor dat vrouwen onder de gereformeerde prediking gegre­pen worden en er hun ambt, wat zij hadden, aan geven omdat ze gevoelen dat het naar het Woord niet kan. Zó is het toevallig ook nog eens een keer. De Schrift discrimineert niemand maar de Schrift onderscheidt wel.

De liturgische kwestie

De Bond is tegen gezangen. Dat is zo ongeveer het enige wat velen in de kerk ervan weten. Dat de Bond echter liever zegt graag de Psalmen te zingen is minder bekend. De Psalmen noemde Luther de kleine bijbel in de Bijbel. In de Psalmen ziet men Gods kinderen in het hart. In het psalmboek liggen de klacht en de jubel, de diepte en de hoogte van het geloof, de aanvechting en de uitredding, zoals Gods, kinderen die beleven. De Bond zingt in de eredienst het vrije lied niet omdat men de psalmen zo graag zint — en daarin staat men vlak naast Israël, het oude Bondsvolk — omdat men graag direct de Schrift zingt, en omdat met het vrije lied al te gemakkelijk de ketterij de gemeente wordt binnengezongen (zingend gaat dat nog gemakkelijker en kritieklozer dan sprekend).

Met de kwestie van de oude of nieuwe berijming ligt het dan natuurlijk wél anders, want in beide gevallen gaat het om een berijming van de psalmen. Vandaar dat er ook verscheidenheid van gevoelen en handelen op dit punt is als het gaat om het voorgaan van predikanten in niet-Hervormd-Gereformeerde gemeenten. Wel is het zo, dat van de Nieuwe Berijming is gezegd — en de stemmen dienaangaande klinken ook in toenemende mate buiten de bond — dat deze toch wel op diverse punten de sporen vertoont van een aards gericht messiaans heil. De op Christus gerichte Messiasverwachting schiet tekort. Wanneer we de psalmen zingen, zingen we Christus al in de psalmen. We zingen de psalmen óók vanuit de vervulde verwachting. In dat opzicht spreekt de oude berijming — bij alle feilen die deze ook vertoont , — meer aan dan de nieuwe. Daar komt nog bij, dat het de vraag is of men in een tijd, waarin steeds minder nadruk valt op 'uit het hoofd leren' en in een tijd van kerkelijke en geestelijke neergang, nu uitgerekend op een andere berijming moet overgaan. Dan kan het zijn dat men een berijming (in het hart en het hoofd van de gemeenteleden) verliest zonder dat men er een nieuwe voor in de plaats krijgt.

Intussen geldt hier: in noodzakelijke dingen eenheid, in niet-noodzakelijke dingen verscheidenheid, in alle dingen liefde.

De politiek

In de Bond leeft — politiek gezien — sterk het theocratisch besef, welke politieke partijkeuze (wèl confessioneel!) men daaraan ook verbindt. Alles moet Hem eren (psalm 33). Het zou wel eens kunnen zijn dat 't tot 't wezen van de theocratie behoort, dat christenen in de toekomst weer tot voor koningen en overheden toe Gods naam moeten belijden en dat ze déze belijdenis met de dood zullen moeten bekopen. Zelf geloof ik — maar dat is persoonlijk — dat Israël wel eens hét teken van de theocratie in de toekomst zou kunnen zijn. Wie theocratisch denkt wordt altijd achterdochtig als hij over de rechten van de mens hoort spreken los van het recht van God op het gehele leven. De uitdrukking 'rechten van de mens' stamt rechtstreeks uit de Franse revolutie, uit de geest van het 'geen God en geen Meester'.

Onze tijd, die een tijd is van de 'permanente revolutie' (H. Algra) op elk gebied, hanteert dit begrip te pas en te onpas. Binnen de kerk mogen we echter toch wel beseffen, dat alle strijd om mensenrechten wat het koninkrijk Gods betreft geen waarde heeft als niet tegelijkertijd of eerst Gods recht geproclameerd wordt. Mag ik het zó zeggen: politiek gezien gaat het om de tweede tafel én de eerste tafel van de met. Zo leeft dit binnen de Bond. Maar dan ook de tweede tafel tenvolle. Elke strijd tegen werkelijke uitbuiting en onderdrukking van mensen moet dan ook, vanuit de eenheid van beide tafelen van de wet, gestreden worden. Aan die strijd doen we met Spijkerboer graag mee. Maar de uitdrukking rechten van de mens moeten we van de wereld maar niet te gemakkelijk overnemen. De uitdrukking is niet bijbels — in bijbels licht zijn wij 'rechteloze mensen' — en wordt al te vaak ideologisch geladen. Dit doet niets af van het bijbels vermaan om waar dan ook rechtvaardigheid te betrachten.

Een kerk in de kerk?

Een Bond in de kerk is een griezelige zaak, zeker als we bedenken dat de Schrift geen bonden in de kerk kent. Maar wat minstens zo griezelig is en onaanvaardbaar is een kerk, die op vitale punten met het Schriftgetuigenis op gespannen voet staat. Vanuit dit laatste ontstonden de verschillende afscheidingen. De Bond blééf in de Hervormde Kerk, kon deze kerk niet loslaten vanwege het verbond, vanwege Gods trouw in de geslachten. De Bond als organisatie is niet meer dan een noodverband, een tijdelijke behuizing. Het is echter goed als anderen ons eraan herinneren, dat het gevaar groot is dat we de Bond als een definitieve behuizing gaan zien, zo als het óók goed is als de Bond de kerk er telkens aan herinnert, dat een woning zonder deugdelijk fundament het in de stormen niet uithoudt.

De Bond is de kerk niet. De doop, het avondmaal, de prediking, het ambt ontvangen we niet middels de Bond maar middels de kerk uit de hand van de Koning der Kerk. De Bond bedoelt verbreiding en verdediging van de waarheid in de Hervormde Kerk (zo zegt het de naam) en wil niet macht voor zichzelf maar een kerk onder het gezag van het Woord.

Maar al die eigen bonden dan? Welnu, is al dit werk, dat deze bonden doen, niet gewoon kerkelijk werk? Waar is overigens het alternatieve kerkelijke werk voor mannen (naast onze mannenbond), voor vrouwen (naast onze vrouwenbond), voor de jeugd (naast onze H.G.J.B.) voor het apostolaat (naast onze I.Z.B.)? Laten we gewoon dankbaar zijn, dat al dit bondswerk mensen in de gemeenten bereikt en hun wat meegeeft.

Een eigen commissie voor het beroepingswerk is nieuw voor me. Die is er namelijk echt niet.

Maar dan nog die verhalen over de b.w.i.w.'s in g.b.-gemeenten. Wie geen vreemdeling is in kerkelijk Jeruzalem weet, dat er even zovele evangelisaties zijn in niet-g.b.-gemeenten, waarover net zovele verhalen niet met droge ogen te lezen zijn. Het verschil is wel dat de Bond er veel meer moeite mee heeft gehad voor eigen minderheden ook b.w.i.w.'s aan te vragen, vanwege het respect voor de autonomie van de plaatselijke gemeente. Een synode kan toch niet zo maar over 'n kerkeraad heengrijpen? Ik denk verder dat het aantal g.b.-gemeenten waar een minderheid van andere modaliteit ruimte kreeg (wel confessioneel gebonden overigens) echt wel in evenwicht is met 't aantal niet-g.b.-gemeenten waar een hervormd-gereformeerde minderheid ruimte kreeg. Maar blijft het feit, dat hier een steen des aanstoots in ons kerkelijk leven ligt, waaraan we wederzijds onze pijn hebben, met dit verschil nog dat her­vormd-gereformeerde kerkeraden vanuit het zich gebonden weten aan schrift en belijdenis niet zomaar democratisch te werk kunnen gaan bij het toekennen van ruimte binnen de gemeente. Voor diegenen die zich niet zo strak aan de belijdenis gebonden weten, ligt dit vanuit de eigen instelling eenvoudiger.

Echt, de Bond wil geen kerk in de kerk zijn, maar wil slechts dat de kerk zo kerk is, dat ze dat is naar Schrift en belijdenis. Daar kan de Bond niet overheen. De ruimte die de Bond vraagt en geeft is helaas kleiner dan de ruimte die de hele hervormde kerk biedt. Maar verder — de praktijk wijst dit toch wel uit — wil de Bond niets liever dan staande middenin de kerk meebouwen aan het herstel en meewerken aan het welzijn van de kerk die hem lief is.

J. van der Graaf

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De plaats van de Gereformeerde Bond in de Ned. Hervormde Kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 januari 1976

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's